“Niet wetende dat hij er nog was, zijn de onderdelen van deze Utrechtse tentwagen te voorschijn gekomen bij de buren van het ouderlijk huis van Marianne. Alles is er nog bij, maar bij het ruim 40 jaar op de zolder liggen hebben de houtworm goed hun best gedaan. Het bijzondere aan dit rijtuigje is het portier aan de achterzijde en de zeer mooie steekleertjes aan de zijkanten”, schreef Gerard Engbers eerder op facebook. Hij merkt op: de stofdoppen zijn gemerkt met Henrich & Veth Arnhem.

In 1837 openen August Mietzener en Johan Frederik Henrich (1810-1882) hun zadel- en rijtuigfabriek in Arnhem en beloven hun clientèle ‘eene prompte en civiele bediening’. De één is Duitser, de andere heeft een Duitse vader en een Nederlandse moeder. Maar er is vanaf het begin een bepaalde spanning tussen beide kompanen: na een half jaar is de firmanaam gewijzigd van ‘A. Mietzener en F. Henrich’ in ‘Mietzener & Co.’. Vijf jaar gaat het nog goed tot Mietzener op 3 december 1842 met de noorderzon vertrekt. Spoorloos. Het is een ‘schandelijk vertrek’ en hij laat Henrich, die blijkbaar al die tijd het werk in de wagen- en zadelmakerij voor zijn rekening had genomen, met de problemen achter. Die vereffent de schulden en het lukt hem een jaar later om Mietzener met terugwerkende kracht te schrappen in de firmanaam. Het gaat hem dan goed, in 1845 trouwt Henrich met de Arnhemse Anna Maria de Klerk en nog eens zeven jaar later exposeert hij op de nijverheidstentoonstelling in Arnhem een vigilante met ‘gebombeerde glazen’. Met regelmaat vraagt hij wagenmakers ‘met het bakwerk niet onbekend’, soms vier tegelijk. Zo komt ook Arie Veth (1831-1873) op zijn pad, die op zijn 24ste van Delft naar Arnhem verhuist en als timmermanszoon handig is met het houtwerk.

Arie heeft een klik met Henrich en mag zich anderhalf jaar later al zakelijk partner noemen om de rijtuigfabriek aan de Velperweg in Arnhem verder te gaan uitbouwen. Ze maken rijtuigen voor het ‘duurdere’ marktsegment: vigilantes, coupés, Victoria’s en Phaetons. Gelet op het aantal rijtuigen dat met ‘Henrich & Veth’ als maker opduikt in advertenties moeten het er een flink aantal zijn geweest. Het duo is voortdurend op zoek naar personeel zoals een vuurwerker, lederbewerkers, wagenmakers, bankwerkers en bekwaam rijtuigschilders. Er is ‘dadelijk vast werk te bekomen’. Na vier jaar stapt Henrich uit de vennootschap, alhoewel niet duidelijk is waarom: was Henrich op zijn vijftigste al fortuinlijk genoeg? Hij zal vanaf dat moment ‘zonder beroep’ door het leven gaan. Arie Veth krijgt in elk geval zijn kans van zijn leven en trouwt datzelfde jaar met de Dortse Elizabeth Gips, een jaar later komt in Arnhem hun eerste zoon ter wereld.

Arie bestiert de zaak vanaf 1860 prima alleen. In 1868 brengt Koning Willem III een bezoek aan de Tentoonstelling van Nijverheid en Kunst, waarvan Arie in het comité ter voorbereiding zit, in Arnhem. De Koning koopt bij dat bezoek een rijtuig van hem en vanaf dat moment is de fabriek leverancier van Zijne Majesteit. De export naar de Oost komt ook op gang en er zijn ‘diverse genres rijtuigen in voorraad voor Indisch gebruik’. Op de lijst van ‘hoogst aangeslagene’ voor belastingen in Gelderland staat Arie op plaats 144. Personeel blijft welkom en dat lag niet aan het verloop, want na Arie’s dood in 1873 laten de gezamenlijke werklieden nog in een dankbetuiging weten hoeveel ze de warmte en menselijkheid van hun broodheer konden waarderen. Hij was er blijkbaar zuinig op. Zijn weduwe doet in dat jaar de firma over aan diens broer Bastiaan (1839-1905). Hij gebruikt de naam ‘B. Veth jr., voorheen Henrich en Veth’.

Op het moment van overdracht werkt Bastiaan in het bedrijf als ‘architecte-carrosserier’. Hij doet dat niet alleen om deftig te klinken of misschien ook wel, de firma heeft een abonnement op de Franse vakbladen La Guide de Carrossier en Carrosserie Francaise en daaruit haalt Veth zijn ontwerpen. De rijtuigen van Veth waren duidelijk op de Franse mode gestoeld. In Amsterdam opent D.M.H. Juncker aan de Amstelstraat 18-19 een filiaal voor Veth. Bastiaan brengt de firma tot grote bloei als Arnhemsche Rijtuigfabriek en doet dat deels door de export. Op de Wereldtentoonstelling in 1883 in Amsterdam laat hij zijn rijtuigen zien, net als op kleinere tentoonstellingen in het land; het is in die tijd een effectieve manier om de krant te halen.

Bastiaan en zijn gezin wonen ondertussen bij het bedrijf aan de Steenstraat 66. In 1900 stapt hij met zijn zoon Bastiaan Jacob Arie (1873-1958) naar de notaris om een vennootschap aan te gaan en verschijnt de naam ‘B. Veth en Zoon’ op de wieldoppen van de rijtuigen. Overigens ontdekt Bastiaan een jaar later dat in Amsterdam rijtuigen in de handel zijn met gegraveerde, valse naamplaatjes ‘Veth Arnhem’ op de doppen: “Deze rijtuigen zijn dus niet van mijn bekende fabriek afkomstig.” Een echte Veth is te herkennen aan de voorletter ‘B’ en met de naam in de dop gestampt. Een ander leuk weetje is dat Bastiaan en zoon in 1907 adverteren met de eerste rijtuigen op kogellagers.

In 1913 vervangen ze voor de uitbreiding van ‘hare rijtuigfabriek’ aan de Spijkerlaan 34 een gasmotor van 12 pk door vier elektromotoren variërend van vier tot driekwart pk. Om die motorren aan de praat te houden komt er een benzinetank achter het pand. Overigens is het rijtuig dan al aardig verdreven door de auto. Al rond 1900 is B. Veth en Zoon de eerste importeur van Renaults in Nederland en rond 1920 importeert het bedrijf als eerste in Nederland 4 T-Fords. Na 1950 houdt het bedrijf zich voornamelijk bezig met het aanpassen van bedrijfswagens en het bouwen van bussen voor personenvervoer. Veth bestaat nog altijd (vethautomotive.com).

1837-1842 Mietzner & Henrich/Co.

1842-1856 Henrich

1856-1860 Henrich & Veth

1860-1873 A. Veth

1873-1900 B. Veth

1900-  B. Veth & Zoon

Deze tijdlijn brengt ons terug in 2018 naar het wagentje van Gerard Engbers, gebouwd ergens tussen 1856 en 1860. Daarmee is het voor Gerard helemaal duidelijk: “Al met al een bijzonder rijtuig dat behouden moet blijven. Voorlopig maar eerst beschermen tegen verder verval en een restauratieplan opstellen.”