Een landauer of een landaulette van Van Rijswijk heeft sierlijke, diepe rondingen. Het is een handelsmerk van de rijtuigfabrikant. Dat Van Rijswijk auto’s heeft gemaakt is algemeen bekend, maar het bedrijf is al bijna een eeuw eerder gestart als zadelmakerij op het Buitenhof in Den Haag. Een van de klanten was het hof. En in de koninklijke stallen van Paleis Het Loo zijn een omnibus, tuigen en een automobiel te vinden van Van Rijswijk.

Een zadelmakerij op het Buitenhof in Den Haag starten is blijkbaar lastig. In 1826 zit daar de Engelse meesterzadelmaker Thomas Holt die een curricle van Brusselse makelij aanbiedt. Nadat Holt in 1832 in het verbeterhuis overlijdt, neemt de meesterzadelmaker en gouvernementsleverancier Carel Fröhlich Hubert zijn plaats over door op het Buitenhof te handelen in tuigen en rijtuigen.
“De ondergeteekende geeft bij deze kennis aan het geëerde publiek, dat hij van zijne Handelreizen weder gearriveerd is, en medegebragt heeft een schoon assortiment fraaije koets-, wagen- en curikeltuigen, alsmede schoone dames- en heeren rijzadels, schoone jagt-, hagel- en kruidtaschjes, winter paardenkleeden, zweepen, kawarts, stalbehoeften, en fraaije ruslederen koffers, en meer artikelen; breeder bij hem te zien, gelijk hij in Middelburg uitgepakt is geweest, zie de bovengemelde Courant, van den 16 October jl., en te Rotterdam, van den 20 dezer, waarin vele dezer goederen te zien geweest zijn. ’s Gravenhage, C. Frölich Hubert, den 27 October 1836”, in het Dagblad van ’s-Gravenhage een dag later. Waar de spullen vandaan zijn verscheept is onvermeld. Fröhlich Hubert woont privé in het Halsstraatje en verdient genoeg om daar een tuinman aan het werk te zetten. Maar het is schone schijn, want op 27 november 1840 verklaart de rechtbank hem failliet. Zijn ‘wettige huisvrouw’ neemt dan het roer over voor alle export naar Oost- en West-Indië, vanuit de winkel die dan aan de Veenestraat zit. Zadelmaker Carel is echter verbitterd over wat tot zijn faillissement heeft geleid en schrijft een boekje ‘Het vervolg van Vaderlandsliefde en Trouw, of de miskende Nederlandsche Burger’ dat voor dertig cent ‘ten voordele van een ongelukkig huisgezin’ bij de schrijver aan huis is te kopen. Het is een opmerkelijk verhaal.

Om een indruk te krijgen
Op het Buitenhof is echter een zadelmakerij vacant. En daar ziet Barend Teunis van Rijswijk (1819-1874), zoon van een koetsier-kastelein, zijn kans. Vanaf 1843 werkt hij -nog jong en ongetrouwd- daar zelfstandig. Het is best mogelijk dat hij als eerdere gezel van Fröhlich Hubert de zaak overneemt. Het Buitenhof is een goede locatie voor de betere klanten. In de werkplaats vindt in 1849 een verkoping plaats, vanwege een sterfgeval. Dit geeft een beeld van de inventaris van een deftig Haags koetshuis en van de klandizie van de zadelmaker, wat beter is uit te leggen als tuigenmaker en handelaar in tweedehandsrijtuigen: “een nette en in den besten staat onderhouden equipage, bestaande in: twee berliner, waarvan eene zeer moderne, weinig gebruikte staatiekoets, op dubbele veren en patent-assen, eene solide victoria, waarvan de achterzitting kan afgesloten worden, voor een en twee paarden, met half-patent-assen, eene calèche en charrette, met knechtszitting, voor een en twee paarden, alsmede een fraai vergulde narreslede, met daarbij behoorende extra bewerkte tuigen, voor twee paarden, voorzien van 124 bellen, zeer zwaar en van zuiveren klank, benevens een tijgervel; voorts twee vierspans-, drie tweespans- en drie eenspans-gareeltuigen.” (Nieuwe Rotterdamsche Courant 21-4-1849.) Om dit te openbaar te verkopen moet Van Rijswijk een werkplaats van formaat hebben.
Individuele rijtuigen die hij verhandelt geven een indruk van de prijzen die hij vraagt, zoals ƒ 600,- voor een nette en ‘wel bewerkte’ coupé-vigilante, en ƒ 800,- voor een ‘niet veel minder dan nieuwe victoria, met toebehoren om in een coupé te worden veranderd’. Ter vergelijking: het dagloon van een knecht in een ambachtelijk bedrijf als Van Rijswijk ligt halverwege de 19e eeuw op een gulden.
Barend Teunis van Rijswijk trouwt in 1850 met Magdalena Meurs (1829-1906) en in maart 1857 verhuizen gezin en bedrijf naar de eerste Wagenstraat 20, op de plek van het huidige modehuis Peek & Cloppenburg.

Brand bij de buren
In de nacht van 14 op 15 juli 1859 zal het gezin Van Rijswijk zijn opgeschrikt door een flinke brand bij de buren, van Tak’s winkel in herenattributen, waar het totale pand van uitbrandt. Vader en moeder Van Rijswijk staan op dat moment misschien wel buiten te kijken met een elf- en een zevenjarige dochter, en een driejarig jochie op de arm. Voor de buren is het beroerder, niet alleen voor Tak die op het aanvankelijke vermoeden van brandstichting in het gevang belandt en alles kwijtraakt. Na een paar dagen komt hij met de dubbele schrik vrij. De huurders in het pand zijn evengoed de klos. Door de brand is “eene weduwe, welke voor zich, hare inwonende moeder en kind den kost moet verdienen, beroofd van bijna al wat zij bezat”, aldus een hartenkreet in het Dagblad van Zuidholland en ’s-Gravenhage op 16 juli om geld te doneren. “Moge ruime milddadigheid overeenkomstig de groote hier bestaande behoeften helpen!” Een andere huurder in het pand is deurwaarder Asmus, die al zijn paperassen in rook ziet opgaan en dat is best onhandig voor een deurwaarder. Hij kan tijdelijk onderdak krijgen in het bovenhuis van Van Rijswijk, waar de klanten mogen aankloppen bij de zadelmaker op de benedenverdieping. In december 1860 zijn de bovenwoning met acht kamers, de zolder en een kelder weer vrij voor verhuur. Het klinkt als een ‘gewoon’ pand, toch moet er ook ruimte genoeg zijn voor vijf, zes rijtuigen die altijd te bezichtigen zijn, niet alleen tweedehands, ook nieuw.

Eer voor de jubilaris
Dan het goede nieuws: “Heden heeft in de zadelmakerij van den heer B.T. van Rijswijk, in de Wagenstraat te dezer stede, eene dubbele feestviering plaats gehad. Het was toch de dag, waarop vóór 25 jaren die zaak werd opgerigt, en tevens vierde de meesterknecht P. Leaneart gedachtenis van zijn 25-jarigen diensttijd bij denzelfden patroon, aan wiens zaak hij zich alzoo dadelijk bij de oprigting had verbonden en waarin hij tot heden met onafgebroken ijver en trouw was werkzaam gebleven. Te dezer gelegenheid werd de patroon door zijn meesterknecht op toepasselijke wijze toegesproken en hem namens de gezamenlijke werklieden een prachtige bureau-ministre, in de meubelfabriek van den heer Mesker vervaardigd , ten geschenke aangeboden, waarna ook door den daarna oudsten werkmanpatroon en meesterknecht hartelijk werden toegesproken. De patroon schonk aan zijn meesterknecht, wiens 25-jarige trouw hij op hoogen prijs had leeren schatten, een prachtigen geëmailleerden sigarenkoker, waarin ook nog een ruim geschenk in geld was besloten, terwijl den meesterknecht tevens door de werklieden eene smaakvolle linnenkast ten geschenke werd aangeboden. Verder was de dag aan eene gepaste feestviering gewijd, die door den patroon aan zijne ondergeschikten was bereid.” (Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage, 3-1-1868.)
Een ander jubileum in verband met de rijtuigen die Van Rijswijk aflevert is het 25-jarige dienstverband van ‘meesterknecht der rijtuigschilders’ Daniel Thierry in februari 1896. Ook getuige de vacatures zijn er meerdere schilders, stoffeerders en wagenmakers in dienst. Die werken zonder enige twijfel in van elkaar gescheiden werkplaatsen, want stof, zaagsel en natte verf is een slechte combinatie. De salarissen zijn inmiddels gestegen: een loopjongen kan er dan ƒ 2,50 per dag verdienen.

Leveren aan het hof
In 1871 voert Van Rijswijk het predicaat hofleverancier van hare majesteit de koningin, Sophie van Würtemberg, de eerste echtgenote van Willem III, en dan gaat het waarschijnlijk om de leverantie van tuigen aan het hof. Het is eervol om aan het hof te leveren: “De harnachementen van de wapenherauten en wapendragers bij de begrafenis van zijn majesteit den koning, zijn vervaardigd in de fabriek van de firma B.T. van Rijswijk en Zoon, in de Wagenstraat alhier, terwijl het beeldhouwwerk van den kap van den rouwwagen, door de firma v.d. Bergh, de vervaardiger van dien wagen, was opgedragen aan den beeldhouwer, den heer W.J. v.d. Winkel, in de Nieuwe Schoolstraat alhier.” (Dagblad van ‘s-Gravenhage, 5-12-1890.) En ook na die tijd blijft het hof tuigen bestellen, een jaar na de kroning van Wilhelmina mag Van Rijswijk zich in 1899 opnieuw hofleverancier van de majesteit noemen.
Barend Teunis zal het niet meer meemaken, evenmin dat zijn twee dochters Hermina en Hendrika trouwen, beiden in 1875, een jaar na zijn overlijden. Moeder Magdalena is dan verantwoordelijk voor de ‘zadelmakers-affaire’. Mogelijk heeft het spontane trouwen van de dochters iets te maken met de afwikkeling van de erfenis of met het simpele feit dat, nu de belangrijkste kostwinner van het gezin wegviel, de meiden hun kostje letterlijk elders konden gaan zoeken. De zonen Willem (1855-1913), Leonardus (1859-1922) en Bernard (1864-1917) zijn dan nog te jong om de werkplaats voort te zetten. Zij zijn volop in de leer: Willem in de zadelmakerij en Leonardus heeft juist affectie met de rijtuigbouw en biedt in 1882 zijn eerste slede te koop aan, onder eigen naam. Leonardus handelt vanuit het magazijn van zijn moeder, maar maakt formeel nog geen deel uit van een vennootschap, daar moet hij op wachten tot 1895.

Geen prachtiger tuig dan dit
Op 26 mei 1882 meldt het Dagblad van Zuidholland en ’s-Gravenhage over een leverantie van een galarijtuig aan het hof van de kroonprins van Soerakarta, door rijtuigfabrikant Jacob van den Bergh in de Casuariestraat. “Voor wie bekend is met de weelde van de oosterse vorsten, zal het niet noodig zijn mede te deelen, dat de goudkleur aan deze koets niet gespaard is. Het geheele onderstel is als t ware één klomp goud. Overigens is het rijtuig fraai en zeer doelmatig afgewerkt, op de portieren voorzien van het gekroonde naamcijfer van den Vorst, terwijl de vorstenkronen ook op de groen satijnen bekleding, de lantarens, de bokbekleeding, op de ruiten, kortom op elk onderdeel van het rijtuig voorkomen. Het geheel doet den vervaardiger alle eer aan en te bejammeren zou het zijn, indien de voorspelling werd bewaarheid van een oudgast, die het rijtuig heden zag, en vroeg of men er aan t gedacht had om er eierennetten bij te leveren, want dat over een jaar de kippen er hun eieren in zouden leggen. Ook het zesspan paardentuig, dat bij het rijtuig zal gebruikt worden, is hier ter stede vervaardigd en wel bij de heeren B.J. van Rijswijk en Zoon, zadelmakers in de Wagenstraat. Dat ook deze bestelling met alle zorg en netheid is afgewerkt, daarvoor staat de naam der oude en gunstig bekende firma borg. Een prachtiger tuig dan dit verliet welligt nimmer de ateliers.”

Elektrisch rijtuiglicht
Ander nieuws komt uit het rijtuigmagazijn, waar volgens Het Vaderland (29-9-1892) elektrisch licht voor rijtuigen zijn intrede doet: belangstellenden mogen in die week ’s avonds komen kijken naar een elektrisch verlichte coupé, waarvan de ‘toestellen voor deze verlichting’ zijn geleverd door de elektrotechnische fabriek Horrix aan de Gedempte Burgwal in Den Haag. Dat is echter wel pas vijf jaar nadat concurrent Van den Bergh de elektrische rijtuigverlichting in Den Haag had geïntroduceerd, die had de primeur. Horrix is de specialist die in 1897 de omnibussen -gebouwd door nog een derde rijtuigfabrikant, namelijk Pennock- voor het stadsgedeelte achter het Prins Hendrikplein voorziet van elektrisch licht en een bel. Het zal de eerste keer zijn dat in het Haagse verkeer het nog altijd voor een tram zo typisch, schelle belgeluid is te horen.
Een andere innovatie die bij Van Rijswijk passeert zijn rijtuigwielen met luchtbanden van de firma Dunlop, tweedehands, maar ‘weinig gebruikt’ aldus de advertentie in 1898.

Eigen ziekenfonds
De techniek in de rijtuigbouw ontwikkelt zich verder, wanneer in 1895 een aanvraag plaatsvindt van een hinderwetvergunning voor een smederij aan de Wagenstraat. Het smidswerk vindt tot dan toe elders plaats. Voor die uitbreiding lenen moeder Magdalena Meurs, Willem van Rijswijk en Leonardus van Rijswijk een bedrag van zesduizend gulden bij jonkvrouw Wilhelmina Aukje Repelaer, met het onroerend goed als onderpand. Moeder en zonen handelen onder de firmanaam ‘B.T. van Rijswijk & Zoon’, een enkele keer afgewisseld met ‘Gebroeders van Rijswijk’.
In 1903 zoekt Van Rijswijk nog altijd zadelmakers die ‘bekend zijn met tuigwerk’, oftewel de tuigenmakerij loopt als vanouds door. Tegelijkertijd komen er in de wintermaanden automobielen van Verweij & Lugard in de showroom te staan. De firma gaat zich afficheren als ‘carossiers’. Van Rijswijk gaat nog altijd met de tijd mee, niet alleen door het automobiel, ook door een eigen ‘Fonds v/d werklieden der rijtuigfabriek en zadelmakerij’ om ziektegeld, ziektekosten en begrafenisgeld uit te betalen. Dat is er al voor minister Kuyper in 1908 een voorbereiding treft voor het invoeren van een algemene ziektewet, die overigens nog jaren op zich zou laten wachten.

Omnibus voor Het Loo
In juli 1909 maakt Van Rijswijk zijn naam als hofleverancier opnieuw waar door het afleveren van een omnibus voor Paleis Het Loo in Apeldoorn. Deze omnibus biedt plaats aan acht passagiers en dient om het personeel van Het Loo naar het station en terug te brengen, wanneer koningin Wilhelmina langdurig in Apeldoorn verblijft. Het personeel komt uit Den Haag en wordt met regelmaat afgewisseld. Het is dus een grote omnibus met bovendien veel ruimte op het dak om bagage mee te nemen. Het rijtuig kost ƒ 1.675,-.
Op 4 januari 1908 doet Van Rijswijk offerte met de volgende specificaties: “Omnibus voor twee paarden, met ijzeren, verlakte tweepaards-spinnenkop; bok met bergplaats; ijzeren bevlochten imperiaal; rem; ijzeren kraalbanden om de wielen; blank notenhouten glasramen met spiegelglas; bruin geschilderd met rood afgezet en een kroon op de portieren; twee koperen lantaarns; een lang kussen en een dof vachet, schuin bokkussen; lederen bekleedde bokleuning; dof vachet lederen schootkleed; bok met kurktapijt bekleed; houten rabat achter de bok met bagage-rand; binnen twee banken als in de elektrische tram, en een opslaande bank tegen den voorkant; van binnen in blank hout afgewerkt; kurktapijt op de bodem met een cocosmat, en lederen glassnoeren aan de ramen.”
De factuur is na aflevering en conform offerte betaald op 6 juli 1909.

Auto’s die de aandacht trekken
In het begin van de 20ste eeuw heeft Van Rijswijk het druk met uiteenlopende koninklijke opdrachten. Prins Hendrik laat voor zijn eigen Lipizzaners ranke, lichte gareeltuigen maken, waarmee hij vrijwel dagelijks in Den Haag of in Apeldoorn ritjes maakt. Twee van die spantuigen zijn toegeschreven aan Van Rijswijk. Maar het zullen de laatste zijn geweest, want het zijn vooral de auto’s die de aandacht trekken voor en na de Eerste Wereldoorlog. De sultan van Deli bestelt een autocarrosserie (1909), koningin Wilhelmina bestelt twee Spijker-chassis, waarvan Van Rijswijk er eentje mag afbouwen (1911) en in 1925 schaft prins Hendrik een chassis aan van de Antwerpse fabrikant Minerva, waarvoor Van Rijswijk de opbouw van een landaulet-limousine maakt.
Maar aan de Eerste Wagenstraat is het bedrijf uit zijn voegen gegroeid. In 1920 verleent de gemeente Voorburg een hinderwetvergunning voor een carrosseriefabriek in de Van Alphenstraat. Officieel is het nog altijd een fabriek voor rijtuigen en voor auto’s. Om de machines aan te drijven in het gebouw, dat bestaat uit een wagenmakerij, magazijn, afstelplaats, montagewerkplaats, stoffeerderij, autobergplaats, tekenkamer, kantoor, schilderswerkplaats, verniskamer en aflakkamer, zijn er acht elektromotoren. Als carrosseriebedrijf voor ambulances, lijkwagens en als schadeherstelbedrijf gaat Van Rijswijk het tot 1987 volhouden aan de Van Alphenstraat. Met 134 jaar heeft het bedrijf een respectabele leeftijd bereikt.

Van al het fraais dat Van Rijswijk in het ‘hippomobiele’ tijdperk heeft voortgebracht is nog wel wat over. Tenminste een aantal rijtuigen is in handen van verschillende particulieren, zoals een sierlijke wagonette in de collectie van rijtuigliefhebber Erik Eshuis in het Twentse Albergen. Museum Paleis Het Loo in Apeldoorn heeft echter met de omnibus, de Minerva en de spantuigen van prins Hendrik het meest bijzondere ‘drieluik’ uit de werkplaats van Van Rijswijk.

Met dank aan Museum Paleis Het Loo, Angelique van den Eerenbeemd, Koninklijk Huisarchief, Erik Eshuis, Peter Kallenberg.


Omnibus van de koninklijke stallen Paleis Het Loo. Foto K. Schouten


Factuur uit de Koninklijke Verzamelingen, Den Haag
(inventarisnummer E11c-IIIb-080).


De Minerva met carrosserie van Van Rijswijk, in 1925 aangeschaft
door Prins Hendrik. Foto R. de Wilde.


Dagblad van ’s-Gravenhage 14-4-1843.

 
Nieuwe Rotterdamsche Courant 21-4-1849.


Dagblad van Zuidholland en ’s-Gravenhage 12-3-1857.


Nieuwe Rotterdamsche Courant 30-6-1863.


Het Vaderland 3-11-1898.


Foto Erik Eshuis.