Op een intrigerende foto in het Gelders Archief is een zogenaamde ‘coach’ te zien, met ‘Zijpendaal, rond 1900’ als enige omschrijving in het archief. Dat laatste klopt ongeveer met de damesmode op het rijtuig. Zijpendaal is een buitenplaats even buiten Arnhem, die deel uitmaakt van een landgoederenzone op de grens van de Veluwe en de uiterwaarden van de Rijn. Het bijzondere aan de foto is dat het om een exclusief sportrijtuig gaat. Het aantal Nederlanders dat voor de Eerste Wereldoorlog een coach bezat was op één hand te tellen: koning Willem III, jonkheer Louis van Loon, Godard graaf van Aldenburg Bentinck en een enkeling meer. Opvallend zijn ook de omstandigheden, in de winter op een modderige zandweg en met de palfreniers rennend naast het rijtuig. Normaalgesproken was een coach een rijtuig voor zomerse uitstapjes, en met proviand en champagne aan boord kon je er heerlijk mee picknicken. Maar op een barre winterdag? En van wie was deze coach?

Wanneer we de foto uitvergroten valt wel iets op, namelijk een welving in de kast van de wagen, anders dan de doorlopende ronding in die van de meeste andere coaches. Ook afwijkend zijn de ellipsveren; coaches zijn normaalgesproken uitgevoerd met zogenaamde (driekwart)raamveren. Er is één Nederlandse coach die zo’n vorm en ellipsvering heeft en die staat sinds 1958 in het Nationaal Rijtuigmuseum in Leek. Dat rijtuig heeft een stevige geschiedenis meegemaakt, zo veel is duidelijk aan de zichtbare verbouwingen. Er zitten twee verschillende Engelse assen onder, hij heeft een latere voetrem gekregen en hij is beschilderd door de voorlaatste bezitter, Dirk ter Mate, als reclameobject voor diens restaurant in Den Haag, In ’t Gemeste Schaap. Voordat Ter Mate hem in 1951 bezit kreeg heeft de coach dienst gedaan bij de Amsterdamsche Rijtuigmaatschappij. De vroegere conservator van het rijtuigmuseum, Herman Vos, schrijft erover: “Naar overlevering werd de coach door de ARM gebruikt op de route naar Parijs.” Meer dan een verhaal is het niet. Ten tijde van de in 1881 opgerichte ARM liep er al zeker een halve eeuw geen diligence of postkoets meer naar Parijs; bovendien is de betreffende coach in bouwstijl en techniek te dateren op tien, twintig jaar voor het einde van de negentiende eeuw.
We gaan even een stapje terug naar de foto en vergelijken de coach verder met die van de ARM. Voor zover te herkennen in het onscherpe beeld draait de deur dezelfde kant op, heeft de schulp eenzelfde welving, zijn er dezelfde handgrepen, heeft de zogenaamde imperiale (kist op het dak) dezelfde afmetingen, zijn er gelijkvormige pagodes op de lampen en kloppen de algehele verhoudingen. Verschillen zijn er ook, zoals de kleur en een handrem die de ARM-coach niet heeft. Tot zover hebben we wat puzzelstukjes bij elkaar gesprokkeld.

Van de buurman
‘Zijpendaal’ kan een spoor zijn, maar in archieven is niets te vinden van een eventuele coach die in bezit zou zijn geweest bij de bewoners van Zijpendaal, de familie Brantsen. Een beter aanknopingspunt geeft het tijdschrift Nederlandsche Sport van 14 juli 1888: “Dit terrein is eigendom van den burgemeester van Oosterbeek, de heer V. van Emden en was welwillend voor de jacht afgestaan. Op dit plateau bevonden zich tal van heeren en dames, zoowel te voet als te paard, prachtige équipages, kortom het geheel was schilderachtig. Onder deze merkte men op de Hr. Baron Constant de Rebecque en zijn dochter, de Hr. en Mvr. Crommelin, allen te paard, en de Hr. Baron van Heeckeren van Sonsbeeck, die met een prachtig vierspan voor een Mail-Coach gespannen, waarop tal van elegante dames waren gezeten, op het plateau was opgesteld. Verder nog tal van sierlijke dogcars enz.” Met andere woorden, de buurman van Zijpendaal, baron van Heeckeren van de buitenplaats Sonsbeek, had wel een coach. Hij liet hem zien tijdens wat ze voor de gelegenheid een ‘Snipperjacht’ noemden, uitgezet door de Militaire Sportvereeniging en de Arnhemsche Vereeniging tot beoefening van het Terreinrijden. Maar het was in juli en dat strookt niet met de bewuste winterfoto. Toch was juist de jacht te paard een typische winteraangelegenheid.
Ook in latere jaren komt de coach ter sprake, tot in november 1900, wanneer Sonsbeek al tot hotel is omgebouwd en de jacht langs Zijpendaal gaat. “Een Engelsche mail-coach met vier paarden bespannen en de roode rokken der leden van de Jachtvereeniging stoffeerden zeer typisch het woelige tafereel van de meet”, zegt de Arnhemsche Courant dan. Het beeld van de mail-coach op een winterdag in de modder bij Zijpendaal klopt volledig met de foto, net als de datering. En met Willem van Heeckeren als enige bezitter van een mail-coach in die buurt is de eigenaar gevonden.

Turbulent leven
Willem Frederik Maurits Alexander Hendrik Carel baron van Heeckeren van Enghuizen (1858-1915) heeft een bewogen familiegeschiedenis. Zijn beide grootvaders zijn Van Heeckeren; een daarvan haalt een vorstelijk kapitaal binnen door het huwelijk met een Amsterdamse bankiersdochter. Die grootvader laat het vorstelijke landhuis Sonsbeek bouwen en verwerft grote delen van de zuidelijke Veluwe en de uiterwaarden langs de Rijn. Op de Veluwe zijn het vooral ‘woeste gronden’ met heide en eikenhakhout, voornamelijk geschikt voor de jacht. Willem woont bij zijn huwelijk in 1877 met Charlotte Alexandrine baronesse van Heeckeren van Molecaten reeds op Sonsbeek, waar zij een jaar later een dochter krijgen. Het zal Willems enig kind blijven. Met een grootvader die tot jagermeester van koning Willem III was benoemd en op grondgebied waar al in vroegere eeuwen koningen en stadhouders te paard achter het hert aan joegen, is het niet verwonderlijk dat zijn interesse bij de jacht- en paardensport ligt. Willem stelt in 1882 de Oldenburger dek- en premiehengst Hercules op Sonsbeek ter dekking. Een donkerbruine. Volgens kenners in die tijd een paard met veel bloed, maar met weinig voeten en voorbenen, die achter ruim gaat en in ’t geheel een ‘zwemmende’ gang heeft.
Het gebruikelijke sociale leven van paardrijden en jagen komt een jaar later abrupt tot een einde. “Voor het Gerechtshof te Arnhem kwam gepasseerde week een allerschandelijkste zaak voor, zoo onkiesch, dat zij in het openbaar niet kon worden behandeld, noch in de couranten gepubliceerd. Op de bank der beschuldigden was ditmaal gezeten, den Hoogwelgeb. Heer Baron Van Heeckeren van Sonsbeek.” (Graafschap-bode 21-04-1883). Het blijkt om onzedelijke handelingen te gaan en vier dagen later volgt de uitspraak: conform de eis zes maanden eenzame opsluiting. Maar “Naar men zegt, is de vogel echter gevlogen”, aldus de krant. De baron vertoeft in het buitenland en gaat in hoger beroep (afgewezen), vervolgens in cassatie (afgewezen) en richt tot slot in december een gratieverzoek tot de koning. Onbekend is of hij gratie heeft gekregen dan wel daadwerkelijk zijn straf heeft uitgezeten, maar Charlotte laat zich van hem scheiden.
In 1886 huwt Willem opnieuw, nu in Sint-Petersburg met Mathilda Olga Carolina Nouvel. Beiden zijn geboren in het Franse Tours en beide families onderhouden vanouds contacten in Sint-Petersburg. Het is in deze periode dat de mail-coach opduikt en Willem van Heeckeren zich volledig richt op de jacht te paard.

Gelria Hunt
In 1890 organiseert de Gelria Hunt, zoals Willem zijn gezelschap dan noemt, tweemaal per week een vossenjacht op de Engelse manier, met ruiters gekleed in rode rok en dames zijdelings gezeten in het dameszadel. Uit Engeland is hiervoor een meute van twintig fox-hounds aangekocht en de te bejagen vossen zijn geïmporteerd uit Frankrijk. Een groep hoornblazers mag het jachtgebeuren muzikaal omlijsten. Op 6 november vindt de eerste start (meet) plaats aan de Deelenseweg, waarbij iedereen welkom is om deel te nemen. Het daarop volgende jaar heeft Willem van Heeckeren dertig beagles aangeschaft. Die zijn bedoeld voor de zogenaamde parforce-jachten, waarbij C.A.Q. Gerken als master de leiding heeft. “Het parcours, de hindernissen en het tempo zullen dan zoodanig worden geregeld, dat aan de paarden der deelnemers geen buitengewone eischen worden gesteld, aangezien het vorige jaar gebleken is, dat de gangen, voor eene uitgebreide deelneming, dikwijls te sterk waren. De hindernissen zullen beneden de reglementaire hoogte blijven, om de opkomst van h.h. officieren zoo groot mogelijk te maken. Uit een en ander blijkt dus het streven om een ieder in de gelegenheid te stellen, op deze Donderdagsche jachten achter de honden te kunnen volgen. De deelneming is dan ook voor iedereen opengesteld; zij, die als lid tot de vereeniging wenschen toe te treden, zullen door het nemen van een aandeel in staat zijn, om bij te dragen tot de bestrijding van de kosten van onderhoud der meute.” (Nederlandsche Sport 24-10-1891)
Het aantal deelnemers varieert van zeven tot ruim in de dertig, mede omdat het ministerie van Oorlog de kosten van officieren die deel willen nemen voor zijn rekening neemt. “De jacht werd ook ditmaal geleid door W. baron v. Heeckeren v. Enghuizen, en na een vlotten rit, van ongeveer anderhalf uur, kwam de vos in het gezicht, waarop, na een goeden run, spoedig het Hallali volgde. Het was zeker een aangename surprise voor de druipnatte jagers, eensklaps de steeds zoo welvoorziene poney-cart van mevrouw van der Wyck op de heide te zien opdagen, en nadat dan ook de medegebrachte voorraad flink was aangesproken en een goede teug sherry den noodlottigen invloed van het hemelwater op physiek en moreel eenigszins had geneutraliseerd, werd welgemoed de terugtocht aanvaard en scheidde men met een: ‘tot Donderdag te Terlet en dan, in Godsnaam, wat beter weer’.” (Nederlandsche Sport 19-12-1891).
Tot de vaste jachtruiters behoren onder andere baron Constant Rebeque en zijn beide dochters van de buitenplaats Belmonte bij Wageningen. Andere dames volgen de jachten per rijtuig, sommige met eigen rijtuig, andere met de mail-coach: “Ten slotte werd door een deel der genoodigden de terugweg, evenals bij het gaan, met de mailcoach van baron van Heeckeren afgelegd.” (Nederlandsche Sport 9-1-1892).

Kaalslag op Deelerwoud
Maar het spelletje kost Willem van Heeckeren wel fors geld. Ook voor het in stand houden van Sonsbeek met park, waterval, stallen, koetshuis en een flinke personele staf is geld nodig, meer dan er binnenkomt door de verkoop van gras-op-stam of een paar peppels in de uiterwaarden. Vermogen aan grond is er, geld niet. Met de bodem van de schatkist in zicht doet Willem zaken met houthandelaar Hendrik Kooy junior, oprichter en directeur van de NV Russische Houthandel. “Thans heeft eene verbazende slooping plaats van het onder Beekbergen gelegen Deelerwoud, van baron van Heeckeren van Enghuizen. De hoeveelheid hout, met welks vervoer men bezig is, voor het grootste deel naar het buitenland, wekt verbazing. Men zegt, dat ze eene waarde vertegenwoordigt van ongeveer ƒ 400.000,-.” (Westlandsche Courant 25-9-1895).
Het is echter nog te weinig. En met de gedachte dat Sonsbeek binnenkort niet meer te betalen is, koopt Willem in februari 1897 het landgoed Vrijland in Schaarsbergen, waar hij op de plaats van een afgebrande villa een jachthuis laat neer zetten. Het is al snel meer dan een jachthuis, want hij gaat er wonen, alleen, want opnieuw volgt er een scheiding. Mathilda vond het heerlijk om met Willem te leven in een paleis als Sonsbeek, maar ze trekt het niet langer dat haar man alles opzijzet voor de jacht, het geld opraakt en kinderen uitblijven.
Eind 1897 neemt Kooy de meeste bezittingen van Willem over, waaronder Sonsbeek, het Deelerwoud en zelfs het pas verworven Vrijland. Maar Kooy koopt het onder opschortende voorwaarden, waardoor het mogelijk is dat Willem later onder andere Vrijland, het Deelerwoud en een gedeelte van de Waterbergsche gronden terugkoopt. Willem van Heeckeren geeft nu opdracht om 34 kilometer ijzergaas rond het Deelerwoud zetten om er een 1.500 hectare groot hertenpark van te maken. De vijftigduizend gulden die dit kost komt uit de verkoop van 73 hectare grond in de Kleefse Waard, opnieuw aan Hendrik Kooy, die er een steenfabriek gaat beginnen.
Het hertenpark is bedoeld om de jacht op de Franse manier, de chasse à courre, te gaan beleven. Dat gebeurt in een klein, besloten gezelschap dat zich Equipage Deelerwoud noemt. Vanaf 1897 volgt Willem van Heeckeren hiermee vanaf Vrijland de reeën in het Deelerwoud. Hij en zijn equipage dragen blauwe jassen, afgezet met goudgalon. Tot in 1907, wanneer prins Hendrik de honden van de Equipage Deelerwoud op een internationale hondententoonstelling bewondert, gaat Willem van Heeckeren door met het beoefenen van zijn kostbare sport. Maar van de mail-coach is dan geen sprake meer, mogelijk omdat er geen ruimte was of omdat er geen paarden meer ter beschikking stonden om vierspan te rijden, mogelijk omdat de jacht qua snelheid en omvang een andere wending had genomen, zodat de Equipage Deelerwoud niet meer te volgen was met een volgeladen mail-coach. Op 15 augustus 1903 adverteert de Arnhemse rijtuigfabrikant en ‑handelaar Cees bij ’t Vuur met een ‘mail-coach’ in Nederlandsche Sport. Het kan hem zijn.

Draairem
Zeker is dat Amsterdamsche Rijtuigmaatschappij (ARM) de kenmerkende mail-coach al tenminste vanaf 1906 bezit. In dat jaar vindt in de hoofdstad een bloemencorso plaats ter gelegenheid van de Rembrandtfeesten en verschijnt het eerste bericht met herkenbare foto waarin de coach voorkomt. “Een mail-coach met vier vurige rossinanten bespannen en met bloemen en groen overdekt, kwam vooraan.” (Maasbode 19-7-1906).
Twee jaar later, in 1908, doet de ARM met de coach mee aan de Arnhemse optocht met het 25-jarig jubileum van de Algemene Nederlandsche Wielrijdersbond (ANWB). Daarvan is een fotokaart gemaakt waarop goed is te zien dat de coach volledig donker van kleur is en een draairem aan de rechterzijde van de bok heeft, net als de coach van Willem van Heeckeren tijdens de jacht. Bovendien is op het zijpaneel van de deur, zij het vaag, een heraldisch wapen te zien; met andere woorden, het gaat mogelijk om een rijtuig uit een adellijke stal. De optelsom van toevalligheden, het tijdpad, het kan bijna geen toeval meer zijn.
In de periode tussen de eeuwwisseling en de Eerste Wereldoorlog stapten veel particulieren over van rijtuig op automobiel en ontstond er een levendige handel in voorheen exclusieve rijtuigen die voor schappelijke prijzen aan een tweede leven in een stalhouderij begonnen. Landauers, berlines, calèches, maar ook die incidentele coach had nog grote gebruikswaarde in de verhuur. Zowel de ARM alsook Nienhuis in Groningen en Schoonhoven-Buitendyk in Utrecht reden voor studentenfeestjes met een tweedehands coach die zich in nieuwwaarde nooit had terugverdiend. Ook dat klopt in het plaatje.

Stilgezet in tijd
Bij de ARM krijgt Willem van Heeckerens mail-coach een bewogen tweede leven. Zo doet het rijtuig in 1914 mee aan de allereerste in Nederland georganiseerde marathon. De International Horse Show in Londen bracht de organisatie van het jaarlijkse Concours Hippique in Den Haag op het briljante idee om ook met coaches een tijdrit te laten verrijden. De zeven deelnemers rijden op woensdag 24 juni 1914 met hun coaches een rit van 15 kilometer, waarbij ze binnen één uur terug moeten zijn op Houtrust. De ARM komt hierbij keurig voor de dag met een derde klassering van zeven deelnemers. “De wakkere directeur bracht het vierspan in 48 minuten weer op Houtrust en de paarden gaven in het geheel geen tekenen van vermoeidheid.” (Nieuwe Rotterdamsche Courant 25-6-1914). Het onderstel van het rijtuig is nu geel overgeschilderd en er is een voetrem aangebracht. De ARM brengt de coach in 1915 uit in de rubriek ‘vierspannen’, opnieuw op het concours hippique op Houtrust in Den Haag, en zal hem nog veelvuldig inzetten, ook in optochten en bij feesten.
Vanaf de jaren vijftig neemt de eerder genoemde Dirk ter Mate de coach over en beschildert hem eigenhandig met taferelen uit de Drie Musketiers en reclameteksten voor zijn restaurant. Hij gebruikt hem ook voor eigen plezier en optochten. Na de oprichting van het Nationaal Rijtuigmuseum gebruikt de Groninger Jan Hemmes hem, in 1959, om een zesspan op de drafbaan te demonstreren ter gelegenheid van het Gronings Ontzet. Vervolgens staat de mail-coach zes decennia afwisselend in een expositie of het museumdepot.
Met zekerheid weten we nu wat een museumdirecteur zestig jaar geleden nog niet wist, namelijk de naam van de eerste bezitter en het gebruik in die beginperiode. Dergelijke kennis komt door betere ontsluiting van archieven en doordat zo veel aan de oude mail-coach authentiek is gebleven. Hij is niet in nog eens zestig jaar gebruik verder van het originele rijtuig af komen te staan, maar ‘stilgezet’ in de tijd en dat geeft ons nu de kans om te onderzoeken wat er wanneer en door wie mee is gebeurd. Met dank aan het Nationaal Rijtuigmuseum in Leek. Overigens verdient het rijtuig mede op basis hiervan nu eigenlijk wel de A-status als belangrijk Nederlands erfgoed, want die heeft het nog niet.

Foto boven: ‘Zijpendaal, rond 1900’ (Gelders Archief).


Met wat scheuren, maar tegelijkertijd bewaard gebleven in
dezelfde toestand als ruim zestig jaar geleden
(Nationaal Rijtuigmuseum Leek).


Nederlandsche Sport 15-8-1903.


De ARM rijdt met de coach voorop in het bloemencorso in het
Vondelpark, 1906 (Gemeentearchief Amsterdam).


Tijdens de optocht in 1908, zichtbaar zijn de draairem op de
bok, een vaag heraldisch wapen op de deur en de algehele
donkere kleur (coll. Mario Broekhuis).


Tijdens de marathon van 1914. Midden op de schulp is het
nieuw aangebrachte rempedaal te zien, terwijl de kast ten
dele geel is geschilderd (collectie Rijksmuseum).


In 1932 door de ARM in gebruik voor een studentenfeestje
(Gemeentearchief Amsterdam).


Jan en zus Gien Hemmes tijdens de viering van het
Gronings Ontzet, in 1959. De coach is dan in bezit
van het rijtuigmuseum.