In een schuiflade in de bibliotheek van het Nationaal Rijtuigmuseum in Leek liggen twee schitterende pentekeningen van rijtuigen, gesigneerd door Jacob van Bakel, 1905. Het zijn ontwerpen uit een tijd dat de 21-jarige Van Bakel zijn hoofd al lang had gezet op het automobiel. Zijn vader hield hem voor, dat dit de toekomst was. Maar hij moest toch naar Brussel en Parijs om ouderwets koetswerk te leren tekenen, want dat bleef de basis van de moderne carrosseriebouw. Hij en zijn broer Jan waren de vierde generatie rijtuigfabrikanten aan de Kerkstraat in Amsterdam.

De firma Schutter & Van Bakel bepaalde bijna 125 jaar het aanzien van de Kerkstraat tussen Leidsegracht en Leidsestraat in Amsterdam. Die geschiedenis begint met Willem (Willebrordus, 1798-1850) van Bakel die op 1 juli 1829 als meesterzadel- en rijtuigmaker aan de slag gaat in een stal annex koetshuis aan de Kerkstraat, het huidige nummer 21. Het zijn nog niet gelijk indrukwekkende karossen die Willem levert, maar het is wel verfijnd werk zoals in de lijn van de 18e eeuw een ‘zeer zindelijke en net bewerkte’ Hollandse harddraversjees. Zo’n rijtuigje vergt het nodige vakmanschap in de zin van hout buigen, snijden en vergulden. In een andere advertentie biedt hij een modieuze schulpslede aan met een briljant arrentuig. Hij wil evengoed een paard slijten. Het is allemaal voor de gegoede burger, het betere middensegment dat behoefte heeft aan glazen- en tentwagens en tilbury’s. Nieuwbouw en handel lopen door elkaar. Zo tussen de regels door is op te maken dat Willem van Bakel wel ambitieus is. Hij verkoopt liever een gouden koets dan een ventkar. Zo adverteert hij met een ‘brietska’ (britschka), een ‘ vierwielige cabriolet’ en een ‘zo goed als nieuwe’ sociable, gebouwd door Visser & Co, de fabriek die dan het hoogste Amsterdamse segment bedient. Dat laatste is wat hij voor ogen had door daar te beginnen: in de straat met de koetshuizen van de bewoners op de Prinsen- en de Keizersgracht, de rijksten van de stad, althans dat waren ze. Willem heeft de pech dat juist die categorie een beetje berooid is geraakt in de Franse tijd en nu is het ook niet bepaald zo dat die rijke lieden zelf regelmatig door de Kerkstraat lopen: ze laten hun koetsiers voorrijden op de gracht en zien Willems zaak niet eens, terwijl het stalpersoneel dat er wel passeert zijn eigen belangen in de handel in rijtuigen en tuigage heeft. De Kerkstraat is in de loop der jaren zelfs wat verpauperd en dat helpt al evenmin. Hij heeft één groot voordeel, want de concurrentie in Amsterdam is zwak. Van de grote namen in de Amsterdamse rijtuigbouw van de 18e eeuw als Peter Sturck, Mulder en Klaes Kroon op het Haarlemmerplein, Calleree of Dirk Bontenakel is alleen nog Visser op de Botermarkt in de Franse recessie overeind gebleven. Maar financiële slagkracht om echt de markt te veroveren is er niet: in het kadaster van 1832 is te vinden dat Willem -zoon van een eenvoudige timmerman- geen eigenaar is van het pand in de Kerkstraat, maar Claesje Veldhuijs, zelf wonend aan de Keizersgracht. Hij huurt de bovengelegen woning en het koetshuis dat bij tijd en wijle zo donker is dat Willem een rijtuig buiten op straat moet schilderen en dat is niet al te hoogstaand. Meewerkend zoon Jan van Bakel woont volgens het bevolkingsregister naast zijn ouders op nummer 19.

Minder ambitieus
Aan het begin van de jaren 1850 slaat het noodlot toe. Willem overlijdt plotseling door ‘eener borstkwaal’, waarschijnlijk aan een hartaanval. In december 1851 laat hij, op 53-jarige leeftijd, een vrouw en zijn zoon Jan achter. In de overlijdensadvertentie laat zijn weduwe Willemina Johanna van der Beek weten dat zij en haar zoon de zadel- en rijtuigmakers-affaire continueren. Nog geen half jaar later echter overlijdt, na ditmaal een langdurige ziekte, ook Jan van Bakel. Slechts 26 jaar oud laat hij zijn vrouw Wubbina Susanna en vijf kinderen in ontreddering achter. “Wat ik en zijne moeder, wiens eenigst kind hij was, en die mede nog treurende is over het verlies van haren echtgenoot, hieronder gevoelen, kunnen zij slechts eenigszins beseffen, die den overledene van nabij gekend hebben.” In de overlijdensadvertentie is verder vermeld dat de zadel- en rijtuigmakers-affaire door de beide weduwen en door deskundigen wordt voortgezet. De zakelijke afwikkeling van deze overlijdens neemt bijna een jaar in beslag, maar een van de ‘deskundigen’ is een ervaren werknemer, Hendrik Anthony Schutter (1816-1876). Onder de naam H.A. Schutter, firma W. Van Bakel en Zoon verandert er weinig aan de zaak: het is nog zowel zadel- als rijtuigmakerij en het meest luxe zijn coupés en vigilantes die uit de werkplaats komen. Het tijdperk ‘Schutter’ gaat 22 jaar duren. Maar het is misschien allemaal iets minder ambitieus dan de grondlegger in gedachten had. In voorraad zijn altijd een drie tot zeven nieuwe en tweedehandsrijtuigen, waarvan een veelvuldig aangeboden ‘tompouce geheel met zijde bekleed’ misschien wel de gekste is. Er is niemand die anderhalve eeuw later nog weet wat dat was.
Als Willems weduwe op 14 mei 1853 verhuist, neemt de familie Schutter zijn intrek aan de Kerkstraat 21. De jongere weduwe en haar kroos blijven er daarentegen nog altijd naast wonen, één van die kinderen (Willem Johannes) van Bakel treedt als zadelmaker in de voetsporen van zijn opa en zal in 1870 trouwen met zijn buurmeisje Hendrika Agatha Schutter. Daarmee zijn de namen ‘Schutter & Van Bakel’ verzegeld, ook in het bedrijf. Het is die kleinzoon die, een jaar voor het overlijden van zijn schoonvader, verantwoordelijk is voor de inzending op de Wereldtentoonstelling van 1877 in Amsterdam met een arrentuig. Het Algemeen Handelsblad is er lovend over: “Het narretuig van de heeren Schutter en Van Bakel is in oud-Hollandsche stijl bewerkt: een zogenaamd katjestuig. Eigenaardiger (bedoeld wordt: beter, red.) zou het dus geweest zijn, indien er geen gareel- maar een borsttuig van gemaakt ware. Doch niemand zal den inzenders dat offer aan den hedendaagschen smaak ten kwade duiden, nu de uitkomst inderdaad zoo goed is geweest. Het helder roode lederwerk, met zwart wit geschakeerd, zal zich bepaald aardig afteekenen tegen het blanke sneeuwkleed.”
Een jonge Van Bakel in het bedrijf en een fraaie promotie op een tentoonstelling. Maar bovenal is het de groeiende welvaart van de bovenlaag bevolking die Schutter & Van Bakel met sprongen vooruit brengt. Want terwijl in de krochten van de Jordaan de ratten nog beter gedijden dan het volk, gaf een ander deel van de Amsterdammers de winst van de industriële revolutie uit aan calèches, berlines en ander luxe vervoer. Op een willekeurig moment in 1880 zijn dertien nieuwe rijtuigen en veertien tweedehandsrijtuigen op voorraad. En wat er als levende have in de jaren voorbijkomt zijn een muildier, een langharige bok, een doghond als ‘extra koopje’ voor ƒ 25,- en twee opgezette paarden.

Arrenslee te huur
Aan de Kerkstraat heeft de firma dan de nummers 28, 30 en 8 in gebruik, waarvan de eerste twee in 1882-1883 een grote verbouwing krijgen. De gerenommeerde architecten Van Rossem en Vuyk tekenen voor een indrukwekkende gevel; zij ontwierpen ook andere beeldbepalende panden als Hotel Polen en het Circus Carré in Amsterdam. “Het gedeelte van de Kerkstraat tusschen de Leidschestraat en Leidschegracht is onlangs weer een nieuwen gevel rijker geworden, opgetrokken naar het ontwerp van den architect J.P.T. van Rossem, in den stijl der Hollandschen renaissance, met een behagelijke afwisseling van verschillend getinten baksteen. De breedte is niet minder dan 13 meter, de hoogte 17. Het bovengedeelte is voor woonhuizen ingericht; het benedengedeelte met hardsteenen pui bevat het uitgestrekte rijtuigmagazijn van den Heer W. Joh. van Bakel. Ofschoon dit gedeelte van een vroeger tamelijk vergeten buurt reeds onderscheidene sporen van vernieuwing en vooruitgang vertoont, is het toch verrassend daar een magazijn van dien omvang en met die keur van rijtuigen en rijtuigbenoodigdheden aan te treffen”, aldus het Nieuws van den Dag op 13 april 1883. Nog een paar details: door de glazen staldeuren kan het publiek naar binnenkijken en boven ‘Rijtuig- en Zadelmagazijn’ steekt een bruine paardenkop uit de gevel.
Ergens in de jaren ’80 komt de import op gang van Amerikaanse rijtuigen, sulky’s, fietsen en sledes, die ongetwijfeld tegen scherpe prijzen en als bouwpakket in een krat naar Amsterdam zijn verscheept. Een van de klanten die zo’n Amerikaanse slede, een zogenaamde cutter, aanschaffen is de regentenfamilie Van Loon aan de Keizersgracht. Want zijn het in de zomer de rijtuigen die het goed doen, ’s winters is er reclame voor wel tien verschillende modellen arrensledes van ƒ 100,- tot 350,- en bellentuigen. De combinatie slee en tuig is in de winterperiode ook te huur en dat is handig voor de stadsbewoners met een krap koetshuis. Een innovatie is het borstgareeltuig dat op de tentoonstelling in Leeuwarden 1884 is bekroond. In datzelfde jaar schaft de nieuw op te richten Amsterdamsche Pakket Expeditie-Onderneming vier spantuigen voor de postwagens aan bij ‘de welbekende fabriek’. Met name aan zadelmakers en bekleders is aan de Kerkstraat constant gebrek. Het Nieuws van de Dag komt in november 1886 met een nieuwtje: “In de rijtuigfabriek van de firma Schutter & Van Bakel staat een bijzonder fraai rijtuig op het punt afgeleverd te worden aan den besteller, een Samarangschen Majoor-Chinees. Het rijtuig, in den saamgestelden vorm van landauerberliner, onderscheidt zich door sierlijke en toch eenvoudige lijnen, lichten gang, en zorgvuldige afwerking Het schilderwerk is onberispelijk; de ruiten van geslepen kristal, het binnenwerk van geel zijden damast en de zilveren lantaarns en bokleuning zullen der welvarendsten Chinees niet tot oneer strekken. Eene bijzonderheid is, dat de staanplaats voor de lakeien, aan de achterzijde van het rijtuig, aangebracht is onafhankelijk van de veeren.”

Opmerkelijke levering
Willem Johannes van Bakel (1846-1908) is eventjes, op 23 oktober 1890, een regelrechte held door op de spoorwegovergang bij Halfweg vijf speldende kleuters tussen de rails vandaan te trekken, vlak voor de aanstormende trein uit Rotterdam. Het grootste verdriet in zijn leven en dat van Hendrika Agatha zijn hun eigen kinderen: van de acht levend geborenen, sterven er vier binnen een jaar.
Hij is vanaf 1873 de enige vennoot en blijft de firma leiden tot zijn overlijden. In die laatste jaren krijgt hij met twee grote ontwikkelingen in de markt te maken: voor de hand ligt de komst van het automobiel en als gevolg daarvan dat vrijwel alle grote koetshuizen een opruiming houden. ‘Afschaffing van equipage’, heet dat. Het is dan zaak om slim in te kopen en vooral niet met incourante stukken te blijven zitten. Voor een dog-cart is nog wel een klant te vinden, voor een galarijtuig niet, tenzij voor weinig voor een stalhouderij. De twee zonen Jan en Jacob van Bakel zeggen later in een interview in het Joods Weekblad van 28 juni 1929: “vader begreep dat het getij ging verloopen en verzette de bakens. Het rijtuig had afgedaan. De laatste coupé die onze werkplaats verliet, was in 1911 een rijtuig voor den toenmalige burgemeester van Amsterdam, jonkheer Roëll. De eerste automobiel werd in 1901 in onze inrichting onder handen genomen. Vader zond ons beiden naar Parijs om het vak in al zijn finesses te leren.” Toch krijgen de zoons in Parijs geen les in motortechniek. Jan krijgt vooral te weten hoe het de onderneming financieel gezond kan houden, terwijl zijn broer het juiste gevoel heeft om te tekenen en te ontwerpen. Hij krijgt onderricht op de Academie Louis Dupont en Saoutchic in Parijs, en mag als ontwerper in de leer bij Vanden Plas in Brussel, een beroemde firma die voorop loopt in de omschakeling van rijtuig naar auto. Jacob leert er hoe hij met inkt en pen ontwerpen maakt voor carrosseriebouw in hout, dus nog steeds ambachtelijke koetswerken. De 21-jarige tekent een jachtbreak, een coach in extravagant gestreepte kleuren en een coupé; rijtuigen die hij in eigen fabriek amper nog zal laten bouwen.
In die eigen fabriek is er in 1902 nog één opmerkelijke levering, namelijk van een galaberline aan jonkheer Louis Antoine van Loon, een rariteit in een periode waarin de oude pompeuze statierijtuigen al lang uit de mode zijn. Het laat onmiskenbaar de indruk achter dat deze Van Loon zich zo met het geld van zijn puissant rijke moeder het aanzien van een oudere en daarmee voornamere familie probeert te kopen. De berline is bovendien nogal ouderwets zwaar en wat grof van bouw, wellicht ook om dat archaïsche te onderstrepen. Het is de laatst-gebouwde van zijn soort. Louis bestelt het rijtuig voor de jaren die hij met zijn familie naar Den Haag afreist om er te overwinteren: voor dat doel gaan de rijtuigen op een trein geladen mee vanuit de hoofdstad of de buitenplaats in Doorn. Wat Schutter & Van Bakel precies hebben zelf hebben gefabriceerd aan de galaberline of dat Jacob voor het ontwerp heeft getekend is onbekend: de assen zijn gemerkt door Ingenhoes in De Bilt, al zegt dat niet zo veel. Pieter Dupont, schilder en hoogleraar aan de Rijksacademie in Amsterdam en niet geheel toevallig een relatie van Dupont in Parijs, waar Jacob in de leer was, schilderde het familiewapen op de portieren. De familie Van Loon was al een goede klant, niet verwonderlijk, aangezien hun koetshuis op slechts tweehonderd meter in dezelfde straat is gevestigd. Eerder kocht Hendrik, de vader van Louis, er een grote jachtbreak om sportief met een vierspan over het Museumplein en het Vondelpark te rijden. Maar die ambitie is bij andere en minder paardlievende families voorbij.

Opgezet paard
Er breken nieuwe tijden aan, ditmaal met gemotoriseerd vervoer, al bouwt Schutter & Van Bakel nooit complete auto’s, maar alleen de carrosserie met een motor van elders: Hispano Suiza, Lancia, een omgebouwde Bugatti, Rollce-Royce, Hotchkiss. Het bouwen van een metalen koetswerk vraagt om een moderne werkplaats met elektrische machines, en die laten de heren inrichten in de -met elkaar verbonden- panden Prinsengracht 675 en Kerkstraat 8. Het grove smeedwerk gebeurt op de benedenverdieping en hoe hoger de etage, hoe schoner het werk. Maar dat is niet genoeg. De zaken lopen zo goed dat Schutter & Van Bakel het hele blok Kerkstraat 6 tot en met 16 sloopt voor een nieuwe fabriek voor rijtuigen en automobielen. Architect B. van Bilderbeek maakt er in 1907 het ontwerp voor.
De achterkleinzoons gaan waarmaken waar Willem nog niet van kon dromen: de meest luxe carrosserieën voor de jetset van Amsterdam. Het wordt nog een turbulente tijd met de beurskrach van 1929, waarbij al in de maanden vooraf merkbaar is dat de klandizie terugloopt en direct na de krach worden geregeld automobielen in consignatie verkocht, sommige nog volledig nieuw, omdat de eigenaar het bezit van zo’n exclusieve wagen niet meer op kan brengen. Misschien een teken aan de wand: in datzelfde jaar 1929 viert Schutter & Van Bakel het eeuwfeest en meldt het Algemeen Handelsblad over het opgezette paard dat in het oude magazijn model stond voor de modernste tuigen en vervolgens door de heren Van Bakel werd verhuurd als ‘maandpaard’ aan kledingwinkels om er amazones op te laten zitten: “doch allengs heeft de tand des tijds, in casu die van de mot, het zoodanig aangetast, dat men het opgezette paard heeft moeten laten afmaken. Daarmee was de laatste tastbare herinnering aan de zadel- en rijtuigmakerij verdwenen.” Verder jubelt de krant over hoe geweldig het autobedrijf loopt, toch zijn er in de jaren ’30 te weinig klanten over in het hoogste marktsegment en verschuift de aandacht naar goedkopere automobielen, maar wél met producten die aansluiten bij de expertise van de firma, zoals achterwielschilden en koffersets voor populaire modellen van Ford. In de oorlogsjaren valt er geen droog brood te verdienen en de werknemers weigeren te werken voor de bezetter; Schutter & Van Bakel leidt dan een sluimerend bestaan. Na de oorlog wordt de draad opgepakt met de verkoop van Amerikaanse importauto’s. Het loopt uit op niets. Enkele weken na het overlijden van Jan van Bakel in 1952, en net voor het 125-jarig jubileum valt definitief het doek voor één van de voornaamste carrosseriebouwers in Nederland.

De sporen van dit verhaal zijn gelukkig niet uitgewist. Naast de auto’s met carrosserie van Schutter & Van Bakel zijn de break, de galaberline en de Amerikaanse arrenslede bewaard gebleven in het Nationaal Rijtuigmuseum in Leek. Die drie topstukken zijn bovendien af en toe te zien in het koetshuis van Museum van Loon, notabene aan de Kerkstraat in Amsterdam. En er is in particuliere handen nog exact zo’n Amerikaanse slede met het koperen naamplaatje Schutter & Van Bakel. In particuliere handen zijn tenminste vier rijtuigen met dit merk op de wieldoppen: een vierwielige dogcart, een dos-à-dos, een spider en een landauer.

Bronnen: o.a. de knipsels van Alfred Hogenbrik, een inventarisatie en het boekje ‘De Gala-Berline in Nederland’ door Willem te Slaa, in opdracht van Museum van Loon.

beeld boven: ontwerp van een landauer, getekend en ingekleurd door Jacob van Bakel, 1905. Collectie Nationaal Rijtuigmuseum. 


Advertentie van Willem van Bakel in het Algemeen Handelsblad, 16 maart 1837.


Deel van de Kerkstraat waarin de firma Schutter en van Bakel
zijn werkplaats had omstreeks 1879, afgebeeld op een tegeltableau.


Het overlijden van de grondlegger in het Algemeen Handelsblad 13 december 1851.


Dubbele treurnis in het Algemeen Handelsblad 27 mei 1852.


Algemeen Handelsblad 3 november 1863.


Algemeen Handelsblad 26 juni 1876.


Algemeen Handelsblad 2 juni 1880.


Nieuws van den Dag; Kleine Courant, 25 december 1884.


Het oude magazijn aan de Kerkstraat 28 en 30, waarbij in 1883
de vier grote staldeuren van glas waren en uit het ovaaltje boven
de personeningang een bruin paardenhoofd stak.


Medewerker en open break van de firma Schutter & Van Bakel.
Beeld: stadsarchief Amsterdam.


Ontwerp van een extravagant gekleurde coach, getekend en
ingekleurd door Jacob van Bakel, 1905. Collectie Nationaal Rijtuigmuseum.


Vierwielige dogcart met Schutter & Van Bakel op de wieldoppen.


De grote break waarmee Hendrik van Loon met vierspan door
het Vondelpark en over het Museumplein reed.
Beeld: Restauratiecentrum Stolk Balkbrug


Met deze galaberline probeerde Louis van Loon
aanzien te verwerven in Haagse kringen.


De galaberline van jonkheer Louis Antoine van Loon
in het koetshuis van Museum van Loon aan de Kerkstraat.


Signatuur van Jacob van Bakel, 1905.