“Je herkent een Bouman-tuig uit duizenden. Aan de manier van stikken, de zware gareelbeugels”, zegt Peter Kallenberg, zelf tuigenmaker en amateurhistoricus. Hij kan zo tal van details aanwijzen die een tuig van de zadelmakerij Jonas-Bouman, tot de jaren ’70 aan de Denneweg 66 in Den haag zat, kenmerkt. “Eenvoudig en toch netjes. Ik ben nooit iets van Bouman tegengekomen dat op de naaimachine is gestikt. Ze waren niet voor niets hofleverancier. Zestien steken per inch, zo fijn is het stikwerk. Ze zijn ook heel productief geweest.” Kallenberg kan zich de inrichting van de winkel met eikenhouten kasten nog levendig herinneren, ook hoe de zadelmakerij en dat interieur in de loop der tijd zijn verdwenen.

Het verhaal begint met Johannes Henricus Bouman (1800-1875), zoon van een Nijmeegse zadelmaker, die in 1838 trouwt met Johanna Antonia Putters. Hij vestigt zich als zadelmaker aan de Houtweg in Den Haag. In 1844 verhuist het stel naar de Denneweg, waar hij de werkplaats overneemt van Costerman en, net als zijn voorganger, adverteert met rijtuigen te koop. In deze tijd is het nog gewoon dat rijtuigen via een zadelmaker in de verkoop gaan, want dat was de man die de laatste hand aan een rijtuig legt en de klanten heeft. Bouman biedt rijtuigen aan met leuke namen als ‘charretje’, ‘drowsky’ en ‘tompouce’, waarbij we van die laatste geen idee meer hebben, anders dan een gebakje. Een nu onbekend rijtuig dus. Maar tweedehands vigilantes, nieuwe victoria’s en een barouchette verkoopt hij ook. Tegen 1874 laten de Haagse rijtuigfabrikanten zich de kaas niet meer van het brood eten door een zadelmaker, en legt Bouman’s zoon Johannes Hendricus (1845-1916) zich vooral toe op zadels en tuigen als hij de zaak overneemt. Onder hem komen de gloriejaren aan de Denneweg. Zeker twintig ‘koperen en zwarte’ gareel- en borsttuigen zijn er op voorraad. Dat is nodig ook, want niet alleen de stalmeester Bentinck schaft er tuigen aan voor de latere Koningin Wilhelmina, haar moeder Emma en Prins Hendrik, ook tal van adellijke families halen dit fabricaat in huis. Zo komen er bijvoorbeeld op de kastelen Twickel in Delden, en Middachten in De Steeg tuigen van Bouman. Opmerkelijk: Bouman schroomt er niet voor om zijn naam zichtbaar op het tuig -in de zogenaamde kokerpassanten- te drukken. Iets dat een andere hofleverancier niet zou durven, is in dit geval juist een geaccepteerde aanbeveling.
Wanneer in 1898 de Gouden Koets in gereedheid komt voor de inhuldiging van Wilhelmina als koningin is het Bouman die hier een achtspantuig voor maakt. Al zes jaar eerder had Koningin-weduwe Emma toestemming gegeven om het eerste van de drie predicaten ‘koninklijk’ te mogen voeren. Drie wapens die aan de voorgevel van het pand hangen tot ze tijdens de Duitse bezetting door de NSB kapot worden geslagen.

Peter Kallenberg weet nog: “Achter de kleine winkel zat een werkplaats met 24 krukjes, zo veel medewerkers hadden ze. De werkplaats had een glazen dak, het verhaal gaat dat er mensen oogproblemen kregen door urenlang bezig te zijn met het stikken van glanzend lakleer.” Toch is Bouman is goed voor zijn mensen. Bij een zilveren jubileum krijgen ze althans een gouden horloge, is de werkplaats versierd en is er voor het hele personeel met echtgenoten een feestje in ‘Scala’. Die jubilarissen zijn J. Klaar in 1903, H. Huguenin in 1904, W.F. Jonas in 1906, A.J. de Heer in 1908, J.C. van Ham in 1909. Meesterknecht J.W. Driessen is in 1917 zelfs vijftig jaar in dienst – hij liep al langer rond met een gouden horloge.

Tijdperk Jonas
In 1936 sterft Dirk Johannes van Fulpen, firmant der firma J.H. Bouman en tot dan toe beoogd opvolger. Maar hij kon de druk niet aan en verhangt zichzelf in de zadelmakerij. Een jaar later, op 1 mei, is het honderd jaar geleden dat de oude Bouman zijn zadel-, tuig- en koffermakerij vestigde. In de Haagsche Courant, eerder die week: “Zaterdag a.s. breekt een nieuwe periode voor de firma aan. Dan zal de zaak worden overgenomen door de heeren W.F. Jonas en J.C. Jonas en die deze zullen voortzetten onder den firmanaam Jonas-Bouman. De heer W.F. Jonas is 33 jaar aan de firma Bouman verbonden geweest.” Dat laatste was tot de Eerste Wereldoorlog, waarna Willem Frederik Jonas (1868-1947) voor zichzelf begon aan de Frederikstraat 149. Het vakmanschap leerde hij bij Bouman, het ondernemerschap door voor zichzelf te beginnen. Willem werkt dan al samen met zijn zoon Jan Cornelis Jonas (1900-1979) en beiden gaan een nieuw avontuur aan als opvolgers aan de Denneweg 66, waar de zadel-, tuig- en koffermakerij verder gaat als Jonas-Bouman. Ook dan is het verloop in de zadelmakerij niet groot. B.C. van Reken is in 1940 vijftig jaar in dienst. Het merk blijft een begrip: Bouman is een van de weinige tuigenmakers die met naam worden genoemd als particulieren iets te koop in de krant zetten.
Tot het overlijden van Jan Cornelis in 1979. Die heeft één zoon die hem in de zaak helpt, Jan Willem, maar geen brood meer ziet in die oude firma. Jan (75) woont nog steeds op de woonetage boven de oude winkel en verdient de kost met het maken van voedingssupplementen voor paarden. Hij kan gelijk iets ophelderen: “Dat het een kleine winkel is, heeft vooral te maken met het feit dat je belasting betaalde over de breedte en niet over de diepte van het pand.” Hij heeft nog even meegedraaid met zijn vader: “Een van mijn laatste klussen was het vervangen van de draagriemen van de Blauwe Calèche van de koninklijke stallen. Van die hele dikke riemen die je met pekdraad moest doorsteken. Ik had de pleisters op mijn handen. Veel leerwerk van ons was gebolleerd, dan moest je er een ziel in leggen, zoals dat heet. Die ziel was een strookje leer, waardoor de doorgestikte riem wat bol kwam te staan. Allesbepalend was de kwaliteit van het leer, en dat hing samen met die van het looiwater. De beste huiden ter wereld kwamen uit Zwitserland en om daar aan te komen, moesten we het via Engeland, dat een monopolie had, kopen. Duits leer was gelooid met ijzerhoudend water, dat maakte hard en breekbaar. Zwitsers leer in Engeland en met eikenschors gelooid brak nooit.”

Geen steekje te weinig
Op tafel bij Jonas liggen de oude catalogi van Bouman met daarin alle mogelijk modellen tuigen, bitten en tuigbeslag. Het beslag kwam uit Duitsland of Engeland, de ontwerpen van de tuigen waren Frans. “Mijn vader was er één van de oude stempel. Hij sprak nooit veel over zijn vak, was zwijgzaam. Een naaimachine was not done en die fijnheid van het stikwerk had te maken met de leveranties aan het Rijk. Bij een aanbesteding door de overheid werd precies nagemeten of er het juiste aantal stiksels per inch was, een steekje te weinig en je kreeg een boete.” Jan Jonas kan verhalen over hoe een vracht zadels voor Bandoeng, geleverd aan het Ministerie van Oorlog, in de achtersteven van een door de Japanners getorpedeerd schip toch op Java aan wal kwam, en hoe één van die zadels lang na de oorlog weer aan de Haagse Denneweg eindigde. Verhalen ook over de Tweede Wereldoorlog waarin zijn vader op zijn manier de Duitsers kon dwarsbomen als tuigenmaker. Of over het slechte betaalgedrag van de Haagse adel (“ach, dat komt wel een keertje Jonas”) in vergelijking tot die van de Amsterdamse kooplui. In zijn eigen herinnering is het vooral de periode na de oorlog die speelt. “Alleen Loomans in Nijmegen en Jonas-Bouman waren nog over als zadelmakers. Vrijwel iedereen die iets betekende in de paardensport kwam hier als klant. Pahud de Mortanges, Van Heeckeren van Brandsenburg, de markante landheer Van Doorninck en Modderman met zijn altijd te korte broek. Die liepen als vanzelf naar achter in de zaak voor een biertje en dan gingen de gesprekken altijd over de jaren ‘30.”
Een klant uit de jaren ’70, de oud-vierspanrijder Ton Maat uit Ulvenhout, weet nog: “Jonas leerde mij om aan de binnenzijde te kijken naar het vakwerk. Dat moest net zo zijn als aan de buitenzijde, niet schots en scheef. Was er bij toen hij aan de leidsels bezig was. Hij keek me aan en naaide gewoon door. De gespen die Jonas voor mijn hoofdstellen en leidsels gebruikten waren voorzien van stalen doornen en belegd met latoenkoper. Deze kwamen van Duderstadt, vertelde Jonas.”

Op de koninklijke stallen in Den Haag zijn alle Bouman-tuigen -als gebruiksgoederen- inmiddels vervangen. Het oude, fijne handwerk is verruild voor grover machinewerk. Ook dat van de Gouden Koets. Jan Jonas: “Er moet nog één dameszadeltje zijn van Prinses Wilhelmina, helemaal met gouddraad gestikt. De zadelmaker kreeg destijds twee gulden vijftig voor het stikwerk.” In ieder geval zijn nog tuigen van Bouman op de kastelen Twickel en Middachten. Jan Jonas schrijft ook de tuigen op Kasteel Maarsbergen toe aan zijn voorgangers en misschien hangen er nog op Paleis Het Loo. Peter Kallenberg houdt een pleidooi voor het bewaren van wat is overgebleven, om aan toekomstige generaties de kwaliteit ‘van vroeger’ te laten zien: “Het is toch frappant dat de tuigen van de beste tuigenmakers van dit moment na tien, twintig jaar al versleten zijn, terwijl de tuigen van Bouman honderd jaar zijn meegegaan.”

foto boven: stand op de tentoonstelling voor sport, visserij en paarden aan het Gevers Deynootplein, ’s Gravenhage, 1892.

Het Bouman-tuig met het wapen van Aldenburg Bentinck, op kasteel Middachten, komt nog enkele keer uit de tuigenkast voor gebruik.


Algemeen Handelsblad 1854.


Details van Bouman-tuig op Kasteel Twickel.


Na het overlijden van Jan Cornelis Jonas (1900-1979) kwam er een einde aan de zadelmakerij (foto Johan de Hilster).


Jan Willem Jonas in de werkplaats, waar de krukjes tot het overlijden van zijn vader bleven staan (foto Martijn Reeser).


Het interieur met eikenhouten kasten, zoals dat tot de jaren ’80 bleef bestaan (foto Martijn Reeser).


De naam Bouman is afgesleten, maar nog zichtbaar op een kokerpassant van het tuig (Middachten).


Een kenmerk van Bouman is deze sierlijke afwerking van het stiksel.


De catalogus van Bouman was samengesteld uit Franse ontwerpen.