Wat rest is een arboretum met dezelfde naam op de plaats waar in Wageningen tot de Tweede Wereldoorlog Belmonte lag, het prachtige buiten van de familie De Constant Rebecque de Villars. In het, eveneens verwoeste, koetshuis stonden rijtuigen die de rijkdom van de familie weerspiegelden en in de stallen liep personeel dat zijn vak verstond. Daarvan getuigt een handjevol foto’s. Het is allemaal even voorbeeldig.

Het landgoed Belmonte was gesticht door Thierry Juste baron de Constant Rebecque de Villars (1786-1867), generaal, adjudant van de Prins van Oranje, gouverneur van Koning Willem III, kamerheer van de Keizer van Oostenrijk. Hij bouwde rond 1845 een pompeuze villa in Italiaanse stijl op het hoogste punt van Belmonte. De foto’s dateren uit de periode van twee generaties later, de tijd van de dochters van Willem Anne baron de Constant Rebecque de Villars (1827-1894), luitenant, kamerheer van Koning Willem III, lid gemeenteraad van Wageningen. Hij trouwde als vermogend mens in 1854 met Emma Eugénie Frederica gravin van Rechteren (1832-1907) en het stel kreeg twee dochters: Justine (1855-1951) en Cécile (1857-1941).

Zwarte bladzijde
Van de zussen komt alleen Cécile aan de man, namelijk Hermann rijksgraaf von Pückler-Branitz (1873-1915), waarmee zij in 1900 huwt. Maar Hermann heeft niet alleen een grootvader die zich gedroeg als een flamboyante dandy, hij voegt zelf ook een opvallende pagina aan de familiegeschiedenis toe. Van het huwelijk komt niets terecht; hij is letterlijk een ‘kat in de zak’ voor het geslacht De Constant Rebecque de Villars dat met de twee zussen ophield te bestaan. Al is er een portretfoto van Hermann, Cécile en zus Justine te paard op Belmonte, het stel blijft kinderloos en hij is meestentijds op het familiegoed in het Duitse Branitz te vinden. Het is nog erger, want hij zit voortdurend in de problemen door zich publiekelijk uit te laten als antisemiet en in die tijd nog problematischer disrespect voor de monarchie. Hermann brengt in zijn leven meer tijd door in Duitse gevangenissen en, na vanaf 1904 paranoïde en krankzinnig te zijn verklaard, gestichten, dan op Belmonte. In 1915 sterft Hermann in het gesticht van NeuFriedenheim bij München, waar Cécile en haar zus wel enige bekendheid aan geven, maar geen bezoek voor willen ontvangen vanwege ‘afwezigheid’. Het komt er op neer dat de twee zussen een leven lang op hun moeder en elkaar zijn aangewezen, en natuurlijk op hun omvangrijke vriendenkring. Ze gaan om met leeftijdgenoten uit een gelijke adelstand als de Van Heeckerens en de familie Brantsen, families ook die aan de andere kant van Arnhem wonen, richting Rheden. Daar heeft moeder na het overlijden van haar man een steenfabriek laten bouwen aan de linkeroever van de IJssel.
Meende Cécile haar geluk te vinden in een Duitser, haar oudere zus komt niet verder dan een grote liefde voor paarden. Dat heeft zij van haar vader, die in oktober 1873 speciaal voor zijn dochters een grote ‘Engelsche’ jacht op de heide achter het Edese bos organiseert. “Het wild, opgespoord door windhonden en brakken, werd vervolgd door elegante ruiters en vlugge amazones.” Na afloop is er een diner op het grote huis.

Geen loonsverhoging
Op Belmonte heerst nuchterheid, ook ten aanzien van het personeel. Of zoals moeder De Constant Rebecque eens zocht, “een fatsoenlijke, eenvoudige meid uit den burgerstand, die getuigen heeft als keukenmeid en bereid is nog aan te leeren wat haar aan bekwaamheid mocht ontbreken.” Diezelfde moeder wil het loon van de tuinbaas verlagen, zodra diens dochter een aanstelling krijgt als onderwijzeres, want nu kon die dochter bijdragen in het levensonderhoud van de tuinbaas. Deze houding is erfelijk, want wanneer dezelfde tuinbaas jaren later tijdens de schaarste van de Eerste Wereldoorlog om opslag voor de tuinarbeiders vraagt, geeft freule Justine als antwoord: “Foei, van der Lugt! Neemt gij het op voor dit volk? Neemt gij het voor ons op. Gij zijt in onze dienst”, waarop de tuinbaas zijn biezen pakt. In de stal zal de moraal niet anders zijn.
In de periode dat de zusters er de scepter zwaaien is Ernst Hendrik Strübbe (1866-1946) er de koetsier, met naast hem zijn jongere broer Willem (1875-1945), de latere pensionhouder van Rozenhage. Ernst Hendrik zal zijn baantje niet in de laatste plaats danken aan de referenties van zijn vader Ernst Arie (1842-1924), die als koetsier werkt voor jhr. mr. A. L. J. Melvill van Carnbee op huize Kraaybeek in Rijsenburg. Vader doet zijn werk zo voortreffelijk dat hij er in 1911 een koninklijke onderscheiding voor krijgt, maar het zal vooral de innige relatie tussen de familie Melvill van Carnbée en de dames De Constant Rebecque zijn die de beste aanbeveling is. Van vader Ernst Arie, zoon van een tuinman op landgoed Heukelum, weten we dat, wanneer hij eind jaren 1870 in Den Haag woont, regelmatig getuige mag zijn bij de huwelijken van koetsiers en koetsierszonen, zoals Willem Jaggard, Hendrik Breeschoten, pikeur Cornelis Reniers, Louis van Baalen, Cornelis Donker en Albertus Herdeman. Hij kent ze allemaal en is een bekende vakman, maar blijft als particulier koetsier altijd en gepast op de achtergrond. Naast zijn twee zoons op Belmonte, is er een zoon (Huibertus) die als koetsier op een buitenplaats in Velp werkt en een dochter Martina die in 1908 trouwt met koetsierszoon Gerrit Esveld uit Wageningen. Die laatste werkt als laatste palfrenier en vervolgens chauffeur, want koetsier Carl Bock had daar geen trek in, voor Graaf van Aldenburg Bentinck op kasteel Amerongen. Na het overlijden van zijn werkgever in 1918 verhuizen Ernst Arie en zijn vrouw Johanna de Rooij ook naar Amerongen om er hun oude dag slijten.

Op straffe van ontslag
Het dagelijkse leven van het stalpersoneel op Belmonte is vergelijkbaar met dat op Amerongen of Middachten, al zijn die stallen véél groter. In het boek ‘Eerste Koetsier’ (2009) beschrijft Henk Dijkerman het leven van zijn vader in dienst van de Graven van Aldenburg Bentinck op Middachten. Het personeel van de stal komt normaalgesproken niet verder dan de onderste verdieping van het grote huis, op de begane grond -de beletage- kwam je alleen als mevrouw je ontbiedt. En op de bovenste verdieping van het huis, waar de meisjes hun kamers hadden, is verboden gebied op straffe van ontslag. Het moet netjes blijven. Een andere huisregel is dat je in de stal en op het voorplein wel mag zingen, niet fluiten, aangezien fluiten iets ordinairs is en voorbehouden aan bakkers- en slagersknechten. Minstens zo belangrijk is dat iedereen het ontbijt afsluit met een bijbel-lezing als recht-aard protestants-gereformeerd. Huisregels die meer specifiek zijn voor de koetsier en de palfrenier zijn gericht op het tenue, het zogenaamde livrei. Daarin is verschil in de kortere, dunne zomerjassen en de dikkere kleding voor de winter, te dragen van 1 november tot 1 april. Op de knopen van de jassen is, net als op de tuigen van de paarden, een helmteken aangebracht, bij De Constant Rebecque een gekroonde adelaar en de spreuk ‘In arduis constans’ (in tegenspoed standvastig).
Op een foto van Ernst Strübbe is te zien dat hij nestels draagt, de sierkoorden aan de linkerschouder, als teken dat hij de dames rijdt; het verschil met militairen is dat die hun nestels rechts dragen en de onderscheidingen op de linkerborst. Op de hoed van Ernst prijkt een zwarte kokarde, een rozetje met een vaantje. Zo’n kokarde kan ook zijn uitgevoerd in de kleuren van de familiewapen, in het geval van De Constant Rebecque zou dat zwart met een geel randje zijn. Het ligt net zo voor de hand dat de rijtuigen in het koetshuis van Belmonte vooral geel met zwart zijn, want de familiekleur is een belangrijk visitekaartje in gegoede kringen.

Op beider naam
Een andere regel die op Middachten geldt en mogelijk ook op Belmonte is dat de koetsier in zomerlivrei een span rijdt op een ‘dubbele leidsel’. In de winter is het omwille van koude handen en dikke handschoenen geoorloofd om op kruisleidsels te rijden. Op een van de foto’s van Belmonte heeft koetsier in zomerlivrei vier leidsels, dus ‘een dubbele leidsel’ van de twee paarden in één hand. Dat laatste getuigt van het grote vakmanschap. De foto is verder een groot raadsel: het rijtuig heeft een ‘vroege’ bouwstijl, het personeel is onbekend, hun kleding is tamelijk afwijkend van het livrei dat Ermst Strübbe draagt, wat echter wel klopt zijn de helmtekens op de tuigen. Het is gissen: zou dit een foto zijn uit de tijd dat de dames aan de Côte d’Azur vertoeven?
In de tijd dat Ernst in Wageningen de koetsier is, heeft hij de zorg voor twee spannen, die hij af en toe uit mag brengen op het concours hippique. In 1897 het zwarte span Dark en Night in Utrecht, het jaar volgend het zwarte span Silk en Satin dat met een eervolle vermelding op het nationale concours hippique op Houtrust, Den Haag. In 1899 in Ellecom krijgen ook Swift en Dash een eervolle vermelding als tweespan en zijn ze de beste in het tandem. Een jaar later staat het span Swift en Dash derde in Wageningen. Het zijn geen klaterende overwinningen, eerder een manier voor de freules om ook in het deftige paardenwereldje hun aanwezigheid te bevestigen. Ze schrijven de paarden in op beider naam.
De paarden in de stal zijn veelzijdig inzetbaar en lopen ‘à deux mains’ oftewel onder het zadel en voor het rijtuig. Een mooi voorbeeld is Justine’s rijpaard Sharp, dat in 1903 de overwinning haalt in de rubriek ‘enkelspannen van particulieren’ op het concours hippique van Wageningen. Die eerste prijs levert een vergulde medaille op en een tientje voor de koetsier. Ook in het tweespan, met Quick, pakt Sharp de overwinning.
Die fooien ten spijt, eind 1899 heeft koetsier Ernst zijn biezen al gepakt naar Zeist, voor een aanstelling bij het echtpaar Van Marwijk Kooij op het landhuis Ma Retraite in Zeist. Hij heeft er de hulp van een jongen die de baantjes van huisknecht en palfrenier combineert. Maar het is geen baan met toekomst, want al in 1904 vraagt mevrouw hem om de landauer te verkopen. De zwarte Oost-Pruisische paarden ‘aftands, in vollen dienst’ gaan weg en in 1912 volgen de coupé en de wagonette, wegens aanschaffing van een automobiel.

Coupeetje op hol
Ook op Belmonte komt er een einde aan het tijdperk van de equipage. Nadat Ernst vertrekt is de paardenhobby van de dames behoorlijk getemperd en zijn ze liever te vinden in hun villa in St. Raphaël aan de Côte d’Azur. Ze zoeken dan nog wel een koetsier, koetsier-rijknecht en twee huisknechten die in 1899 blijkbaar allemaal tegelijk zijn vertrokken. In de Wageningse Courant verschijnt in 1904 de aankondiging dat een notaris op 12 oktober aan de stal een publieke verkoping houdt van: een span donkere vossen, Engels ras, acht jaar en 1,58 meter hoogte, en een span donker-bruinen van Duits ras, vijf en een half jaar oud en 1,61 meter stokmaat. “Beide spannen gaan schoon in het tuig, alleen en onder zadel, zijn allen bekroond 1ste en andere prijzen, gegarandeerd mak voor stoom en auto’s.” Naast de vier paarden gaan er ‘eenige’ tuigen, heren- en dameszadels rijhoofdstellen, paardendekens en de dogcart weg.
Ondanks die opheffing laten de dames zich nog wel per rijtuig vervoeren. Wageningse Courant van 13 november 1907: “Angstig geworden van de uit den Nieuwen weg aankomende tram sloeg het paard voor het coupeétje der familie De Constant Rebecque in de Nude, nabij het Hof van Gelderland, hedenmiddag ongeveer één uur, op hol. De koetsier werd door den schok der twee omgeworpen handkarren van de bok geslingerd. Zonder leiding galoppeerde het paard door de Hoogstraat, medenemend het rijtuigje, waarin de beide dames, freules de Constant, gezeten waren. Een der losgeschoten leidsels werd door C. Vonk gegrepen en meelopend wist hij ’t paard te drijven in de engte bij de bergbrug, waar de galoppade tot staan kwam. De boomen en het voorstel van het coupeétje waren stuk, de dames kwamen met de schrik vrij.” Een andere krant weet te melden, dat de koetsier op ‘verschillende plaatsen’ is gewond.

Met teddybeer
Het duurt dan niet lang eer het automobiel voor alle ritjes inzetbaar is, al ziet het er op een foto in 1910 een beetje mal uit: een landaulette met een zwaaiende teddybeer als versiering op de radiatordop en de gezichten van de beide freules bedekt met spookachtige voiles om de wind uit het gezicht te houden. De koetsier is vervangen door chauffeur Albert Bos.
Wat opvalt op de foto’s van het personeel en de rijtuigen is de aanwezigheid van een stel hondjes. Het zijn misschien nazaten van de fox-terrier Bem, een witte reutje met zwarte kop en vlekken die in juli 1887 wegloopt en waarvoor de baron, de vader van de zussen, een grote beloning uitlooft voor wie hem terugbrengt. Vader is jachthondenliefhebber. Honden spelen in het leven op Belmonte net zo’n grote rol als de paarden. Ook voor de tuin- en bosbaas J. J. Houthuyzen die weinig heil ziet in het optreden van de politie tegen vandalen in het bos. “Ik ging toen over tot het aframmelen van delinquenten met een stok; maar het publiek duldt dat niet en meermalen dreigden mannen, die er niets mede te maken hadden, mij met een pak slaag. Tenslotte stelde de Gravin mij voor, of ik den Boxer-hond niet mede zou nemen en africhten om de jongens te verjagen. Dat heb ik gedaan en het hielp uitstekend, want na eenige dagen stelde hij er vijf op een middag, daarna ging hij nog verder door, om de rest, die ons ontloopen waren, te achtervolgen. In de meeste gevallen kreeg de hond ze en beet ze dan in het been, doch niet zóó, dat hij doorbeet, alleen een grootere jongen, die met een stok naar hem sloeg, heeft hij eens tamelijk ernstig verwond”, schrijft hij aan de Arnhemsche Courant op 3 mei 1934. Deze tuinbaas is dan zijn brood al gaan verdienen als zelfstandig bloemist en is een einde gekomen aan de glorietijd van Belmonte. In 1936 komt het landgoed in het bezit van Stichting Het Gelders Landschap, en Wageningen is twee maal, in 1940 bij de Duitse inval en in 1944 tijdens de geallieerde operatie Market Garden toneel van zware gevechten. Beide keren is de schade enorm, ook op Belmonte, waar aan het eind van de oorlog nog slechts een ruïne resteert. De landbouwuniversiteit Wageningen koopt in 1951 de tuinen voor een klein bedrag en legt er een prachtig arboretum aan.

Beeld: Nationaal Rijtuigmuseum, Leek, Stichting Belmonte Arboretum, Oud Wageningen, Gelders Archief.

foto boven: in de victoria één van de dochters en hun moeder de baronesse De Constant Rebecque née Gravin van Rechteren, op de bok koetsier Ernst Hendrik Strübbe.


De zussen waren aangewezen op elkaar, hun moeder en vrienden.
Hier poseren ze met v.l.n.r. Carel M. Brantsen, boven: Justine en Cécile,
Willem H.A.C. van Heeckeren, en onder Sara A.M.C. van Heeckeren en

Sophia W. van Heeckeren van Kell in de tuin van het huis Wielbergen, 1883.

V.l.n.r. Hermann, Rijksgraaf von Pückler-Branitz, Justine en Cécile.


Koetsier Ernst Hendrik Strübbe met een parkwagen.


Al in de tijd van vader Willem Anne dienden de paarden
‘à deux mains’ te zijn: onder het zadel en voor de wagen.
Opregte Haarlemsche Courant 30-8-1865.


Justine op Sharp, aan de voorzijde van Belmonte,
het paard dat in het tuig zegevierde.


Justine met de dogcart, het rijtuig dat in 1903 op de verkooplijst staat.


Justine in arrenslee, 13 februari 1902.


Villa Belmonte in betere tijden.


Personeel op Belmonte, met rechts Willem Strübbe en
uiterst rechts zijn oudere broer Ernst Hendrik.


In zomerlivrei, waarbij de koetsier met vier leidsels rijdt:
een methode voor de echte vakman.


Na het vertrek van Ernst, op zoek naar nieuw personeel,
in het Nieuws van den Dag 14-2-1899.


1903: jonkvrouwe Amalia Brantsen komt op bezoek aan het stuur
van haar eerste auto, met naast haar Justine en achter haar
Sjuck graaf van Limburg Stirum en Cécile. Op de achtergrond
moeder de Constant de Rebecque-van Rechteren.
De auto is een Locomobile stoomauto uit 1901.


Ernst is bij zijn nieuwe werkgever bezig met
afbouwen van de stal. Nieuws van den Dag 11-2-1903.


De freules doen sportief in hun snelle auto, met teddybeer op de
motorkap en chauffeur Albert Bos achter het stuur, in de zomer van 1910.