Drie decennia lang gaven de Gebroeders Bolt medesturing aan de fokkerij van het Groninger paard. Zij importeerden tientallen hengsten uit Oldenburg en Oost-Friesland. De boeren in de noordelijke provinciën fokten er, in combinatie met hun eigen merries, luxepaarden mee, geschikt voor deftige équipages en koninklijke stallen. Dirk en Hendrik Bolt exporteerden deze luxepaarden op grote schaal naar Frankrijk, Italië, Engeland en India. Als een van de grootste paardenhandelaren maakten zij turbulente tijden mee, met gouden jaren en twee oorlogen.

Jacob Eises Bolt (1834-1892) had een logement buiten de Steentilpoort, aan de oostkant van Groningen, en huwde met Anna Koning. Zij was de dochter van een andere kastelein, Tonnis Jans Koning, met een logement aan de zuidkant van de stad, aan de Verlengde Hereweg. Voor Koning en na hem diens zoon en kleinzoon was de paardenhandel nog belangrijker dan het logement. Zo groeiden de zonen van het echtpaar Bolt, Dirk (1866-1941) en Hendrik ‘Hinnerk’ Bolt (1879-1964), op in het café en met de paardenhandel.
Op zijn zeventiende gaat Dirk mee met Koning om paarden te kopen. Twee jaar later mag hij op weg naar Onstwedde om er in zijn eentje paarden te kopen. Vooraf was zijn komst aangekondigd met aanplakbiljetten en de boeren in de omgeving kunnen drie- en vierjarige paarden komen aanbieden bij het café van Wijchers. Dirk krijgt er op het afgesproken uur 23 paarden te zien, maar slechts enkele dieren voldoen enigszins aan zijn eisen en hij keert zonder paarden terug naar Groningen.[i]

Gedoe met Velema
Wanneer hun vader overlijdt blijft Hendrik, dertien, bij zijn moeder wonen, en gebruikt de oudere Dirk zijn erfdeel om aan de Friesestraatweg 18 een herenbehuizing met stallen en koetshuis te bouwen. Het architectenbureau Nijhuis en Reker maakt het plan voor wat het ‘Buitenhof’ gaat heten. Dirk gaat nu verder als zelfstandig paardenhandelaar, al is het niet altijd met succes. Zo brengt hij in Hamdijk, een buurtschap dat grenst aan het Duitse Oost-Friesland, een moedig, maar vergeefs bod uit van ƒ 1.150,- op twee driejarige merries van landbouwer Albert Harms Velema. “Dit toont duidelijk aan, dat men hier flinke paarden fokt.”[ii]
Als Dirk een half jaar later bij dezelfde Velema aanklopt slaagt de handel in tweede instantie wel: ƒ 1.350,- is de prijs die ze overeenkomen. Maar het gaat opnieuw mis, want Dirk meent dat er iets niet deugt aan de dieren en accepteert ze niet. Het loopt uit op een flink geschil. De paarden worden ondertussen ‘op kosten van ongelijk’ bij hotel De Boer gestald en vervolgens door veilingmeester Koning in Finsterwolde publiekelijk verkocht. De precieze details ontbreken dan nog, maar het Nieuwsblad van het Noorden, schrijft dat het geschil mogelijk nog in de minne wordt geschikt. Dat blijkt ijdele hoop te zijn, want Velema en Bolt treffen elkaar in maart 1898 voor de rechter. Een van de paarden is dan al overleden en Dirk Bolt stelt dat het dier al voor de verkoop een inwendig gebrek had.[iii] Dat blijkt te kloppen. Twee Rijksveeartsen constateren dat een paard een vernauwing van de luchtwegen (cornage) had en het andere paard een periodieke oogontsteking.
Afgezien van het conflict met Velema weet Dirk Bolt met succes de beste paarden op te kopen bij de kapitaalkrachtige akkerbouwers, veelal voor flinke prijzen, zoals in Uithuizen op de boerderij Mentekema, waar hij een span driejarige merries gegund krijgt voor ƒ 1.300,-. De fokkerij en opfok zijn winstgevend voor de boeren.
Voor het vervoeren van de paarden die hij koopt en verkoopt huurt Dirk altijd jongens in die ze, terwijl ze er op één zitten, over de weg drijven. Voor lange afstanden worden de dieren naar de trein gedreven. Dat gaat niet altijd goed, zoals de dagloner Popko Dijkema, op een novemberochtend met twee paarden van Dirk Bolt op weg naar het station in Groningen en die zo schrikken van de aangekomen sneltrein, dat ze op hol slaan. Dijkema slaagt erin om te blijven zitten tot hij in de Verlengde Lodewijkstraat tegen een muur wordt geslingerd en er een flinke hoofdwond aan overhoudt.[iv]
In 1897 krijgt Dirk Bolt zijn eerste hengst goedgekeurd, Joachim, die hij in gezamenlijk eigendom heeft met plaatsgenoot Ridder. Bij die ene goedgekeurde hengst blijft het niet. Door de jaren komen er All Right, Erlkönig, Ehrenknabe, Frido, Landjonker, Cecilie W, Adriaan, Trohnheir, Landman, Ebino, Wario, Nero, Andreas, Edelbert, Matador, David, Taneret, Elfried, Delfried, Bernhard, Olympus, Lord, Richard, Gronau en andere. De dekhengsten zijn voor de verhuur naar dekstations in Groningen, Friesland en Drenthe, waarmee Bolt een eigen netwerk opbouwt van fokkers die hem op termijn jonge paarden kunnen leveren.

Schaarste houdt aan
In de provincie Groningen mogen dan in totaal wel honderd hengsten zijn gestationeerd en de fokkerij op de kleigrond mag er floreren, de vraag is groter dan het aanbod. “De handel in luxepaarden heeft in ’t Oldambt in den laatsten tijd niet veel te beteekenen”, zo schrijft het Nederlands Landbouwweekblad in mei 1899. “De landbouwers hebben geene paarden meer te verkoopen. De heeren D. Bolt te Groningen en B. Buizing te Zuidbroek ontvingen dezer dagen 10 stuks van 3 à 4 jaar voor 400 tot ƒ 700 per stuk. Genoemde handelaren kochten in den afgelopen winter 68 stuks in ’t oosten van Groningen.” Die schaarste houdt aan, waardoor de remontecommissie in 1904 de provincie niet eens wil aandoen voor de bezichtiging van paarden voor het Nederlandse leger. Toch weten Bolt en zijn vroegere baas Koning dat jaar nog negen paarden aan diezelfde commissie te verkopen. De twee zijn vaste leveranciers voor het leger. Ook verkopen Bolt, Koning en collega Schuiling in één keer 21 paarden aan de hofleverancier van prins Aribert in Berlijn, voor een gemiddelde prijs van achthonderd gulden. Wie de aankoopprijzen even terugleest, ziet dat er op dergelijke bedragen een mooie winstmarge zit.
De Groninger paarden vinden hun weg ook naar koninklijke stallen, zoals door tussenkomst van de handelaar Hugo Hertz uit Coesfeld, die in 1908 vijftig paarden in Groningen koopt en daarvan tien zwarte en bruine doorverkoopt aan de Turkse sultan. De Engelsman Long doet ook een rondje door Nederland en haalt dertien paarden op bij Bolt, Koning en in de Betuwe bij Heuff Cellendonk. De luitenant-paardenarts Van der Wal uit Heemstede legt naar aanleiding hiervan uit in het tijdschrift Nederlandsche Sport[v] waarom: de beste paarden voor équipages in binnen- en buitenland zijn gekruiste Oldenburgers, mits goed getoiletteerd. “Koopen Nederlandsche luxepaardenhandelaren altijd niet nog maar den Gekruist-Oldenburger hengst? Waarom? Omdat zij, menschen die getrokken en gezworven hebben ook in Engeland, nergens dat type paard vinden, geschikt voor alles. Waar is het tuigpaard van maat der Engelschen? Ze bezitten dit niet meer.”
Handelaren in luxepaarden, zoals Dirk Bolt, zoeken naar koetspaarden met knieactie, statuur of ‘front’, zoals de kenner dat noemt, en niet te zwaar gebouwd. In de winter 1907-1908 zoekt Dirk bijvoorbeeld in Friesland naar de nazaten van zwartbruine hengst Wirbelwind. Hij weet wat de markt wil.

Gouden jaren
Het begin van de twintigste eeuw is een beste tijd voor de Nederlandse paardenfokkerij, met een export van gemiddeld zestienduizend paarden per jaar. Dirk Bolt en zijn collega’s reizen niet op de bonnefooi rond om bij de boeren hier en daar een paard te kopen. Zij proberen het zo efficiënt mogelijk te doen, door het houden van vooraf in de krant en met affiches aangekondigde ‘monsteringen’: een moment bij het lokale café waar de fokkers naartoe komen om hun paarden te tonen. De beste tijd om te kopen is de winter, wanneer de boeren tijd hebben, het voeren geld gaat kosten en omdat paarden op 1 januari verjaren; een driejarig paard is ‘volwassen’ en kan aan het werk, een tweejarige niet en levert minder op. Voor Bolt breken gouden tijden aan als ook het Duitse leger naarstig op zoek is naar paarden en dat is minder kieskeurig: “Vleesch geen vereischte” en ook Belgische trekpaarden zijn bij hen welkom. Zo reist Dirk Bolt in juli 1910 mee tijdens de monsteringen voor Carl Strausz, die in opdracht van het Duitse leger tweehonderd paarden wil kopen en waarbij Bolt de luxere paarden eruit wil halen. Verreweg de grootste Groningse exporteur naar Duitsland op dat moment is de firma Lazarus & Levie, die een lager marktsegment en vooral gekruiste trekpaarden opkoopt, terwijl Bolt het hogere segment opzoekt.

Concourspaarden
In 1912 haalt Dirk acht paarden uit de Betuwe en verhandelt er 24 naar Madrid. Dat laatste is wellicht een keerpunt voor Bolt, want de export verloopt nu zonder tussenhandel. Het zal ermee te maken hebben dat zijn jongere broer Hendrik officieel in de maatschap is gestapt. Ze gaan verder als de Gebroeders Bolt. Hendrik en zijn gezin betrekken het nabijgelegen pand op nummer 14, dat in 1903 al door zijn oudere broer constructief was verfraaid en vergroot. Hij verzorgt de contracten en onderhoudt de buitenlandse relaties. Dankzij hem krijgen de broers een kans om koetspaarden te leveren aan de Engelse koninklijke stallen, iets dat ze tot in de jaren zestig blijven doen. Een belangrijk contact is de Parijse paardenhandelaar Roy, die de sleutel vormt tot de deelnemers aan de internationale concoursen hippique, de wereld van het grote kapitaal aan luxe tuigpaarden. Door de opkomst van het automobiel, waarvan Dirk er zelf een in 1914 aanschaft, neemt de handel in koetspaarden af, maar is er een groeiende interesse in tuigpaarden voor de show. De Bolts brengen ook tuigpaarden uit op het concours; het is een plek waar handel plaatsvindt.
Het belangrijkste concours van Nederland is dat op Houtrust in Den Haag, waar De Nederlandsche Sport in 1912 over schrijft: “De keuringen van tuigpaarden aan de hand zijn voor de ware liefhebbers en kenners de aangenaamste uren van het concours. De strijd tusschen Groningen en Gelderland is dan het hevigst. Maandenlang worden paarden door Heuff en Bolt als het ware opgeborgen voor het concours Houtrust. Groningen staat altijd bovenaan, wat betreft soliditeit, Gelderland wint het meestal in luxe. De afstammelingen van Xerxes II, Pias, Dan Leno en Reclame vertegenwoordigden de Groningsche fokkerij.”[vi]

Oorlogshandel
Een paar maanden voor het begin van de Eerste Wereldoorlog exporteren ze nog twaalf paarden naar Italië. Met het uitbreken van de oorlog komt de export stil te liggen: de regering stelt een verbod in op de uitvoer van ‘strategische goederen’ en dat zijn onder andere paarden. De gebroeders Bolt raken erbij betrokken als Lazarus Lazarus uit Winschoten hiermee in de problemen komt.[vii] Lazarus probeerde om 24 paarden in twee nachten over Hamdijk naar Duitsland te smokkelen. Met strobalen werd er een pad door de Moersloot, die de grens met Duitsland vormt, aangelegd en de paarden zouden er doorheen gejaagd worden, zodat de knechten van Lazarus’ zwager Pieter Viëtor ze aan de andere kant konden opvangen. De eerste nacht weet Lazarus twaalf paarden over de grens te smokkelen, maar de tweede nacht loopt het gezelschap tegen de lamp. Als Lazarus voor het gerecht komt, vertelt Dirk Bolt als getuige dat hij de 24 paarden aan Lazarus had verkocht, nadat hij had geweigerd om ze aan Viëtor te verkopen – de twee waren bij hem geweest. Hendrik beaamt dat. Ook dat Dirk werd betaald met Duitse marken. “Gebroeders Bolt hebben zich weten te dekken”, vat De Arbeider, het socialistisch weekblad voor de provincie Groningen, het fijntjes samen. Lazarus moet het bekopen met zes maanden gevangenisstraf. Als hij vrijkomt is het mogelijk om ontheffing te krijgen om alsnog paarden naar Duitsland te sturen: op 30 september 1915 stuurt Lazarus negen treinladingen met negenhonderd paarden via Nieuwschans naar de oosterburen. Als er in 1916 een ‘consent van uitvoer’ is voor drieduizend paarden lijkt er een wedren te ontstaan tussen de handelaren die ijverig de noordelijke provincies afgaan, maar Lazarus valt af. De drieduizend blijken een exportorder te zijn voor vier grote handelsfirma’s: Gebroeders Bolt, Heuff Cellendonk, Segeren in Rotterdam en Van der Kuíjlen in Den Haag. De gebroeders Bolt zochten in de eerste plaats voor het Nederlandse leger (in 1915 honderd stuks), maar gaan dan ook op zoek naar paarden van vier tot twaalf jaar, waar iets aan mag mankeren. In mei 1916 zetten zij honderd paarden op de trein oostwaarts en een maand later nogmaals 110, waarmee er door de gezamenlijke handelaren tweeduizend paarden zijn geleverd. Dat klinkt als veel, maar is een schijntje in vergelijking met de export voor de oorlog, bovendien schieten de prijzen omhoog en zijn de fokkers niet gretig om hun dieren te verkopen. Als Dirk in 1918 negentien paarden uit de Haarlemmermeer haalt, betaalt hij zeven- tot twaalfhonderd gulden per stuk.
Nadat de vrede is getekend gaan de opkoopsessies in het noorden  onverminderd door, voor zowel Duitsland als Frankrijk. Met wisselend resultaat. Het gaat nog om een handvol paarden. Een keertje laat Bolt het in Friesland afweten… vanwege autopech. Dirk laat zich rijden door een knecht, die zowel met een auto als een paard overweg kan, om gedurende een week waarin hij een commissionair – vaak met de Duitser Hugo Hertz – soms wel 75 monsterlocaties aan te doen. De inkoopprijzen voor bruikbare paarden zakken terug naar gemiddeld zeshonderd gulden. De beste handel vindt plaats aan huis en op het concours, toch spelen ook paardenmarkten een rol van betekenis. In Utrecht bijvoorbeeld, waar de Gebroeders Bolt in december 1920 een prominente plek innemen met twaalf tuigpaarden, waarvan ze er tien verkopen voor prijzen tussen de negen- en elfhonderd gulden.[viii] Met voldoende marge dus.

Te zware paarden
Wat in Groningen de Bolts steeds meer gaat steken is dat er steeds zwaardere paarden gefokt worden, waarbij een grote fokker en akkerbouwer Mellema het voortouw neemt. Paarden zonder waarde en zonder afzet in het buitenland, aldus de Gebroeders bolt. “Als wij in Nederland geen beter paard fokken dan in ’t buitenland, dan is ons afzetgebied verloren, want wat het buitenland bij ons zoekt is dat, wat ze daar niet kunnen vinden. De auto’s hebben de paardenfokkerij de laatste jaren een geweldigen knak toegebracht, maar toch komt er weer meer vraag naar carrossiers (ongecoupeerd). Om die paarden te vinden zijn wij gedwongen om de andere provinciën te bezoeken”, schrijven de gebroeders in de jaren twintig.[ix] Dat die vraag naar luxepaarden er nog steeds is, bewijst de verkoop in 1924 van een vierspan zwarte tuigpaarden aan de Engelse handelsstal W.J. Smith & Zoon. Horace Smith neemt ermee deel aan de coaching marathon van de International Horse Show in Londen en eindigt op de derde plaats. Negentien deelnemers deden ermee aan de marathon over een afstand van negen mijl, ongeveer zestien kilometer. De vier donkerbruine paarden stammen af van Magnus, Zwingli, Olympus en een onbekende hengst. Op de Richmond Horse Show haalt Smith er de tweede plaats mee.
In het najaar van 1927 vindt er een levering plaats van vijftien paarden aan de Engelse koninklijke stallen, waaronder tien schimmels. Een paar maanden later, in december, volgt de verkoop van een vierspan ‘zwarte witvoeten’ aan de Nederlandse koninklijke stallen, waaronder de zevenjarige concoursmerrie Didicia (door Bolt aangekocht van Velstra). “Voor onze warmbloedfokkers is het weer een aanwijzing, dat het landbouwtuigpaard aan de koninklijke stallen nog belangstelling trekt”, schrijft het Nieuwsblad van het Noorden optimistisch. Sterker nog: de meeste, zogenaamde ‘Cleveland Bays’ in de Engelse koninklijke stallen in de jaren dertig zijn van Nederlandse herkomst.[x] Een decennium lang gaan er paarden van Bolt naar Engeland, verscheept via Hoek van Holland door expediteur Louis van Vugt & Co. Naar Brits-Indië vertrekken opeenvolgend vier roodschimmelruinen, zes zwarte paarden en negen zwartbonte.[xi][xii]

Caspers en Huinder
Voor Dirk, die altijd de paardenman van de firma is geweest, loopt het werk in de jaren dertig af; hij kampt met zijn gezondheid en laat de handel en de concoursen geleidelijk over aan Hendrik. Die ervaart dat de hackney het concoursterrein heeft veroverd en de ‘ouderwetse’ tuigpaarden er in een open klasse geen kans meer maken, zoals in Leeuwarden in 1930: “Met uitzondering van Modulus en Willem, het span van den heer Bolt te Groningen, waren de mededingende paarden alle Hackneys 1e klas. Voor de hand lag het dan ook, dat het span vossen van den heer Bolt, hoe voortreffelijk overigens ook door den heer Jansen te Groningen voorgereden, absoluut geen winstkans had.”[xiii]
Desalniettemin blijft het aantal hackneys klein en is er nog volop enthousiasme voor het (landbouw)tuigpaard op de Nederlandse concoursen en die interesse zal tot ver in de 21ste eeuw blijven voortbestaan. Hendrik Bolt gaat voor de concoursen verder met trainer Johan Caspers en dat levert een fraai gevulde prijzenkast op, al gaat het niet altijd goed. Tijdens de ereronde op het concours in Meppel 1932 breekt de disselboom van de showwagen en slaat het span op hol, dwars door het houten hekwerk, het publiek in. Het loopt redelijk af, alleen ligt de showwagen aan barrels en is Caspers ervan af geslingerd en blijft met een kniewond op het veld liggen. Niet veel later rijdt hij dezelfde hengsten Xerxes III en de Olympus weer binnen in de tandemrubriek.[xiv] Dat doorzettingsvermogen en vooral de kwaliteit van de paarden werpen hun vruchten af, want drie maanden later verhuizen Xerxes, Olympus, Landjonker en een anonieme appelschimmelruin via Hoek van Holland naar Egypte.[xv] Caspers mag andere paarden gaan trainen. Naast Caspers en een paar stalhulpen heeft Bolt een vaste monsterknecht in dienst: Jan Huinder (1888-1965). Hij kwam er als achttienjarige in dienst om als eerste knecht de hengsten te toiletteren en voor te brengen op de keuring, net als de handelspaarden die hij op de Friesestraatweg of de markt liet draven. Huinder woont een stukje verderop in de straat, in een rijtje arbeidershuisjes op nummer 115, en ook zijn zoon Hilbrand gaat bij Bolt aan het werk in de stallen. Helemaal ononderbroken is het dienstverband niet: tijdens de Eerste Wereldoorlog staat Huinder op straat en beveelt zich beleefd aan bij landbouwers om paarden te scheren, couperen en te monsteren. Huinder zal uiteindelijk, minus die vier oorlogsjaren, tot een jaar voor zijn dood, 54 jaar bij Bolt in dienst blijven.
Als er buitenlandse handelaren naar Groningen komen en Huinder de ‘koopwaar’ met zo veel mogelijk spektakel over de straatweg laat gaan is het vaste ritueel voor de heren Bolt om met de klanten naar café Westend te wandelen, schuin tegenover aan de Kraneweg, om de zaak te beklinken. Jan Huinder mag de dieren vervolgens naar het station brengen, vanwaar ze per trein naar hun bestemming worden vervoerd.
In januari 1937 trakteert Hendrik Bolt op koffie met Groninger koek als hij een adellijk gezelschap op bezoek krijgt. Majoor Abel Smith en lady Abel Smith, nicht van koningin Wilhelmina, en hun gevolg zijn er om in opdracht van de hertog van Kent een bont paukenpaard voor de aankomende kroningsstoet aan te schaffen. Die heeft Hendrik wel. Met een voorlopig koopcontract en een foto om aan de te kronen koning George VI te laten zien keren zij terug naar Den Haag. De koop gaat echter niet door, want het paard wordt te klein bevonden. Eerder was het wel gelukt en in 1938 lukt het zelfs voor de derde keer om een bont paukenpaard aan de koninklijke lijfgarde te verkopen. Opnieuw een nazaat van de hengst Koekoek.
Hendrik ziet ook een nieuwe markt opkomen, de ruitersport door plattelandsjongeren, en gaat adverteren met paarden mak in boerengebruik en voor landelijke ruiters.

Op de Grote Markt
Met het overlijden van, zoals zijn omgeving hem is gaan noemen, Oom Dirk in 1941 verdwijnt een koopman die in zijn leven duizenden paarden wist te verhandelen. “De heer Bolt had destijds de grootste paardenzaak in ons land, een zaak van Europeesche beteekenis. Door zijn bijzonder juist inzicht op de paardenfokkerij, vooral wat de Oldenburgsch-Oostfriesche richting betreft, zijn tal van fokhengsten uit Duitschland door hem ingevoerd, hengsten, die groote diensten aan onze inlandsche fokkerij hebben bewezen”, zo schrijft het weekblad Paardensport en Fokkerij[xvi] over de grote mate waarin Dirk Bolt richting gaf aan de ontwikkeling van de fokkerij en daarmee het ontstaan van het ‘Groninger type’ paard, om niet te spreken over een Groninger paardenras. De schilder Otto Eerelman beeldde hem af op het beroemde schilderij De Paardenkeuring op de Grote Markt, dat in het stadhuis van Groningen komt te hangen. Dirk staat helemaal rechts op het doek bij een groep heren die toekijkt.

Einde van een tijdperk
Terwijl Dirk de Tweede Wereldoorlog niet meer meemaakt, ziet Hendrik zich voor dezelfde uitdaging gesteld als in de Eerste. Met name in de eerste bezettingsdagen probeert hij zoveel mogelijk paarden op te kopen en aan de Duitse weermacht te leveren. Zowel hij als de Groningse strohandelaar Smit die hem daarbij helpt, komen hierdoor voor het gerecht: het Nationaal Archief bouwt vier dossiers op over Hendrik op. In de zaak tegen Smit, zegt deze “Die paarden van Bolt? Dat was gratis. Ik kreeg dan vijftig gulden per paard, voor de bemiddeling. Veertig paarden waren het in totaal. Maar”, zo voegt hij eraan toe, “Bolt kon ook niet anders, want die Duitser die daarmee inzat was ook een meubel!”, “Zeer juist”, beaamt de voorzitter, “We waren in die tijd zogezegd óverbemeubeld”.[xvii] Voor de precieze rol van Hendrik in de Tweede Wereldoorlog is nog een keer een bezoek aan het Nationaal Archief nodig.
Na de oorlog zet Hendrik Bolt in ieder geval het verhuren van hengsten voort met de oudere hengsten Gronau en Favorit en hij handelt wat in veevoer. Maar de gloriejaren zijn voorbij: zijn vrouw Geertje Dirks was drie jaar na Dirk, in 1944 overleden. Ze hadden een levenloos kindje gekregen en twee dochters, Alida en Annie, inmiddels beiden gehuwd, de een met een kantoorbediende, de ander met een arts.
Op nummer 14 woont ook Hendrik alleen, maar hij stapt nog tot op hoge leeftijd in de auto om tuigpaardrubrieken te jureren, hij is bestuurslid van de Harddraverij- en Renvereniging Groningen en lid van het Draverij-comité. Hij maakt tot op het laatst een vitale, jeugdige indruk en de paardenwereld ziet hem als een echte heer.[xviii] Na zijn dood vindt de begrafenis in stilte plaats. Dirk was kinderloos gebleven, zijn tweede vrouw Johanna Ruëck blijft alleen op het Buitenhof wonen tot ze drie maanden na Hendrik overlijdt.
Wat overbleef van het paardenimperium van de Gebroeders Bolt is het Buitenhof, nu midden in de stad in tegenstelling tot toen Dirk het liet bouwen en er slechts hier en daar een boerderij aan de Friesestraatweg stond. Het rijksmonument ziet er klassiek uit: de deur in het midden, een dakkapel erboven en ramen aan weerszijden van de deur. Aan weerszijden op het dak bevinden zich twee kleine, van zink vervaardigde dakkapellen met rond venster, die echter geen functie hebben. Het voorhuis is in de loop der jaren uiterlijk ongewijzigd gebleven.

Foto boven: negen zwartbonte paarden, waarvan zes afstammelingen van de hengst Koekoek, in 1933, klaar voor inscheping in Hoek van Holland voor een zeereis van zes weken naar Brits-Indië. (Paard en Paardenwereld, 12-1-1933)

De vader van de gebroeders had een café. (Groninger Courant 22-1-1850)


Opkoopsessies aangekondigd in de Opregte Steenwijkercourant van 1 januari 1910.


Het soort hengsten dat de Gebroeders Bolt naar Nederland haalt. (Das Oldenburger elegante, schwere Kutschpferd, J. Schüssler, 1910)


De luxe koetspaarden waar de fokkerij en handel zich op richten. (Das Ostfriesche Pferd, H. Gross, 1908)


Dirk Bolt aan de leidsels met Modulus op het concours hippique in Peize, 1930. (Paarden en Paardenwereld, 17-12-1931)


De driejarige, zwartbonte hengst Cicero, een nakomeling van Koekoek, bestemd voor Brits-Indië. Hendrik Bolt betreurt de export enigszins, want hij had hem net zo lief in Nederland ingezet als dekhengst. (Paard en Paardenwereld, 26-1-1933)


Het vierspan bruinen waarmee Horace Smith in de Engelse showring verschijnt.


Dirk heeft vanaf 1914 een auto op zijn naam staan, vijf jaar later koopt hij deze Oldsmobile Eight. Wie de jongen op de foto is, is onbekend. (foto groningerkentekens.nl)


Gronau, no. 172 DPS, kampioen in Assen. “Wanneer wij de afbeeldingen van de Oldenburger- en Oostfriesche hengsten zien in De Boerderij, dan kunnen wij deze paarden, uitgezonderd dan Gronau van Gebr. Bolt te Groningen, niet mooi vinden. Maar Gronau is op de photo ook niet vlekkeloos, veel te gewelfde niervlakten.” (Paardensport en Fokkerij 26-1-1939) In de ogen van de Bolts was Gronau te kort en te zwaar van bouw, geen luxepaard waar het om begonnen was.  


Dirk Bolt staat uiterst rechts op het schilderij van de Grote Markt, gemaakt door Otto Eerelman. Hij valt bijna van de foto af en kijkt naar links. Gelijk naast hem staat koffiehandelaar Tiktak en de schimmel is Tabor II.

Buitenhof, het huis van Hendrik Bolt aan de Friesestraatweg in Groningen (foto CWKramer, Wikimedia)

 [i] Winschoter Courant, 18-12-1887; [ii] Winschoter Courant, 19-1-1896; [iii] Nieuwe Groninger Courant, 28-3-1898; [iv] Nieuwsblad van het Noorden, 14-11-1896; [v] Nederlandsche sport; officieel orgaan der Nederlandsche Harddraverij- en Renvereeniging, e.v. 29-02-1908; [vi] Nederlandsche sport; officieel orgaan der Nederlandsche Harddraverij- en Renvereeniging, e.v. 20-7-1912; [vii] Winschoter Courant, 1-11-1914; [viii] De Vee- en Vleeshandel, 17-12-1920; [ix] Paard en Paardenwereld, 3-11-1927; [x] Evening News, 23-5-1931; [xi] Paard en Paardenwereld, 28-7-1932; [xii] Paard en Paardenwereld, 12-1-1933; [xiii] De Standaard, 16-8-1930; [xiv] Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 1-9-1932; [xv] Nieuwsblad van het Noorden, 21-2-1932; [xvi] Paardensport en Fokkerij, 16-1-1941; [xvii] Groninger Dagblad, 15-1-1948; [xviii] Nieuwsblad van het Noorden, 21-10-1964