Kimman is een rijtuigfabrikant die nog steeds een goede naam heeft onder de liefhebbers. Een ‘echte Kimman’ heeft status. Maar de geschiedenis van de fabriek begint met zwaar werk en flink zweten achter het aambeeld.

Halverwege de achttiende eeuw komt Frans Kimman (1741-1800) vanuit Wesuwe, Westfalen naar Holland. Hij vestigt zich als smid aan de Koemarkt in Purmerend en staat als zodanig geregistreerd in het Schepen en Gebedenboek. Een hardstenen koelbak draagt zijn naam en ‘1773’ als het jaartal van vestiging. Het opschrift van de bak wordt in 1803 uitgehakt in opdracht van zijn oudste zoon Jacobus (1774-1843) die de Purmerendse smederij van zijn vader overneemt. Van de vier zonen van Jacobus gaan er twee verder als smid in Purmerend en Beemster, waar ze als hoefsmid werken aan hooischudders en ander boerengerij, een locomobiel en brandkasten. De andere twee vertrekken naar Haarlem om er aan de slag te gaan als respectievelijk smid en rijtuigmaker.

Naar Amerika
Hendricus Kimman (1808-1860) werkt er als meesterrijtuigmaker in de Zijlstraat aan calèches, ezelwagens en glazen wagens. Daar hebben hij en zijn gezin in 1830 de dan vijftienjarige Johannes Jacobus Beijnes, de latere grondlegger van de Koninklijke Fabriek van Rijtuigen en Spoorwagens, in de kost. Beijnes zal er in de leer zijn als knechtje. Ook in de leer voor het rijtuigvak zijn twee zonen. De oudste, Theodorus ‘Theo’ Gerardus, is ten tijde van een gemeentelijke registratie in 1849 als zeventienjarige wagenmaker vertrokken naar Amerika. Hij kan zijn vader niet aan de Zijlstraat opvolgen. De reden dat Theo emigreert is snel gevonden: die eerdere kostjongen Beijnes, die dan een eigen wagenmakerij heeft aan de Houtmarkt in Haarlem, en vader Kimman adverteren als eersten in Nederland met een ‘nieuwe amèricaine’. In Amerika, dat zich in de negentiende eeuw in industrieel opzicht razendsnel ontwikkelt, komt een grootschalige productie op gang van vederlichte en ranke rijtuigjes. Ze rollen er letterlijk van de lopende band. In 1860 staat de naam van Theo genoemd in de Illinois State Business Directory, als medevennoot van Kimman, Malefyt & Doyle, rijtuigfabriek in Chicago.
Na een langdurig lijden sterft vader Hendricus op 1 augustus 1860. De dan 23-jarige zoon Johannes Wilhelmus heeft genoeg kennis en vaardigheid in huis om vigilantes en jachtwagens ‘van wagenmakers- en smidswerk klaar’ af te leveren. Hij heeft nog contact met zijn oudere broer aan de andere kant van de oceaan, wat blijkt uit een geregistreerde brief naar Chicago, en ook Johannes biedt nieuwe amèricaines aan.

Op mooie zondagen
De andere Kimman die in Haarlem neerstrijkt is meestersmid Jacobus (1822-1902). Hij is getrouwd met Johanna Muurman en woont er op het plein buiten het Grote Houthek, terwijl hij achter zijn smederij een wagenmakerij heeft aan de Wagenmakerslaan. Jacobus volgt het voorbeeld van zijn oudere broer Hendricus, die aan rijtuigen meer verdient dan aan het beslaan van paarden.
“Zorg dat je je vak verstaat en kijk goed om je heen”, is de lijfspreuk van Jacobus. En dat is wat hij doet. In Camera Obscura omschrijft Hildebrand (1839) het schouwspel dat Jacobus Kimman op mooie zondagen in de Haarlemmerhout te zien krijgt: “De beau-monde verscheen met al zijn gedistingeerde geuren en kleuren; met al de pracht van vederen, sjaals, parasols, mantilles, amazones, koetsiers, rijtuigen en rijpaarden. […] de demifortune van de kleine rentenier; maar ook reeds het blinkend verlakte rijtuig met de zwarte harddravers met witte koorden leidsels van de welgestelde makelaar, en het rijpaard van de kostschoolhouderszoon; alles doorkruist en voorbijgereden van Amsterdamse char-à-bancs voor twaalf personen, daar er veertien met een kind, en calèches voor drie, daar er vijf met een hoedendoos in zitten, schoon ik zeggen moet dat de meeste dezer dagen in de stad uitspannen.”
Als iets het resultaat van de industriële revolutie en de groeiende welvaart weerspiegelt, dan zijn het wel de rijtuigen van de gefortuneerde Haarlemmers: calèches, barouchettes en landauers, en dan specifiek voor de bovenste laag van de bevolking.

Op Franse leest
Jacobus krijgt als smid de reparaties te doen aan die rijtuigen. Bij gelegenheid verhandelt hij een tweedehands rijtuig: “Een zoo goed als nieuwe, zeer net en hecht bewerkte phaëton of charette”. En hij merkt wat de markt dicteert: zijn klanten zijn bijzonder geïnteresseerd in Franse zaken als ‘à huit ressort’ voor een dubbelverend rijtuig of of ‘à cinq glaces’ voor een glazen voorfront; Franse ontwerptekeningen en fabrikanten uit Parijs of Brussel krijgen de voorkeur. Jacobus besluit zijn zonen Hendrik (1856-1925) en Frans (1858-1914) voor een leerperiode van acht jaar naar het buitenland te sturen. Eerst naar Brussel en later naar Parijs, iets dat voor deze tijd heel bijzonder is. Daar ontdekken beide Kimmans de fijne kneepjes van het vak en leren zij ontwerpen. Hendrik presteert het zelfs bij het zogenoemde Cours Professionel des ouvriers en Voitures, tweemaal achtereen een eerste prijs in de wacht te slepen. De Fransen zijn zo jaloers dat zij besluiten geen prijzen meer aan buitenlanders toe te kennen.

Eerste opdracht
Wanneer beide broers terugkeren zijn ze zo ambitieus om in 1884 een rijtuigfabriek te starten onder de firmanaam Gebr. H. en F. Kimman. Hun vader verschaft ze hiervoor de ruimte door vergunning aan te vragen om, naast zijn eigen smederij aan het Plein 23, een tweede smederij te vestigen aan de Wagenmakerslaan 7. ‘Rijtuigfabriek’ is overigens nog wat overdreven met de twee broers als eerste werknemers; pas na een jaar zoeken ze er een rijtuigbankwerker bij in de smederij. De eerste opdracht komt van de buurman op het plein, stalhouderij Voorting op nummer 21, voor het vervaardigen van twee berlines.
Door hun Franse referenties en de unieke ontwerpen die de gebroeders maken, groeit de bescheiden firma gestaag, met klanten als de welgestelde mejuffrouw Henriette de Petit die voor in haar koetshuis aan de Olieslagerslaan in Haarlem een berliner-landauer, vis-à-vis, winterbreak, zomerbreak en arrenslede bij Kimman aanschaft. In 1888 melden de broers niet zonder enige trots: “Steeds voorhanden een prachtige collectie zomer- en winterrijtuigen, als: spider met en zonder kap, mylord, landau, coupé enz. Een bekwaam bakwerker terstond gevraagd of een flinke helper.” Ook in dat jaar spreken de deskundigen met lof over de tramomnibus die zij maken voor de verbinding tussen Haarlem en Bloemendaal, een rijtuig waarvan de wielen af te nemen zijn als bij een gewoon rijtuig, hetgeen bij de vorige niet het geval was, en dat minder hobbelt.

Eerste steen
Het pand aan Houtplein 37 wordt bij het bedrijf getrokken als schilderwerkplaats en op Houtplein 20 komt een magazijn voor rijtuigen die de werkplaats mogen verlaten. Bakwerkers en bekleders zijn er aan het werk. In 1893 leggen twee jeugdige Kimmans, Victor, oudste zoon van Hendrik Nicolaas, en Jacobus, oudste zoon van Franciscus Johannes, de eerste steen van het latere complex aan de Wagenweg.
Op 30 mei een jaar later jubelt het Nieuws van den Dag: “De rijtuigschilder H. Willemsen, werkzaam aan de rijtuigfabriek van de heeren Gebrs. H. & F. Kimman, te Haarlem, ontving van het uitvoerend comité van de in 1894 te Antwerpen gehouden wereldtentoonstelling een diploma van eervolle vermelding, wegens het schilderen van twee door genoemde firma op die tentoonstelling ingezonden rijtuigen, welke met de gouden medaille werden bekroond.”

Gouden medailles
Het tentoonstellen van rijtuigen is een van de voornaamste manieren om naamsbekendheid te krijgen in het land. Een fabrikant die landelijk wil verkopen moet met zijn waar op reis en dat doet ook de concurrentie. Een gouden medaille is er op een tentoonstelling in Groningen in 1889, waar de grootste concurrent Hermans uit Den Haag net iets beter voor de dag komt met een ‘groote gouden’ medaille en Overmeijer uit Amsterdam genoegen moet nemen met zilver. Het zijn echt niet alleen rijtuigen voor kastelen en buitenplaatsen, want op de landbouwtentoonstelling in Haarlem in 1889 tonen de gebroeders een eenvoudig Utrechts wagentje dat geschikt is voor burgers en buitenlui. Een nieuwe gouden medaille volgt op de sporttentoonstelling in Den Haag (1892), waarbij het helpt dat de Parijse rijtuigfabrikant Belvalette de ingezonden rijtuigen jureert. In 1895 exposeert Kimman ‘enkele sierlijke’ rijtuigen op de officieuze Wereldtentoonstelling voor het Hotel- en Reiswezen in Amsterdam.

Zeskantig
De fabriek maakt juweeltjes van koetswerk. Rijtuigen in de meest uiteenlopende modellen, van luxueuze calèche tot eenvoudige dogcart. Een kenmerk, ook van de landauers en coupés, zijn de zeskantige naafeinden van de voorwielen, die de koetsier en de palfrenier als opstap gebruiken. Die zeskantig vorm geeft grip en is veiliger dan je voet op een glad, rond naafeinde zetten. Van de achterwielen zijn de naafuiteinden rond, die hoeft niemand als opstap te gebruiken.

Koningin-moeder
Op 17 maart 1900 maakt het Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage melding van de bestelling van een landauer door koningin-moeder Emma. Het volgende jaar, wanneer Wilhelmina in het huwelijk treedt, trekt Emma zich terug op het Paleis Lange Voorhout, waar ze een hofhouding los van haar dochter voert. Haar paleis heeft een eigen stalgebouw aan de achterzijde, aan het Smidswater. Om die stallen te vullen koopt jonkheer Van Weede, als stalmeester voor de koningin-moeder, in januari 1901 tien donkerbruine paarden bij handelaar Victor Jehin in Parijs en twee donkerbruine in Brussel. Tegelijkertijd schaft hij een onbekend aantal rijtuigen aan bij Kimman, aldus het eerdergenoemde dagblad. De directie van de firma schrijf in 1924 in een jubileumuitgave, dat de bestelling van Emma gebeurde ‘op voordracht van twee harer cliënten’ en: “In 1904 volgde een bestelling van twee victoria’s voor H.M. de Koningin en van een coupé voor Z.K.H. den Prins der Nederlanden.” Op de inventarislijsten van het Koninklijk Staldepartement zijn echter alleen twee victoria’s van Emma terug te vinden die door vererving overgaan in bezit van koningin Wilhelmina, evenmin zijn er facturen van rijtuigen geleverd aan koningin Wilhelmina. Wel juist is dat Emma op 22 november 1905 een coupé in Haarlem bestelt als geschenk aan haar schoonzoon prins Hendrik. In 1914 levert Kimman een eerste automobiel aan de vorstin.
Van het Nederlandse koninklijke huis is vooralsnog alleen de koningin-moeder klant bij Kimman en dat heeft de firma geen predicaat van hofleverancier opgeleverd, maar het behoeft geen twijfel dat de naam een begrip is in de kringen rond het hof. Kimman gebruikt de koninklijke klandizie in zijn advertenties. En dat werkt.

In navolging
Terwijl haar man met een vierspan in 1915 deelneemt aan het concours hippique stuurt baronesse Van der Goes van Dirxland haar koetsier in de showring met eenzelfde victoria als die waarmee Emma zich door de hofstad laat rijden. De ‘halve wereld’ wil er in navolging van Hare Majesteit ook eentje. De kenners herkennen meteen het typische hoekige Kimman-model met onder de bok een opgerold schootkleed voor de passagiers. Dat kleed zit verscholen achter een leren flap met daarin een uurwerkje. Kimman heeft hiermee een uniek en populair model in serie gemaakt. De victoria is sowieso een perfect ‘instapmodel’ voor elegante dames en oudere heren, ook letterlijk vanwege zijn lage instap.
De weduwe Hintzen aan de Lagen Duin- en Daalschenweg te Bloemendaal, Villa Kalorama aan de Arnhemschen Straatweg te Velp, Baron van Till van Huize Hoogerweerd aan de Rijksstraatweg te Driebergen, J. Korthals Altes van Huize Uit den Bosch aan de Spanjaardslaan in Haarlem en mr. van Valkenburg van Huize Ross in het Gelderse Laren hebben allemaal een Kimman victoria. Of het precies hetzelfde model is weten we niet, wel dat ze hun rijtuig vroeg of laat te koop zetten in de krant, vaak vanwege de aanschaf van een automobiel of een overlijden. Ook bij de Bentincks op kasteel Schoonheten bij Raalte wijkt de victoria van Kimman met de rest van het koetshuis en de paarden in 1912 voor de komst van de auto. Het is het ‘laatste model op gummibanden’. Afgaande op het aantal vermeldingen zijn er vele tientallen geproduceerd en dat is bijzonder, want eigenlijk zet alleen Hermans in Den Haag ook zo veel rijtuigen af dat er sprake kan zijn van seriewerk. Het is inventariseren met terugwerkende kracht. Toch is dit type dan nog erg gewild en zelfs de sultan van Delhi zal er een bestellen.

Laatbloeier
In vergelijking met andere prominente rijtuigfabrieken als Veth, Hermans en Ingenhoes komt de firma Gebr. Kimman relatief laat tot bloei. Kimman loopt niet voorop om naar wereldtentoonstellingen in Londen en Parijs te gaan, neemt evenmin deel aan de wedloop om rijtuigen naar Nederlands-Indië te exporteren. Wel bouwt het bedrijf een kwaliteitsnaam op en blijft het tot na de eeuwwisseling met nieuwe ontwerpen komen, geheel volgens de mode strakker en met een meer subtiele belijning dan voorheen.
Kimman verschilt ook van andere fabrikanten, zoals Beijnes die een eerdere en sterkere groei doormaakt, door in geen enkel geschil met vakbonden voor te komen. Exacte cijfers zijn niet bekend, maar het aantal werknemers moet in de jaren na de eeuwwisseling vele tientallen hebben bedragen, in gescheiden afdelingen voor houtbewerking, smederij, schilderswerkplaats en stoffeerderij. In het vakbondsblad De Metaalwerker komt Kimman ter sprake op 18 aug 1913: “De firma Kimman te Haarlem stelt voor een proef te nemen met invoering van verkorting van den werktijd op zaterdag, doch met verlenging op de andere dagen. Extraloon zal dan betaald worden na den 60-urigen werktijd. Hierover zal met het betrokken personeel vergaderd worden.” Met andere woorden, betere arbeidsvoorwaarden vindt Kimman prima, zolang het de werkgever niets kost. In het automobieltijdperk -1924- biedt de firma werkgelegenheid aan ruim veertig man personeel.

Opnieuw Frankrijk
Hendrik en Frans maken in 1907, door het bouwen van een eerste carrosserie op een Spijkerchassis, de weg vrij voor de vijfde generatie en hun nazaten om de fabriek het autotijdperk in te leiden. En nu herhaalt de geschiedenis zich. Waren zij door hun vader naar Parijs gestuurd, nu sturen zij op hun beurt twee zonen erheen om ervaring op te doen. Victor (1888-1960) en Eduard (1889-1935) doorlopen een leerschool bij Mühlbacher en vervolgens Keller & Fils, twee van de voornaamste rijtuigfabrieken met grote showrooms aan de Champs Elysées. Beide bedrijven maken met succes de overstap van rijtuig naar auto, en zijn toonaangevend in ontwerpen. Ze zijn het voorbeeld dat Kimman volgt.
In 1924 maakt de fabriek het laatste rijtuig, een spider. Zo’n spider staat symbool voor de ontwikkeling van het rijtuig: als noodzakelijk vervoermiddel voor de deftige inwoners van Haarlem en de villa’s van Bloemendaal is het vervangen door de auto, maar een aantal van de vroegere equipagebezitters heeft nog wel paarden voor het plezier. Voor de spider showen ze hun fraaiste hackney’s op het concours hippique; de tuigpaardensport is een opkomend fenomeen in de jaren voor en na de Eerste Wereldoorlog. Maar het is geen serieuze markt voor een ambitieus bedrijf, daarvoor ligt de toekomst elders.
Een eeuw later is Kimman nog altijd een begrip in de autowereld, als importeur van Jaguar, Land Rover en Range Rover.

Bewaard gebleven
Van Kimman zijn vele tientallen rijtuigen in particulier bezit bewaard gebleven, bijvoorbeeld uit het rijtuigpark van de voormalige stalhouderij De Jong in Leiden, die zijn doorgegeven aan stalhouderij Haasnoot in Rijnsburg. Het Koninklijk Staldepartement heeft uit voormalig bezit van de koningin-moeder twee victoria’s, de landauer en de coupé die ze aan prins Hendrik gaf. Het Nationaal Rijtuigenmuseum heeft een coupé clarence in bruikleen van de familie Kimman, die van origine van stalhouderij Van der Lans komt. Daarnaast heeft het rijtuigmuseum een omnibus afkomstig van de familie Van Sminia van de Fogelsangh State in het Friese Veenklooster.

Meer over de autogeschiedenis van Kimman op conam.eu

Bronnen: jubileumuitgave ‘1884-1924 NV Fabriek van luxe rijtuigen en automobielen v/h Gebr. H. & F. Kimman’; jubileumuitgave ‘Van Smidse tot Automobielbedrijf 1884-1959’; De Eenheid, orgaan voor Carrosserie- en Wagenbouwers (1-11-1959); Rijtuigen en Sleden in Koninklijk Bezit, Van den Hout en Eekhout (1997); Riemers Magazijn (1915); De Metaalwerker (18-8-1913); aantekeningen F.J. Kimman (Wassenaar 1984); Koninklijk Huisarchief; correspondentie drs. Herman Vos, Leek; Noord-Hollands Archief.

Foto boven: landauer in 1900 aangeschaft door koningin-moeder Emma, nu in het Koninklijk Staldepartement.

 
Hardstenen koelbak van de smederij in Purmerend,
waar vanaf 1803 de achtereenvolgende Kimman’s
hun naam in lieten hakken.


Opregte Haarlemsche Courant 18-6-1840.


Opregte Haarlemsche Courant 14-5-1853.


Opregte Haarlemsche Courant 14-2-1861.


De smederij van Jacobus Kimman aan het Houtplein
23 (beeld Historische Vereniging Haerlem).


Opregte Haarlemsche Courant 5-4-1869.


Het Nieuws van den Dag 28-11-1906.


Gedeelte carrosserieafdeling, met op de voorgrond
H.N. Kimman en rechts het laatste rijtuig dat de
fabriek maakte, de spider in 1924.


Landauer in gebruik bij stalhouderij Dieben in
Leiden (beeld Erfgoed Leiden).


Landauer van firma Van den Heuvel, Valkenswaard.


Adverteren met koninklijke klandizie.


Een van de twee victoria’s van Emma in het
Koninklijk Staldepartement, Het Loo.


Vctoria van Baronesse van der Goes Dirxland op het
concours hippique van Den Haag, 1915.


Victoria van de Goesche Rijtuig- en Automobiel
Maatschappij (Jeroen Brouwer).


Coupé die prins Hendrik in 1905 van zijn schoon-
moeder kreeg.


Coupé clarence in het Nationaal Rijtuigenmuseum.


Omnibus van de Fogelsangh State in Veenklooster,
nu in het Nationaal Rijtuigenmuseum.


Kimman mag dan smederij zijn geweest, de
rijtuigassen kwamen van de Franse fabrikant
Lemoine (as van de omnibus van Fogelsangh State).


‘Rouwvolger’, een statieberliner, voormalig
collectiestuk van het museum Achse, Rad und
Wagen in het Duitse Wiehl.


Wieldop van een victoria.