In september 2019 gingen in Kerk-Avezaath de stallen van één van de grootste handelaren in ‘luxe paarden’ uit het begin van de 20ste eeuw tegen de vlakte, om plaats te maken voor de nieuwbouwwijk Teisterbant. De stallen lagen er al desolaat bij. Maar ze waren wel de enige reden dat koningen en keizers Avezaath bezochten. Om het verschil met de rest van zijn omvangrijke familie te maken, voegde Albartus Adrianus Heuff (1862-1932) de naam van zijn hofstede Cellendonk toe aan zijn achternaam. Met de naam Heuff Cellendonk bouwde hij faam op.

In tijdschrift ‘Het Leven’ van 3 oktober 1911 adverteert Albartus Heuff Cellendonk met ‘steeds voorhanden 80 luxe-paarden, spannen, rijpaarden, hackney’s en cobs.’ Het gevoel voor de handel in paarden heeft hij van zijn vader, Gijsbert, die bijvoorbeeld in 1886 een gouden medaille kreeg voor twee bruine paarden op de landbouwtentoonstelling in Zwolle en dat span ter plaatse verkocht voor ƒ 1.850,-, een bedrag waarvoor je in die tijd nog een boerderij kocht. Deze Gijsbert was bestuurslid van het Gelderse paardenstamboek, bracht tuigpaarden uit en hield dekhengsten van het ‘Geldersch ras’, zoals in de jaren 1890 de bekroonde Nelson. Maar het is Albartus die de grenzen letterlijk verlegt. Het Nieuws van den Dag bericht op 26 januari 1900: “De handel in paarden voor Engeland is thans in de Tielerwaard zeer druk en levendig. De bekende paardenkenner Heuff van Cellendonk te Kerk Avezaath, kocht er o.a. vier te Zoelen tot een gezamenlijk bedrag van ƒ 2.260,-. Door genoemden heer werden dezer dagen 2 span paarden afgeleverd (afstammelingen van den beroemden hengst Julius) tegen ƒ 2.200,- per span.” Albartus doet zijn inkopen vooral in het noorden van Duitsland en in Engeland. In januari 1905 bericht de Arnhemsche Courant over de aankoop van 35 paarden in Oost-Friesland, waarvan er gelijk al veertien zijn doorverkocht aan de paardenhandelaar Blackman in Londen voor prijzen wisselend van ƒ 1100,- en 1200,- per stuk. Een nog beter idee van de omvang geeft het verslag van de Kamer van Koophandel van de landbouwsector in de Betuwe, in 1904: de handel in varkens en rundvee is in dat jaar slecht, maar: “Die in paarden vergoedde veel. Van welk een groote betekenis deze handel voor onze streek is, blijkt hieruit, dat de heer Heuff van Kellendonk te Avezaath verkocht 350 luxe-paarden voor eigen rekening tegen gemiddeld ƒ 1.000,- per stuk en als commissionair voor Engelsche en Duitsche rekening nog ongeveer 800 paarden kocht voor ƒ 750,- per stuk.” Het is dus dagelijks een komen en gaan van paarden. Omdat Albartus veel op reis gaat en dan veelal grote bedragen op zak heeft, vraagt hij in 1912 toestemming op een wapen te dragen ter verdediging, al is niet bekend of hij die toestemming heeft gekregen.

Op Zorgvliet
De handelsstal brengt in die jaren tuigpaarden uit op de concoursen in Brabant en Gelderland, met als jaarlijkse uitschieter het concours op Zorgvliet in Den Haag. De resultaten zijn meestal in de middenmoot of met een eervolle vermelding, maar dat zal vooral te wijten zijn aan de omloopsnelheid van de paarden op stal; potentiële kampioenen zijn nu eenmaal snel verkocht. Uitzonderingen daargelaten. Heuff Cellendonk is niet de enige grote paardenhandelaar die het concoursveld gebruikt om zijn handel te promoten, en dat leidt in die tijd tot een verdere scheiding in rubrieken voor particulieren en handelaren. De grote concurrenten in de handel van rijtuigpaarden zijn Van der Kuijlen uit Den Haag, Marinus van Segeren in Rotterdam, de gebroeders Van der Haar uit Zeist, de gebroeders Riemer in Arnhem en op een kleinere schaal Baron van Brakell van Stal Doorwerth.
Al staan de paarden die op Zorgvliet in de ring komen niet altijd bovenaan in de uitslagen, dat ze wel kwaliteit hebben, toont het Algemeen handelsblad dat bijvoorbeeld in 1910 specifiek de firma Heuff Cellendonk noemt om de vele paarden die op dit concours voor hoge prijzen zijn verkocht. Ieder jaar komt er dan letterlijk een scheepslading paarden uit Engeland, 70 stuks in één keer. De luxe koetspaarden gaan naar Engeland, hackney’s en cobs komen er voor in de plaats terug.
Maar Albartus krijgt pas echt de wind mee nadat op de eerste vrijdag van augustus 1909 de opperstalmeester van Koningin Wilhelmina, Baron Bentinck, en de Rijksveearts aankloppen in Kerk-Avezaath. Zij kopen er voor de koningin een span zwarte paarden dat de dinsdag daarop volgend op Paleis Het Loo voor drieduizend gulden mag worden afgeleverd. Het Nieuws van den Dag voegt er aan toe: “Naar wij vernemen zijn dit de eerste Hollandsche paarden, welke voor hare majesteit zijn gekocht.” De band met ons koningshuis is daarmee bekrachtigd.

Koninklijke logés
In september 1911 ruimen de Heuffs zelf hun hele huis, inmiddels omgedoopt tot Villa Juliana, uit om plaats te maken voor een logeerpartij van Koningin Wilhelmina, Prins Hendrik en het kleine prinsesje Juliana die naar Tiel afreizen om er grote legermanoeuvres te gaan bekijken. Een tapissière vol huisraad komt mee vanuit Apeldoorn, inclusief lampen ‘daar Kerk-Avezaath geen gaslicht heeft’. In het gevolg van het vorstelijke bezoek komen twee auto’s en vier rijpaarden mee. De Nieuwe Zeeuwsche Courant beschrijft op 31 augustus tot in detail hoe het huis hiervoor is ingericht van de zes kamers boven tot de tuin waarin “de groote, mulle zandhoop, die bijna noodzakelijk tot de stoffeering van iedere kinderspeelplaats behoort” niet zal ontbreken. En dat voor welgeteld één nachtje slapen, waarbij de koningin nog nadrukkelijk vooraf had aangegeven dat er alleen een nationale vlag in de tuin mocht wapperen, omdat ze haar aanwezigheid als “eenvoudig en ongedwongen wenscht te worden opgevat, opdat geen overdreven feestvertoon de landelijke charme van het plaatsje verstore” (Zeeuwsche Courant, 31-8-1911). Maar dat was tegen dove-mansoren van de burgemeester. De gemeente besproeit de stoffige wegen in de omgeving nog ‘ns extra, Betuwse meisjes strooien bloemen voor de villa, er is een balkonscene, de harmonie treedt op en één van de dochters van het gezin Heuff mag een bloemetje aan de Koningin geven. Prins Hendrik neemt de gelegenheid te baat om de stallen van Heuff Cellendonk te bekijken en ‘sprak zijn bewondering uit over de vele prachtige hengsten’ (Nws vd Dag 23-9-1911). Vanaf dat moment mag Heuff Cellendonk zich hofleverancier noemen.

Paarden voor de strijd
Een half jaar later komen de opperstalmeester en de veearts van de Engelse Koning George VI naar Avezaath om twee donkerbruine ruinen van vier jaar oud te kopen. “Met veel chic, veel hals en buitengewone gangen, twee zoons van Balder”, aldus Het Nieuws van den dag (6-4-1912), dat zich er over verwondert dat de Nederlandse paardenhandelaar in Engeland paarden gaat kopen en de koning van Engeland zijn stalmeester naar Nederland stuurt om de stal te vullen. En de gewone handel gaat in de jaren die volgen vlotjes door: in twee dagen 26 naar Engeland, in één koop 16 nog eens naar Engeland, 9 naar Berlijn…, het gros haalt het nieuws niet eens. Albartus staat dan in het lijstje van vierhonderd door de belasting hoogst aangeslagen inwoners van Gelderland.
De Eerste Wereldoorlog pakt niet al te slecht uit: in juni 1916 leveren Heuff Cellendonk en Van Segeren gezamenlijk 158 ruinen aan Duitsland. Alhoewel die paarden de hoofdprijs niet opbrengen doet Heuff gelijk een oproep in de Arnhemsche Courant voor meer paarden. Hij wil op 4 juli in 22 dorpen de paarden opkopen: “’t Komt er niet op aan wat voor soorten of qualiteiten het zijn, voor Duitschland is het allicht geschikt. Ruinen, merriën, ponny’s, oude en jonge paarden, zwart of bruin, groot of klein, alles is bruikbaar.” Wanneer het overschot aan paarden in het midden van Nederland is afgeroomd, volgt in augustus een toer door Zuid-Holland. Het opkopen gaat dan nog minder kritisch: “Vierjarige paarden met vijfjarige tanden worden ook gekocht.” Met andere woorden, menigeen die van een jong paard af wilde pakte de vijl om de tanden van het dier af te raspen, zodat het een jaartje ouder leek en dus geschikt voor het zware kanonnenwerk. Op 30 augustus, dus op één dag, doen Albartus Heuff en zijn commissionair De Korver Poelstra maar liefst 44 dorpen en cafés aan om paarden in de leeftijd vijf tot twaalf jaar op te kopen. Hoe de heren die dag in een recordtempo van soms tien minuten per locatie inclusief reistijd zijn rondgekomen is een volslagen raadsel. Maar er zijn meer opkopers die zo door het land trekken. In mei 1917 is Groningen aan de beurt. Blijkbaar kijken de Duitsers niet zo nauw op leeftijd, want de paarden mogen nu gerust zestien jaar zijn, maar “op vleesch wordt toegegeven”, aldus de aankondiging in het Nieuwsblad van het Noorden. Een vet paard leverde dus meer op. Nu doen Albartus en de commissionair Poelstra 52 locaties op één dag. De firma houdt zich dat jaar, waarin gas en elektra op rantsoen zijn, niet alleen bezig met de onderkant van de markt, want de koninklijke stallen kopen nog twee ‘zwarte witvoeten’ in Avezaath. Aan het einde van de oorlog wil Heuff nog een klapper maken en vraagt in het Nieuwsblad van het Noorden (23-5-1918) eventjes te koop: “Eén duizendtal 2-j ruins”, ongeacht het ras. Commissionair Poelstra mag het uitzoeken. Of dit aantal ooit is gehaald en naar Duitsland is verkocht blijft onbekend. Na het sluiten van de vrede gaat de handel verder en komen er opnieuw paarden uit Engeland, terwijl de firma nu voor het eerst meer nadrukkelijk werkpaarden en ‘maandpaarden’ aanbiedt, koetspaarden die je eigenlijk leased.

Pauselijke stallen
Bij de heren – want naast Albartus is zijn oudste zoon Gijsbert in de zaak gestapt – Heuff Cellendonk is het interbellum een komen en gaan van klanten uit heel Europa, van Sint Petersburg tot Barcelona. Zij komen naar Avezaath om paarden te beoordelen, uit te proberen en eventueel een koop te sluiten. Een span appelgrauwe schimmels is in 1920 bestemd voor de Engelse koning, elf luxe paarden gaan in 1922 naar de koning van Egypte en in 1924 verhuizen er negen vier- tot zesjarige paarden naar de pauselijke stallen in Rome. In een laatste advertentie maakt Heuff Cellendonk bekend dat er nog eens dertig paarden uit de Betuwe naar Engeland waren gezonden en dat er vanuit Frankrijk interesse is. In 1926 bezoekt de Japanse keizer incognito Heuff Cellendonk. En Albartus Heuff is nog niet van de oorlogshandel af: wanneer in maart 1923 het Duitse en Zwitserse leger weer op sterkte willen komen, maakt de handelaar voor hen opnieuw een opkoopreis, ditmaal Noord-Holland. Dat levert 184 drie- tot vijfjarige paarden op voor de export, die de verkopers een aardige ƒ 350,- tot ƒ 450,- opleverden. Het is echter opnieuw niet al te winstgevend vanwege de torenhoge heffingen op de export van paarden, dat is iets dat in toenemende mate parten speelt bij een firma als Heuff Cellendonk die ten dele afhankelijk is van import en export.
Dan wordt op 11 oktober 1923 de modelboerderij Cellendonk door brand getroffen, vermoedelijk ontstaan door hooibroei. Schuren, stallen, hooibergen, werktuigen, een auto, een varken met biggen en enige kippen gaan in vlammen op. Bij een poging om een dogcart uit het brandende koetshuis te redden loopt ‘een van de eigenaren’ – vermoedelijk zoon Gijsbert – brandwonden op aan zijn hoofd. Het woonhuis blijft gespaard. De plaatselijke brandweer wordt bij het blussen bijgestaan door de motorspuit uit Beusichem. De verzekering dekt de schade. Maar hiermee is het noodlot nog niet ten einde. In januari 1928 gaat Gijsbert failliet als koopman en landbouwer handelende onder de naam ‘Fa. Heuff Cellendonk’. Gijsbert gaat nog eventjes door onder de vlag van een nieuwe NV, maar de afnemende belangstelling voor luxe paarden en de teruglopende economie betekenen het einde van Heuff Cellendonk. De familie wordt gedwongen om Cellendonk, bestaande uit een herenhuis, boerderij met drie schuren, tuin en boomgaard van twee hectare, op een openbare veiling te verkopen. In 1949 koopt de gemeente Zoelen het huis voor ƒ 12.500,- om er de secretarie in te vestigen.

De herinneringen leven voort bij de nazaten van Albartus Adrianus, zoals zijn bourgondische manier van leven en ietwat eigenzinnige instelling, die eens werd aangeduid als ‘voldoende mate van gekte om het leven aangenaam te maken’. Een van de dienstbodes van Cellendonk zei later: “Geld zát op Cellendonk, half Avezaath at er van. En ze waren niet groots.” En een kreet echoot nog na in de oren van de achterkleinkinderen: “Staat ter dekking op Heuff Cellendonk, de hengst Robèrt”, wiens naam op zijn Frans diende te worden uitgesproken.

Bron: o.a. ‘Van linie en stamme Heuff’, Genealogie van het geslacht Heuff, door G. Heuff en L.M. van der Hoeven, 2008, Uitgeverij Verloren. 

Foto boven: zwarte merrie Ceres, winnares van het concours hippique te Den Haag, 1911. In de internationale klasse van paarden boven de 1,60 meter won het de tweede en in de nationale klasse de eerste prijs. Albartus, die hier vermoedelijk de merrie vasthoudt, kreeg de cup uitgereikt door Jhr. Louis van Loon.


Stamboekmerrie Martina voor de gig, bij van Heuff Cellendonk in 1911.


Vooraanzicht van de moderne stallen in Avezaath, 1911.


Zijaanzicht van de stallen van Heuff Cellendonk in Avezaath, 1911.


Span van Heuff Cellendonk dat de wisselbeker van H.J. Baron van Doorn won, voor in Nederland geboren paarden. Concours hippique Wageningen, 1913.


Nieuws van den Dag: kleine courant, 21 maart 1905.


Briefhoofd van de handelsstal (brief uit het Regionaal Archief Rivierenland.

In het Koninklijk Huisarchief is de kwitantie bewaard van het span dat opperstalmeester Bentinck in augustus 1909 aankoopt. De 1% is het zogenaamde halstergeld dat de koper als fooi betaalt voor het afleveren, hiervan is een aparte kwitantie gemaakt. (inventarisnummer E11c-IIIb-80, nr 26)


De stallen voor ze worden afgebroken in september 2019. (foto Jan Bouwhuis)


Detail van de stal vlak voor de afbraak. (foto Jan Bouwhuis)