De laatste rijtuigfabrikant Van den Bergh haalt in 1936 zijn pensioen met een veilig baantje als wagenmeester van de koninklijke stallen. De geschiedenis van Van den Bergh als rijtuigfabriek gaat terug tot 1795. In tussentijd is er nazaat geweest die twee jaar in het cachot verdween wegens majesteitsschennis, hielp Van den Bergh zijn grootste concurrent -Hermans- in het zadel en heeft ene Dolman in de fabriek geïnvesteerd en zijn kapitaal er tijdig weer uitgehaald.

Het is alsof de fabriek maar net is uitgeruimd. Alsof de aandrijfriemen er vorige maand nog door de lucht gierden en er nog redelijk verse houtkrullen op de grond liggen. Maar dat is schijn. De rijtuigfabriek aan de Nieuwe Schoolstraat in Den Haag is al meer dan een eeuw geleden stilgelegd. Dat het interieur de sfeer van toen heeft behouden is volstrekt uniek. Wanneer het pand in februari 2019 te koop staat geeft de makelaar een inkijkje waar vroeger de houtdraaiers, stoffeerder en leerbewerker van Van den Bergh & Dolman werkten. Karaktervol zijn bijvoorbeeld de klinkervloer, de aftimmering, de roedeverdeling van de ramen en de spantconstructie. De indeling oogt nog authentiek zoals de diverse ambachten in de rijtuigfabriek van elkaar waren gescheiden: op verse lak mocht geen stof komen, en een smidsvuur ging niet samen met houtkrullen.

Het verhaal achter deze rijtuigfabriek gaat terug tot 1795, wanneer Johannes van den Bergh (1747-1825), afkomstig uit Culemborg en toen nog Kuilenburg genoemd, aan de slag gaat aan het Haagse Blijenburg. Hij heeft de meesterproef afgelegd voor het gilde van wielenmakers, niet als wagenmaker. Een wiel is misschien wel het wezenlijkste onderdeel van een wagen en het is daarom niet zo opmerkelijk dat een vakman als Johannes nog vóór 1800 een aanstelling krijgt als keurmeester van diligences en de rijtuigen de stalhouders in de stad. Voor diligences vindt maandelijks en de huurrijtuigen twee maal per jaar een keuring plaats. Johannes is ook aangesteld als beheerder van de middelen tot het vervoer van militaire goederen van de stad. Hoewel zo in de eerste decennia van de 19e eeuw er politiek en economisch nogal onrustig is, ziet het rond de eeuwwisseling roerige tijden zijn, ziet Johannes toch kans om de drie zonen, die hij krijgt met zijn vrouw Hendrika Behagel, aan het werk te zetten in wat is uitgegroeid tot een wagenmakerij. Dat zijn Christiaan, de zadelmaker, Frank als smid en Johannes Jacobus (1792-1875), wagenmaker. In 1822 timmeren ze aan de weg met complete rijtuigen, zoals nieuwe kapwagentjes, een reisbatarde en een Engelse koets op ijzeren assen en koperen bussen.

Ongevraagd predicaat
Johannes Jacobus overleeft zijn drie broers en volgt zijn vader na diens dood op in 1825. De moeilijkste jaren zijn nu achter de rug; de Bataafse republiek en het door Napoleon gestichte koninkrijk Holland zijn voorbij. En Den Haag is weer als voorheen de residentie van de regerend vorst en de meest aanzienlijke families. Het zijn voortvarende tijden voor de fabriek: in 1830 vindt de oprichting plaats van een eigen ambachtsschool en zonder twijfel de bekendste leerling die hier het vak leert is Mattheus Leonard Hermans.
‘JJ’ is vanaf 1841 onder de naam ‘J.J. van den Bergh & Zonen’ aan het werk met zijn vijf zonen: Willem Johannes (1821-1873), zadelmaker, Jakob (1825->1913), rijtuigschilder, Johannes (1824-<), rijtuigmaker, Frank Christiaan (1832-), smid, en Frans (1835->1895), eveneens rijtuigmaker. Die krijgen de kans om ervaring op te doen in ‘binnen- en buitenland’ en werken bij hun vader ieder in een eigen afdeling.
Ze leveren rijtuigen aan prins Frederik, koningin Anna Paulowna, Sophie van Oranje-Nassau, prins Alexander en koning Willem III. Vanaf 1871 mogen ze daadwerkelijk het koninklijk wapen als hofleverancier voeren, een predicaat dat op initiatief van de stalmeester van de koning, Baron Snouckaert van Schauburg is toegekend; Van den Bergh had er zelf nooit om gevraag. Het kwam dus als een verrassing. Toch vindt Van den Bergh het nog het meest eervolle dat dat prins Alexander zijn handtekening zet om zijn wapen te mogen voeren. “Men zal begrijpen, hoezeer de firma dit stuk in waarde houdt, wanneer men weet, dat de prins in zijn leven slechts drie zulke certificaten heeft uitgereikt”, aldus bij de viering van het eeuwfeest.
Het aantal werknemers groeit van vijftien (1853) naar zeventig (1866) en 54 in 1870. Ter vergelijking: de jongere onderneming Hermans heeft in 1870 het driedubbele aantal personeelsleden en dat is vooral te danken aan de export naar de koloniën. Geen enkele Van den Bergh is echt bezig geweest met de export naar de koloniën en dat is in tegenstelling tot zo’n beetje alle andere Nederlandse rijtuigfabrikanten van naam. Alleen Jakob levert in een latere periode een rijtuig voor Java en er zijn ‘meermalen bestellingen uitgevoerd’ naar Parijs, Berlijn en Sint Petersburg, al zijn die namen zo selectief dat het waarschijnlijk geen grote aantallen zijn geweest.
Opvallend is ook dat Van den Bergh in vergelijking met de andere rijtuigfabrieken in Nederland nooit in conflict is geweest met socialisten of vakbonden die opkwamen voor hun arbeidsrecht. Sterker nog, het is één van de 65 ondernemers die zich in januari 1859 scharen bij de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van de Sterke Drank en meegaan met het idee om het loon van de werknemers niet langer op zaterdagavond uit te betalen. De ervaring had geleerd dat het geld dan niet zelden linea recta richting de kroeg verdween. Een maatregel dus “In het welbegrepen belang van den arbeidsman”, aldus het Dagblad van Zuidholland en ’s-Gravenhage.

Wachthuis voor klepperlieden
Maar laten we ons bij de arbeidsomstandigheden niet al te veel voorstellen, neem alleen al de huisvesting van het bedrijf. In 1858 dient Van den Bergh het verzoek in bij de gemeente om een “zeker gebouwtje, gelegen in een slop nabij het Blijenburg, vroeger gediend hebbende tot wachthuis voor de klepperlieden, en thans bij hem als huurder in gebruik”, te mogen kopen. Daar gaat de gemeente niet in mee, maar Van den Bergh mag het blijven huren. Hij huurt meer gebouwen van de gemeente, in 1865 komt er een loods in de voormalige armeninrichting aan het Blijenburg bij voor de opslag van rijtuigen.
Hoe goed de zaken ook gaan, uiteindelijk vormen alleen vader JJ en zoon Johannes een formele vennootschap, namelijk in 1862. En nadat ook Johannes is overleden, neemt Frans zijn plaats in en gaat in 1880 onder de naam ‘Van den Bergh & Dolman’ een nieuwe vennootschap aan met Jacobus Dolman (1855-1941). Alhoewel de Van den Bergh’s hem een ‘even ijverig als vakkundig vakman’ noemen is de reden om in zee te gaan met de 25-jarige Amsterdammer simpel: Dolman heeft een rijke vader (Dirk) die zich in Voorburg vestigt. Hij brengt genoeg geld mee om een nieuwe fabriek te bouwen.
Het was op de hoek van het Blijenburg en de Casuariestraat te klein voor groei en een beetje rommelig gebeuren met al die gebouwtjes al dan niet in eigendom. Terwijl Frans in zee gaat met Dolman, werkt zijn broer Jakob onder zijn eigen naam door op de oude locatie. De broers gaan elkaar zelfs beconcurreren en op tentoonstellingen exposeren ze als twee firma’s los van elkaar: Jacob van den Bergh en Van den Bergh & Dolman. Het zijn elkaars concurrenten. In 1883 zijn beide present op de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling in Amsterdam. Het Bataviaasch handelsblad maakt daarvan op 29 november de balans op: “Dat onze rijtuig-fabrikanten ook goed vooruitgaan, bewijzen de inzendingen van de firma Hermans en Co., Van den Bergh en Dolman van den Bergh te ‘s-Gravenhage, van Van Eck & Zonen alhier, van Beynes te Haarlem, van Gebr. Spyker te Hilversum. Toch zijn wij er nog niet, als men hunne rijtuigen vergelijkt met de Brusselsche, van Schussmann b.v., maar vooral wanneer men ze plaatst naast de Fransche van Million Guiet & Co. en Henri Binder. Ook bij de rijtuigen komt het min of meer logge van onzen smaak uit. Wat wij leveren is zeer solide, maar de vorm is zelden elegant, bij Hermans in den Haag uitgezonderd. Alle onderdeelen zijn zwaarder dan bij onze Zuidelijke buren, en het geheel wordt dus van zelf zwaar.”

Ondergang van Jacob
Jacob voert aanvankelijk nog het koninklijk wapen. Ronduit hilarisch is het berichtje in de Arnhemsche Courant van 14 augustus 1879: “Hoe gevaarlijk het is zich van eene taal te bedienen, die men niet volkomen magtig is, bleek ons uit een adreskaartje van een rijtuigmaker in den Haag. De heer Jacob van den Bergh geeft daarop de voorstelling van een rijtuig met het bovenschrift: La coureuse la plus legere ‘qui n’a jamais été faite’. Als het wagentje toch nooit gemaakt is, begrijpen wij niet waarom er eene voorstelling van wordt gegeven. Als rijtuig der toekomst had men het nog fantastischer kunnen maken.” In het Nederlands kan Jacob beter uitleggen wat hij bedoelt, want hij adverteert in het Nieuws van en Dag met ‘Nieuw-Nederlandsche sjeezen’ voor wedren of harddraverij, “Het lichtste rijtuig is dat ooit op veeren is gemaakt”.
Bij een leverantie in 1881 aan de Amsterdamsche Rijtuigvereeniging door Jacob komt er blijkbaar een smet op de naam ‘Van den Bergh’, waarin broer Frans en zijn maatje Dolman een aanleiding zien om in meerdere kranten te waarschuwen dat zij niets met Jacob van doen hebben. Zij blazen dan gelijk van de toren, dat ‘hunner fabriek al honderd en zestig jaar bestaat’, wat volslagen nonsens is.
Een jaar later komt er in Jakob’s werkplaats een galarijtuig af op bestelling van de hofhouding van de kroonprins van Surakarta. Deze galaberline is anno 2020 nog steeds in het paleis Surakarta op Java; weliswaar in deplorabele staat en als aanmerkelijk ouder aangeschreven, is het alleen al door de wapenschildering een hoogtepunt van de rijtuigbouw.
Haagsche Courant van 9 juni 1884: “Even vóór middernacht werden gisteravond de bewoners van de Casuariestraat door brandalarm gewekt. Een begin van brand bleek te zijn uitgebroken in een der werkplaatsen van de rijtuigfabriek der firma v.d. Bergh, ingang Casuariestraat. De vlam, welke onder- en bovenverdieping reeds in gloed zette, sloeg evénwel niet naar buiten en werd met prijzenswaardigen spoed gebluscht door de buren uit het tegenoverliggende bureau der administratie van de goederen van wijlen prins Frederik en het personeel uit de nabijgelegen stalhouderij van den heer De Greef, die door aanvoer van emmers water den brand bedwongen, zoodat de laat aangerukte brandspuiten, waaronder die van de grenadiers en jagers en de stoomspuit, niet behoefden te werken. De werkplaats was met houtmaterialen voor rijtuigen en krullen gevuld, die waarschijnlijk reeds na de sluiting der fabriek in smeulenden toestand waren en later ontvlamd zijn.” In januari 1886 neemt Johannes Jacobus Pennock de fabriek en uiteindelijk ook de gebouwen aan de Blijenburgh en Casuariestraat over, en zet die voort onder zijn eigen naam voor het bouwen van met name trams.

Reusachtige rijtuiglantaarn
Ondertussen hebben Frans en Jacobus Dolman in 1883 een nieuwe fabriek geopend aan de Nieuwe Schoolstraat 71-79, waar het licht door de dakplaten neer binnen schijnt en de afdelingen stofvrij van elkaar gescheiden zijn. Aan de Dennenweg 116-120 houden de vennoten kantoor, pal naast andere hofleveranciers als tuigenmaker Bouman en koperslager Mansvelt. En minstens zo belangrijk, zij mogen doorgaan met het voeren van de predicaten als hofleverancier. Hun firma trekt de aandacht van de koning met verlichting. Wanneer in 1887 koning Willem III een rondrit maakt door de stad ter ere van zijn verjaardag, houden de koninklijke gasten ’s avonds op de terugweg naar het paleis even stil bij de woning van den rijtuigfabrikant Van den Bergh aan de Denneweg, waar een ‘reusachtige door gas inwendig verlichte rijtuiglantaarn van doorschijnend linnen met opschriften aller blik trok’, zo schrijft het Algemeen Handelsblad op 21 februari. Dat kan best een hele oude lamp zijn geweest, want in september 1858 ontstaken de Van den Bergh’s al eerder ‘eene kolossale rijtuig-lantaarn’ aan het Bleijenburgh vanwege de achttiende verjaardag van de Prins van Oranje, met een grote W erop afgebeeld.
De echte vooruitgang zat in de elektriciteit. “De firma Van den Bergh en Dolman, rijtuigfabrikanten te ‘s-Hage, hebben een rijtuiglantaren vervaardigd met electrisch licht, welke eergister-avond in de oprijlaan van het Haagsche bosch werd beproefd en die zij voornemens zijn in den handel te brengen. De proef heeft volkomen aan de verwachting beantwoord”, zegt het Dagblad op 11 juni 1887, “Het licht, dat de lantaren afwerpt, is natuurlijk veel sterker en verlicht een veel grooteren afstand vóór de bespanning dan het bougielicht, dat tot dusverre gebruikt werd. Een kleine batterij, in een kastje onder den bok aangebracht, levert den noodigen electrische stroom voor de kleine gloeidraden, die in den lantaren zijn aangebracht.”

Glazen Koets op houten assen
In 1886, toen Koning Willem III het geschommel in de Glazen Koets niet langer kon verdragen, heeft de fabriek het op dat moment nog belangrijkste rijtuig van Nederland voorzien van vier extra steunveren. In het boek ‘De Glazen Koets’ dat in 2017 verscheen na de restauratie van dit rijtuig, is precies beschreven hoe dit is gedaan. Niet goed, zo is de conclusie, want getuige de rekeningen in het Koninklijk Huisarchief is na de ingrepen van Van den Bergh de Glazen Koets grondig onder handen genomen door concurrent Hermans. De verhoudingen klopten niet meer en de wielen waren te klein. In ieder geval heeft de koning alleen in 1886 plezier gehad van de extra steunveren, want daarna is hij te ziek om de rijtoer te maken en koningin Emma verkiest als regentes aanvankelijk een ‘gewoon’ galarijtuig. De Glazen Koets staat stil tot 1891. Dan schrijft de Nieuwe Tilburgsche Courant op 20 september over de Glazen Koets waarin koningin-regentes Emma haar entree had gemaakt: “Door ons werd opgemerkt, dat dit prachtige rijtuig, ’t welk in vele jaren niet gebruikt was, een volkomen restauratie en verandering heeft ondergaan. Vroegere jaren rustte dit rijtuig enkel op vier staande veeren met riemen en assen, die met hout overdekt waren. Daar deze constructie echter aanleiding gaf dat het rijtuig te veel stootte, zijn er ter opheffing van dit ongerief nog vier veeren aangebracht, terwijl de assen ongedekt zijn. Daardoor werd verkregen dat het rijtuig zachter veert en gemakkelijker over den weg rolt. Ook het rijke schilderwerk werd gerestaureerd. De Koninkljjke Rytuigfabrikanten Van den Bergh en Dolman wien dit werk was opgedragen, hebben door de fraaie uitvoering er van het bewijs geleverd van hun groote kennis in het rijtuigvak.” Daarmee is in ieder geval antwoord gegeven op een nog openstaande vraag wie en wanneer de assen van de Glazen Koets heeft vervangen. En de naam Van den Bergh blijft onbezoedeld. De onderneming zal, naast kleinere spelers als rijtuigmaker Galjaard en Schimmel in Apeldoorn, tot op het laatst van zijn bestaan de belangrijkste speler zijn voor het grotere onderhoud aan de rijtuigen van de koninklijke stallen.

Sociaal contrast
Stalmeester Baron Bentinck bestelt na de verbouwing van de Glazen Koets nog ‘verscheidene’ rijtuigen, waaronder de lijkkoets van Willem III, een calèche ‘à huit ressorts’ (dubbel geveerd) voor koningin Wilhelmina, kleine brikken en jachtwagens. Op 5 augustus 1892 volgt nog een koninklijke leverantie, volgens een persbericht dat verschijnt in de Provinciale Drentsche en Asser Courant en andere regionale kranten: “Onder de ongeveer 160 koetsen, welke aan het hof toebehooren, was er niet éen, die geschikt was, om door Koningin Wilhelmina gebruikt te worden voor kleine toertjes in den omtrek van het Loo of van het lustslot te Soestdijk. Om dat gemis te verhelpen, is aan de firma van den Bergh en Dolman te ’s Gravenhage, de levering opgedragen van een eleganten park-phaeton. De bok van het voertuig bestaat uit noten- en mahoniehout, het slikbord en de bok zijn uit notenhout. Van binnen is de phaeton bekleed met zilverkleurig fluweel. In het vloerkleed is een gekroonde W, omgeven door een lauwerkrans, geweven. Het ijzerwerk, dat de leuning en de kap draagt, is verzilverd. Het geheel is verder naar de nieuwste eischen en zoo sierlijk mogelijk ingericht.” De socialistische krant Recht voor Allen neemt het bericht eveneens letterlijk over, maar dan onder de kop ‘sociale kontrasten’ en er pal naast deze tekst: “Te Stiens stond onlangs een soort van kermiswagen, lang ongeveer 2 el, breed 1,25 en hoog 1,25 meter. Deze diende tot woning aan een bejaarden man, een bejaarde vrouw, 2 à 3 meisjes van omstreeks 20 jaar, een opgeschoten knaap en een aantal kinderen, tezamen 13 a 14 menschen. Toen het tijd werd om ter ruste te gaan, werden eenige lappen tusschen de wielen en onder den wagen gespannen, daaronder eenig stroo en andere lappen neergelegd en een viertal leden dezer familie moesten hun nachtrust onder den wagen zoeken, ’s Nachts brak er een hevige donderbui uit, waardoor het ‘bed’ doornat regende!”

Het kan verkeren
In zijn catalogus bood Van den Bergh & Dolman zo ongeveer alle gangbare luxe modellen die in Frankrijk in de mode waren. Niet apart beschreven, maar wel genoemd waren de ‘Amerikaansche sulkey’s en buggie’s’. Wanneer een klant hiervoor belangstelling had kwam waarschijnlijk een catalogus van een Amerikaanse fabriek op tafel om een rijtuig aldaar in onderdelen te bestellen. Als Van den Bergh in 1895 het eeuwfeest viert is het de oudste rijtuigfabriek van ons land. Het was naast Hermans, die notabene het vak leerde bij Van den Bergh, de voornaamste fabrikant van de residentie. Het gaat zo goed dat er plaats is voor zes rijtuigschilders. “Mogen zij, die in Nederland zich de weelde kunnen veroorloven van een equipage te houden, haar een nog veel langer leven waarborgen”, is de hoop in het ter gelegenheid van dit feit uitgegeven boekje ‘Nederland Voorheen en Thans’. Maar het kan verkeren.
De kandidaat in de erfopvolging bij Van den Bergh was wederom een Johannes Jacobus (1856-) die met zijn aandeel in het familiekapitaal participeert in een Wester-Tramomnibus Maatschappij in Oudenrijn, maar al snel zijn geld verliest in tal van zakelijke avonturen van Leiden, Rotterdam, Brussel, Middelburg tot Amsterdam. In 1887 gaat deze Johannes Jacobus een vennootschap aan met wagenmakerzoon Johannes Matthijs Josemans, beiden Leidenaren, voor vestiging Van den Bergh & Josemans aan de Steenstraat 1 te Leiden; het duurt drie jaar alvorens Josemans berooid achterblijft. Aan de laatste Johannes Jacobus is sowieso geen hofleverancier verloren. Hij wordt, 39 jaar oud, in 1895 veroordeeld tot twee jaar hechtenis voor het beledigen koningin-regentes, wanneer zij in mei dat jaar in de hoofdstad komt. Zijn advocaat doet nog een mislukte poging om hem vrij te pleiten wegens ontoerekeningsvatbaarheid. Hij komt later dit jaar zelfs opnieuw voor het gerecht, ditmaal voor flessentrekkerij. Het gaat om een schrijfbureau van 160,- dat hij drie jaar eerder op krediet had gekocht en nooit betaald, net als andere aankopen na een periode van mislukkingen in Middelburg. Maar oplichting acht de rechter niet bewezen.

Dolman doorgestreept
Ondertussen woont Jacobus Dolman op de geweldige buitenplaats Eemwijk in Voorburg; diens dagelijkse bezigheid is het beleggen in onroerend goed en hij neemt aandelen in het gemeentelijk elektriciteitsbedrijf, een verzekeraar en de nieuw op te richten Algemene Nederlandse Credietbank, net als bijvoorbeeld paardenliefhebber Abraham van Hoboken. In 1905 komt een einde aan de samenwerking tussen Van den Bergh en Dolman, die zich als belegger op het goede moment laat uitkopen. Dolman is actief als gemeenteraadslid en later wethouder van Voorburg, en tegelijkertijd bekleedt hij tal van functies in het (lokale) zakenleven; het past in de geest van de tijd om met dubbele pet op te lopen. Helemaal los van elkaar zijn de Dolmans en Van den Bergh’s dan nog niet, want een zus van Jacobus Dolman is getrouwd met een andere zoon van Frans.
Op het briefpapier van de rijtuigfabriek is in 1905 de naam ‘Dolman’ doorgestreept en vervangen door ‘& Zonen’, terwijl in het Algemeen Handelsblad van 17 april is vermeld: “Door het uittreden van een der vennoten worden alle voorradige en 2e-handsrijtuigen tegen verminderde prijzen aangeboden. De zaak wordt op denzelfde voet voortgezet.”
De laatste die de fabriek voortzet is Willem George Johannes (1868-1936), een derde zoon van Frans en de vierde generatie, na het voltooien van de ambachtsschool, de academie voor beeldende kunsten en het opdoen van werkervaring in Brussel, Haarlem en Zuid-Afrika. Hij exposeert een krompanelenslede in oktober 1904 op de Nationale Tentoonstelling voor Wintersport en Tuinbouw, in de dierentuin van Den Haag, en die getuigt van zijn ambacht en schilderkunst. Het levert de laatste zilveren medaille op voor een werkstuk van de firma, naast de onderscheidingen die de laatste Van den Bergh nog in loondienst zou gaan krijgen. Want de gloriedagen van de rijtuigbouw zijn voorbij.
Willem George Johannes doet in 1909 het bedrijf aan de Kazernestraat 54 van de hand en verkiest een veilig baantje als wagenmeester in de koninklijk stallen. De man is diaken en ouderling in de gereformeerde kerk. Hij overlijdt een half jaar na zijn pensionering in 1936. Op zijn begrafenis op Oud Eik en Duinen prijst opperstalmeester Baron Bentinck “den arbeid en den goeden smaak van den overledene, die daarvan meermalen blijk gaf o.m. bij de jongste koninklijke begrafenissen.”

Beelden: Haags Gemeentearchief, Koninklijk Huisarchief. Bron: o.a. mevr. C.A.E. Wernand-Van den Bergh, Dieren

beeld boven: ontwerptekening voor een calèche voor het hof (collectie Nationaal Rijtuigmuseum in Leek).


1795 Johannes van den Bergh (1747-1825),
afkomstig uit Culemborg, richt een rijtuigmakerij
op aan het Blijenburgh in Den Haag.


De oprichter adverteert in de ’s-Gravenhaagsche Courant 7-4-1822.


De tweede en derde generatie Van den Bergh
dienen zich aan. Algemeen Handelsblad 1854.


Wanneer de familie uit elkaar valt, gaat Jacob door in de oude fabriek.
Hij kan beter in het Nederlands, dan in het Frans uitleggen wat hij verkoopt.
Nieuws van den dag 8-8-1881.


Frans zet zich nadrukkelijk af tegen zijn broer,
in het Algemeen Handelsblad 19-6-1881.


Frans is degene die met zijn jongere kompaan Dolman
de familietraditie naar zich toetrekt.


Ontwerp van de calèche die in 1893 is geleverd aan koningin Emma (collectie Nationaal Rijtuigmuseum in Leek).


Nieuwe Schoolstraat, rijtuigfabriek van Van den Bergh (nrs. 71-79),
met op de voorgrond een paardentram en een coupé.


Tentkapbrik in 1894 door Van den Bergh & Dolman geleverd aan het hof.


De firma greep de kans om exclusieve rijtuigen
te verhuren tijdens de sporttentoonstelling in Scheveningen.
(Nieuws van den Dag 14-7-1892)


In 1905 trekt Dolman zich terug en is zijn naam in het briefhoofd doorgestreept.


Aan de Nieuwe Schoolstraat 57 in Den Haag zat de voormalige rijtuigfabriek Van den Bergh & Dolman.

  
Kijkje in de vroegere fabriek, februari 2019.


Kazernestraat 43, met in de deuropening de laatste
rijtuigfabrikant die het bedrijf voortzet: W.G.J. van den Bergh.


Tentoonstelling in de Dierentuin. Op de voorgrond een arrenslee vervaardigd door W.G.J. van den Bergh, Kazernestraat 54. Linksboven een affiche voor voetbalwedstrijd HVV-Sparta, zondag 16 oktober 1904.


Links in beeld staat de laatste in het vak: Willem George Johannes van den Bergh, tot 1936 wagenmeester aan het hof. De aanspanning is van de burgemeester van Voorburg, Baron van Tuijl van Serooskerke, en het rijtuig is mogelijk gemaakt door Van den Bergh. (collectie Nationaal Rijtuigmuseum in Leek)