In de tuigenkast van Museum van Loon aan de Keizersgracht in Amsterdam hangt een antiek vierspantuig, dat waarschijnlijk is gefabriceerd door Verweegen & Kok in de Amsterdamse Kalverstraat. Het ligt ook wel enigszins voor de hand dat jonkheer Van Loon zijn tuigen in de 19e eeuw bij een exclusieve zadelmaker in de hoofdstad kocht. Maar wie zegt de naam Verweegen & Kok als tuigenmaker nog iets? Het is een vergeten historie.

Een tuig voor een paard was een ambachtelijk product, het was belangrijk, kostbaar ook. Als onderdeel van de equipage was het een visitekaartje van de eigenaar. Op oogkleppen, schoftjes en lepels prijkte het wapen, helmteken of monogram van de eigenaar, het soort beslag -messing of zilver- was heraldisch bepaald. De betere zadelmakers gaven hun werk een eigen signatuur door de fijnheid en versieringen in de stiksels, zoals Bouman die een ‘visje’ stikte aan het einde van een streng of riem, door een eigen techniek van bomberen of door exclusief beslag. Een kenner zou vroeger zo zeggen ‘o, dat is een tuig van…’, maar dat is voorbij. Alleen al omdat er amper originele Nederlandse tuigen zijn overgebleven, want leer vergaat en stiksel laat los. Vastgelegd is er niets. Veelal is zelfs geen naam te vinden op het leerwerk. Daarom is het toeval dat er een gareelbeugel en bijbehorende trekker opdook met het stempel Verweegen & Kok, en dat dit onderdeel identiek is aan dat van het vierspantuig van Van Loon. Het is ook wel enigszins logisch dat jonkheer Willem Hendrik van Loon zijn tuigen op loopafstand in de Kalverstraat bestelde.

De oude Verweegen
Jan Jacob Christiaan Verweegen (1799-1870) uit ’s-Gravenhage, evangelisch-luthers van geloof, schrijft zich in 1819 in aan de Amsterdamse Kalverstraat, ter hoogte van de Munt. Daar begint hij een zadelmakerij. Jan trouwt met Charlotte Oostenberg (1799-1865) en ze krijgen vijf kinderen. In 1857 verhuizen ze naar de Nieuwezijds Voorburgwal, naar de Pijpenmarkt om precies te zijn, waar Jan een betaalde baan kan krijgen als buurtsecretaris, ambtenaar dus, en dat levert meer op dan de zadelmakerij. Het gaat hem goed genoeg om een dienstbode in huis te nemen. Van zijn drie zoons volgt een (Eduard Henri) hem op als ambtenaar en een ander (August George) treedt in zijn voetsporen als zadelmaker, maar geen van hen is in staat om als gelijkwaardig partner in de zaak te komen. Wie dat wel kan is Carel Kok (1840-1900), die onder de hoede is gekomen van Verweegen. Carel is een beetje een verhaal apart. Kok is de achternaam van zijn moeder, die hem en zijn broer zonder de aanwezigheid van een -onbekende- vader weet op te voeden. Ze wonen in bij haar broer Pieter, barbier aan de Weteringstraat.
Om een paar centen bij te dragen aan de huishouding, is Carel in de leer bij Verweegen. Naar tevredenheid van beiden. Op 1 januari 1866 maken ze bekend als Verweegen & Kok de zadel- en tuigenmakerij te ‘continueren’ aan de Pijpenmarkt. Voor eventjes wil de oude Verweegen de jongeling nog wel in zijn zaak hebben, maar het is tijdelijk, want Carel is al bezig om op eigen benen te gaan staan. Die ziet kans om een oud winkelpand te huren op de hoek Kalverstraat-Sint Luciënsteeg. Het is naast de ingang van het Burgerweeshuis. Op de vooravond van zijn huwelijk met Maria Catharina Schuurman (1848-onbekend) verhuist in juni 1866 de zadelmakerij en de rest van de familie Kok: Carel, moeder en tante en de toekomstige bruid komen aan de Kalverstraat 88 te wonen – broer en oom zijn inmiddels overleden.

Aanbevolen door brandweer
Een tuigenmakerij is een beetje te vergelijken met een schoenmakerij in de combinatie van ambachtsbedrijf en winkel. Zo verkoopt Verweegen & Kok ook een smeersel met de wervende tekst ‘Het koetsiersverlangen. Onverbeterlijk glimmend tuigsmeer van Napoleon Rinskopf uit Gent’, dat het leer zacht, soepel en waterafstotend maakt en laat glanzen. Een opvallend zijsprongetje in het ondernemerschap is de ‘sauveteur Leysen’ die de winkel verkoopt, een stoeltje aan een lang touw om in geval van brand een bovenverdieping te verlaten, aanbevolen door de commandant van de Amsterdamse brandweer. Voorbijgangers in de Kalverstraat staan in oktober 1876 gek te kijken als ze er, bij wijze van demonstratie, een bediende mee uit het dakvenster van de zadelmakerij zien zakken. Opvallen doet de firma op meerdere fronten, want een jaar later laat Verweegen & Kok gala- en narrentuigen en daarmee het meest exclusieve werk voor een tuigenmakerij zien op de nijverheidstentoonstelling van Amsterdam. Goed voor een zilveren medaille in de categorie ‘kunst toegepast op vervoermiddelen’. Een gouden medaille is daarbij niet uitgereikt, wel een tweede zilveren voor een berline en een arrenslee van rijtuigfabrikant Bastiaan Veth uit Arnhem, terwijl G. Boer & D. Eichhorn uit Haarlem (victoria), C.J. Maassen uit Hoorn (tuig en hoofdstellen), Schutter & Van Bakel uit Amsterdam (narrentuig) en Fr. Swaters uit Utrecht (jachtwagentje = Utr.tentwagen) het met een bronzen medaille moeten doen. Juncker uit Amsterdam krijgt een eervolle vermelding voor de ingebrachte tuigen en rijtuigen.
Verweegen & Kok pakt de medailles, vijf gouden en zilveren in drie jaar tijd, met graagte aan om te adverteren. In 1878 komt daar een bekroning bij op de wereldtentoonstelling van Parijs, waar Verweegen & Kok inzendt in combinatie met plaatsgenoot en rijtuigfabrikant Van Eck.

Export naar Indië
In de zadelmakerij vinden doorlopend innovaties plaats, zoals de verstelbare garelen die passend zijn te maken voor grotere of kleinere paarden. Een compleet Engelse zadel van echt varkensleer kost in 1884 ƒ 46,-, met inbegrip van het kosteloos bijvullen van de kussens in het eerste jaar. Dat is het halve jaarsalaris van een dienstmeisje in die tijd.
Naast de Nederlandse markt gaan er tuigen voor export naar Oost- en West-Indië. Zo wordt in 1883 voor ƒ 1.680,- aan ‘hang- en sluitwerk’ voor het ministerie voor koloniën gemaakt, ongetwijfeld zaken van gespen en riemen, al is dat niet gespecificeerd. Datzelfde jaar levert de wereldtentoonstelling van Amsterdam, officieel de tentoonstelling voor Internationale Koloniale en Uitvoerhandel, opnieuw een gouden medaille op, als enige voor een tuigenmaker. “Wie de Nederlandsche afdeling in het hoofdgebouw gezien heeft, stond licht een ogenblik stil bij de vier rijk getuigde hitjes, door de firma Verweegen & Kok daar geplaatst. Het prachtige tuig is versierd met een keizerlijk kroontje en bestemd voor den sultan van Djokjakarta. De koning heeft, toen hij den 1 mei hier rondwandelde, de inzending met opmerkzaamheid bekeken. ‘Heeft u dat gemaakt?’, vraagde Z.M. aan den heer Kok en op het bevestigend antwoord zeide hij geen enkele aanmerking te hebben. Ook het Russisch haam wekte zijn tevredenheid, waarop de heer Kok zeer gevat antwoordde, dat wijlen de koningin-moeder altoos met een zulk een haam reed.” (De Amsterdammer 21-5-1883.)

Voor maskerades
Een aardige vermelding is dat Verweegen & Kok met een grote collectie uitpakt op het concours hippique met de paasdagen in 1886 achter het Rijksmuseum. Dat is de twee keer dat zo’n evenement in Nederland plaatsvindt. Als andere standhouder exposeert hier ook de Londense A. Davis & Co met een iets bescheidener uitstalling aan tuigen en zadels. Wanneer in de zomer dat jaar de lustrumfeesten in Utrecht zijn, levert Verweegen het zadel van de student jonkheer Van Merlen die verkleed als graaf Jan van Nassau in de optocht voorgaat: “Vooral het zadel is zeer uitvoerig bewerkt, terwijl de stijgbeugels, stang enz. rijk geciseleerd en verguld zijn. Het geheel ziet er vorstelijk uit en is zeer juist naar officiële bescheiden uit het tijdvak bewerkt, in de fabriek van zadels en tuigen van de hh. Verweegen en Kok, te Amsterdam”, aldus het Algemeen Handelsblad. Het zadel en hoofdstel zijn bekleed met gele gebrocheerde zijde en daarop figuren geborduurd van roodbruin pluche. In 1891 levert de firma harnachement voor 65 ruiters van de Utrechtse maskerade, net als dat voor de Lustrumfeesten in Groningen (1899) en het harnachement, namelijk hoofdstellen en teugels van geel leer, sjabrakken van wit laken met blauwe zoom en in de hoeken een oranje gekroonde W, voor de ruitererewacht bij de inhuldiging van koningin Wilhelmina (1898). Tegen die tijd is de zaak op erfpachtbasis uitgebreid naar de twee naastliggende panden aan de Kalverstraat.

Haarlemse loterij
Iets dat zichzelf bekostigt en bijdraagt aan de naamsbekendheid van de tuigenmakerij is het aandeel in de hoofdprijs van de Haarlemse paardenloterij, een complete equipage: paarden, rijtuig en tuigen. Die laatste uiteraard van Verweegen & Kok, die er ook lootjes voor een gulden per stuk voor verkopen. Dat doen ze tientallen jaren achtereen. Tot 1890, wanneer de loten nog alleen te koop zijn bij de Haarlemsche Bankvereniging, want in de praktijk bleken de loten in voorgaande jaren al te zijn opgekocht door woekeraars nog voor de officiële verkoop van start ging. Prompt: “Reeds zondagmorgen te twaalf uur vatte een bediende van de firma Verweegen & Kok post op de stoep van het gebouw om maandagmorgen nummer één te kunnen zijn. Na drie uur wachten kreeg hij gezelschap.” (Het Nieuws van den Dag 4-6-1890.) Die bewuste maandagochtend zijn alle 25.000 loten in vier uur tijd uitverkocht, al is een klein deel alsnog opgekocht door speculanten en een boekverkoper die ze als lokkertje gaat weggeven aan zijn klanten. De Haarlemsche paardenloterij is te vergelijken met een hedendaagse miljoenenloterij, met dat jaar 24 paarden te winnen, een landauer met tweespan en tuigen, een coupé met tuig en zwarte merrie, een dogcart met tuig en vosmerrie, een oliewagen (tentwagen) met tuig en lichte vosruin, en een boerenwagen bespannen met een vosruin. Of de bediende geluk had met zijn lot is onbekend. Maar het zakelijke aandeel in de loterij krijgt een vervolg, want vanaf die tijd gaan ook in de Groningse en de Arnhemse paardenloterij tuigen van Verweegen & Kok deel uitmaken van de hoofdprijs.

De man en het hoofd
Een curieus bericht in Het Nieuws van den Dag op 31 oktober 1887: “De man die elken dag op een vast uur in den middag den houten paardenkop in den gevel van de firma Verweegen en Kok, in de Kalverstraat, met een onbeschrijflijk aandoende uitdrukking van het oog bekeek en er iets bij prevelde, langzaam voortging, terugkeerde om nog eens te kijken en uiteindelijk verder ging, is voorgoed van dit aardsche schouwtoneel verdwenen. Hij is dezer dagen overleden. Bijna ieder in Amsterdam kende hem of had van zijn dagelijksch ‘gebed’, zoals men het noemde, hooren spreken. De zonderling, die overigens een geregeld, doch armoedig leven leidde en niemand hinderde, moet tot een aanzienlijke Haagsche familie behoord en beter dagen gekend hebben, en ’t heet dat hij in den paardenkop het hoofd van een zijner vroegere lievelingspaarden herkende.” De Delftsche Courant voegt hier nog toe dat ‘deze sukkel vroeger in ongekende weelde leefde en vier tot zes paarden had’. Het is speculeren. Want wie de man, die vooral dankzij de verhalen van de Amsterdamse sigarenhandelaar en boekschrijver Justus van Maurik onder de aandacht kwam, daadwerkelijk is geweest blijft een raadsel.

Kok als jurylid
Op de tentoonstelling van rijtuigen, tuigen en dergelijk die de harddraverijvereniging van Groningen in 1889 organiseert, is ditmaal de eer aan Carel Kok om de ingezonden tuigen en zadels te jureren. De firma heeft aanzien, ook onder vakbroeders. Van zadelmakers is er het werk te beoordelen van Van der Nap (Groningen), Van Liemt (Amsterdam), Graalman (Winschoten), Van Es (Wijhe), Pot (Ezinge) en Fongers (Groningen). Maar de Amsterdamse jury ziet geen reden om een gouden medaille uit te reiken, het meeste is brons waard. Zijn eigen spullen daarentegen… “Bij het binnentreden van het ruime tentoonstellingsgebouw rechts staat men verwonderd over de uitgebreide verzameling zadels, tuigen enz. van de heeren Verweegen & Kok (Kalverstraat 88/90) Amsterdam. Waar is het begin en waar het einde van zoveel bezienswaards, van zoveel degelijks, van zoo groote, werkelijk rijke tuigage? Het span luxetuigen met borststukken, zoowel als dat met garelen, zou de gouden medaille zonder twijfel verkregen hebben indien de heer Kok niet buiten mededinging (zijnde jurylid) geëxposeerd had. Het volledig arrentuig is even fraai als degelijk bewerkt, de halsters voor luxe-gebruik, het volledig tuig voor een rijpaard, de rijke verzameling stangen voor weelde-gebruik, de paardedekken met manekappen voor luxe-gebruik, de plaids, tot zelfs de zweepen, karwatsen zoowel als de rijtuiglantaarns en nog veel andere nuttige zaken, getuigen van het hoogste wat er op dit gebied geleverd kan worden. Waar Parijs in 1878 en ’84, Amsterdam in ’74, ’77, ‘78, ’83 en ’86, ‘s-Gravenhage in ’74, Londen in ’84 enz. enz. de inzendingen van deze firma met goud bekroonden, zou het geen wonder zijn dat Groningen ook haar de hoogste onderscheiding had waardig gekeurd. Van vele zijden hoorden wij met lof gewagen van deze inzending, als een van de schoonste afdeelingen dezer belangwekkende tentoonstelling. De indruk door de heeren Verweegen & Kok alhier gemaakt, is alleszins gunstig te noemen”, aldus de lofzang van het Algemeen Handelsblad op 31 juli.

Sinterklaasverhalen
De Tijd brengt op 5 mei 1896 een nieuwtje over een aankoop voor of van de Griekse koning: “Een vorstelijk geschenk, geheel van Nederlandschen bodem, wel een zeldzaamheid, is heden, onder begeleiding van den bekenden paardenhandelaar Gebr. v.d. Kuylen met zijn jockey, naar Athene vertrokken. Het is een span jonge paarden van Friesche afkomst, zeldzaam mooi gebouwd, prachtig geteekend, met buitengewone staart en manen, dat aan den koning van Griekenland is verzonden, en hetwelk geleverd is door de firma v.d. Kuylen, terwijl het vorstelijk harnachement van zwart leder, rijk gemonteerd met zilver en witte schelpjes, is gemaakt door de firma Kok & Verweegen, en de bekende kleermakers Julien Huf en Bodenheim ieder een zeer smaakvolle livrei van jockey en koetsier hebben gemaakt.”
In een sinterklaasverhaal van het Handelsblad (22-11-1889) komt een veelzeggend citaat voor: “Wel natuurlijk; ’t loopt voor een rijtuig van Gebrs. Spijker, met een tuigje van Verweegen en Kok; ’t goede hoort bij elkaar.” Die sinterklaasverhalen in het Handelsblad over waar de goedheiligman zijn inkopen doet, uiteraard ter promotie van de Amsterdamse middenstand, laten zien dat er een trend is ingezet naar andere lederwaar: “de voortreffelijke lederwerken van de zadelmakers Verweegen & Kok, die voor de velerlei behoeften van een negentiende-eeuwsch gezellig mensch een even geopend oog toonen te hebben als voor die van paard en rijtuig.”

Filiaal ‘s-Gravenhage
De firma noemt zich niet langer zadel- en tuigenmakerij, maar fabrikant van ‘solide lederwaren’ en prijst onder andere Hercules portemonnees van twee gulden voor een herenversie en anderhalf voor de damesversie aan. In de winkel liggen tal van hondenspullen, tassen en riemen voor schietjagers en noviteiten als hoeden voor paarden die ’s zomers risico lopen op een zonnesteek. Voor de drafliefhebbers is Verweegen & Kok importeur van de trainingsattributen van Richard Fiebrandt uit Berlijn. Een paar jaar later, wanneer de Nederlandsche Stalhouders Bond een toonzaal opent aan het Damrak 67a laat Verweegen & Kok daar naast tuigen een hoofdstel zonder bit zien: “In ons land nog niet erg gewild, maar door dierenvrienden sterk aanbevolen en door menigeen aangewezen als het hoofdstel van de toekomst.” (De Standaard 26-3-1906.) Een eeuw later is de opvatting over bitloos paardrijden nog onveranderd: af en toe duikt het fenomeen op als ’diervriendelijk’ en het is nog steeds niet erg gewild.
Met veertien kinderen was het een drukke boel in het gezin Kok, boven de winkel aan de Kalverstraat. De drie oudste van de vijf zonen komen na het overlijden van hun vader in 1900 als firmant in de zaak: Carel Willem  (1871-1963), Jan C. (1875-1938) en Willem C. Kok (1877-1950). Zij openen in maart 1911 een filiaal in de Hoogstraat in Den Haag, waar volgens de Haagsche Courant zestien tuigen op voorraad zijn: gemonteerd met zilver, koper of aluminium-brons.

De plastic tas
In 1906 pakken de broers groot uit door ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan met het personeel in tien rijtuigen naar het circus van Oscar Carré -een vaste klant- te gaan, waar onder luid applaus de naam van de firma op een bioscoopdoek verschijnt. Dat is tien jaar later anders, bij het vijftigjarig jubileum, dat in stilte voorbijgaat, omdat ‘een bepaald feest met de tijdsomstandigheden niet in overeenstemming werd geacht’. Met de oorlog en nog meer door de opkomst van de auto komt een einde aan de tuigenmakerij, en Verweegen & Kok is dan nog vooral een winkel in lederwaren en geïmporteerde koffers, een enkel zadel daargelaten. In het kinderboek ‘Het avontuur van Haverstok met den koffer van Verweegen en Kok’ bezoekt een mannetje met een oersterke koffer de frontlinies tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het boekje is een voortvloeisel van de reclamestrip die tekenaar Ko Donker in 1912 voor de firma maakt. Over koffers dus. Maar wie wil kan nog altijd zijn tuigen laten repareren aan de Kalverstraat, want in 1943 viert de zadelmaker C.J.N. Duncker dat hij zestig jaar in dienst is en de man zal nog ongetwijfeld het pekdraad weten te vinden. Net als zadelmaker J.C.C. Haanappel die er in 1947 vijftig jaar werkt. Het is kenmerkend voor de zaak dat een groot aantal werknemers er een lange staat van dienst opbouwt; werken op de krukjes in het atelier betekent met een beetje geluk een baan voor het leven. Onder die werknemers een bekende naam: Dirk des Bouvrie, een oudoom van interieurontwerper Jan des Bouvrie, die in mei 1910 veertig jaar in dienst is als zadelmaker.
De oudste van de tweede generatie Kok, ‘mijnheer Carel’, houdt, na het volgen van de HBS, nog tot zijn 93ste een vinger in de pap aan de Kalverstraat, al heeft hij geen enkele interesse voor de hippische markt. Roeien is zijn grote passie. Enkele jaren na zijn overlijden komt er in 1970 stilletjes een einde aan de winkel in ‘solide lederwaren’, die het afleggen tegen de opkomst van de plastic tas.

Beeld: Gemeentearchief Amsterdam.

Foto boven: het vierspantuig van jonkheer Willem Hendrik van Loon in gebruik voor een presentatie van de Stichting Hippomobiel Erfgoed. In 2009 vond op initiatief van Nicolaas Conijn een pilotproject plaats om de jachtbreak van Van Loon te restaureren en terug te plaatsen in zijn oorspronkelijke koetshuis, namelijk dat van Museum van Loon in Amsterdam. Het tuig hoort bij dit rijtuig en in ditzelfde koetshuis.


Hoofdstel met het helmteken van de jonkheren Van Loon op oogkleppen en rozetten.


Algemeen Handelsblad 4-5-1857.


Algemeen Handelsblad 1-1-1866

.
Algemeen Handelsblad 5-7-1866.


Interieur van de winkel eind 19e eeuw.


Reclamekaart eind 19e eeuw.


Prent van een bekende Amsterdammer die dagelijks
naar het paardenhoofd stond te kijken, door Johan Coenraad Braakensiek.


Voorschoftje.              Gebombeerde staartrien of zogenaamde culeron.


Boven elkaar in de kast: hoofdstel, gareel en schoftje van het achtertuig. Gareel.


Gareelbeugel met vaste strengkap. Oscar Carré was vaste klant.


Nederlandsche Sport, officieel orgaan der Nederlandsche Harddraverij en
Renvereenigingen 1-9-1900 (l) en 6-9-1902.


Naar links oplopend: de drie panden Kalverstraat 86-90 .


Huidige toestand van de andere kant gezien,
met links de ingang naar het Amsterdam Museum.