De eerste wagenmaker in de familie is Jacobus Ipenburgh, in 1682 geboren als zoon van een meester-chirurgijn en in zijn werkzame leven radmaker in de Bovenbuurt te Bennekom. Acht generaties later heeft de familie 28 wagenmakers voortgebracht, waaronder de zes zonen van Cornelis uit Leusden. Die zes krijgen ieder hun eigen werkplaats, waarbij de een met zijn neus in de boter valt en de ander in armoede leeft. Zoon Johan werkt zich op tot een van de belangrijkste rijtuighandelaren in de jaren voor 1960.

De wagenmakersfamilie Ipenburg maakt geen onverdienstelijke start in de achttiende eeuw. Na het overlijden van Johan Ipenburg ‘de oude’, inmiddels de derde generatie wagenmaker, en vervolgens diens echtgenote Cornelia Floor willen de erven in januari 1816 het ouderlijk huis in Driebergen verkopen. De veiling van de boerenhofstede en de landerijen (31 morgen vrij van zogenaamde tienden) geschiedt aan de meestbiedende ‘bij het uitbranden der waschlichten’. De minderjarige kinderen Gerrit, Geertruyda, Evert en Jakobus staan onder voogdijschap van hun stiefvader, de volwassen zoon Johan ‘de jonge’ werkt in Schalkwijk als gezel in de wagenmakerij, net als zijn broer Cornelis in Amerongen.
Ook de kleine Evert zal later het vak kiezen. Maar de vette jaren zijn voorbij. Om er iets bij te verdienen verhuurt deze Evert onroerend goed, een schuurtje voor zes gulden per jaar en de voorkamers van zijn huis. “Men presenteert te huur, in het Stadje Rhenen, gelegen aan den Rhijn: een of meer gemeubileerde voorkamers, zeer geschikt ter inwoning voor een of meer bejaarde lieden, met of zonder kost. lemand hierop reflecterende, adressere zich met gefrankeerde brieven, aan deszelfs eigenaar E. Ipenburg, Mr. Wagenmaker, in de Rhijnstraat aldaar”, aldus annonces in de Opregte Haarlemsche Courant van september 1835. Een jaar later zijn de te verhuren voorkamers ook ‘behangen’.
Van de vijfde generatie strijkt Kornelis (1821-1884) neer in Leusden: hij betrekt er in 1842 op uitnodiging van Arnold Johan de Beaufort, de eigenaar van landgoed Den Treek, het chalet Jachtlust aan de Arnhemseweg 58. Rechts van het chalet heeft Kornelis een houten schuur, waar de opslag van rijtuigen plaatsvindt. De wagenmakerij en de smederij zijn pal achter het woonhuis en blijven tot 1962 bestaan.

Amersfoort
Van Kornelis’ zonen vertrekt Willem (1851-1896) naar Amersfoort en vestigt zich op de Kamp, aan de Kampstraat 80. Hij krijgt daar opdrachten van het leger. Een voorbeeld van zijn werk zijn de tweewielige handkarretjes om munitiepatronen of gewonden te vervoeren: de ‘patroonraderbaar’ in 1895 op aanwijzingen van 1ste klasse dr. C de Mooij vervaardigd en vervolgens aan een ‘geduchte proef onderworpen in het diepe, mulle zand der duinen van Waalsdorp’. Een soldaat kon er 4.300 scherpe patronen of één zieke mee vervoeren. De minister van Oorlog bestelt er 36 voor ƒ 135,- per stuk. Na Willems overlijden neemt zijn weduwe Grietje Schimmel het werk over. Zij levert bijvoorbeeld in 1902 een vuilniskar en een tonnenwagen voor ƒ 132,- aan de gemeentereiniging van Amersfoort. Ze staat niet zelf met de schaaf of zaag in de hand, maar laat het werk over aan de knechten, van wie J. Peeman op 30 april 1910 herdenkt dat hij 25 jaar eerder in dienst kwam. Grietje heeft één zoon die de wagenmakerij kan overnemen en dat is Klaas (1883-1961), maar Klaas dient van 1904 tot 1918 als infanterist bij het Vijfde regiment en vervolgens de Landweer. Wanneer hij afzwaait kan hij bij de Firma Wed. W. Ipenburg aan de bak, zijn moeder nog altijd aan de leiding.

Jachtlust in Leusden
Op Jachtlust in Leusden neemt Cornelis (1859-1941) de fakkel over.



Nieuws van den Dag 9-7-1884, en 11-5-1889.

“Er wordt gevraagd een wagenmakers-leerling, Prot. G., eenigen tijd in het vak werkzaam, tegen genot van kost en inwoning”, doet deze Cornelis ieder jaar dezelfde oproep, om een half jaar te kunnen profiteren van een jongeling en hem in de winter, als hij zijn geld niet meer oplevert, weer heen te zenden. Maar zo was het hem zelf ook gegaan, het is de manier om het vak te leren en ervaring buiten het ouderlijk bedrijf op te doen. In Leusden werkt ook een meer ervaren knecht voor langere tijd, die mag de winter door blijven. Een voorwaarde voor de knechten is dat ze van protestantse huize zijn, net als de Ipenburgs. Het gros van het werk is voor boeren en kleine middenstanders in de omgeving. Ze bouwen voor hen met name Utrechtse wagens, tilbury’s en een incidentele lijkwagen. ‘C. Ipenburg Wagen- en Rijtuigmaker’ staat met witte letters op de zijgevel van de schuur geschilderd.
“In 1864 maakten ze een nieuwe wagen op veren en mogelijk is dat een eerste Utrechtse tentwagen geweest, waarschijnlijk ook het eerste rijtuig op ellipsveren. Ik vermoed dat Cornelis zich rond 1910 rijtuigmaker is gaan noemen. De nieuwbouw moest met name in de avonduren gebeuren, in de wintertijd, en met de vroeg invallende duisternis moesten de jongsten van het gezin met een olielamp bijlichten”, zegt Evert (geboren 1938) over zijn grootvader. Deze kleinzoon bezit de debiteurenboeken die drie generaties voor hem nauwgezet bijhielden van 1859 tot 1962. De luxe rijtuigen die in de koetshuizen van de buitenplaatsen staan, maakt Cornelis niet, want die zijn afkomstig uit de bekende rijtuigfabrieken als Ingenhoes, Gebroeders Buitenweg, Hermans, Kimman, Veth en Spijker. Maar hij mag er wel op vijf, zes buitenplaatsen het onderhoud aan doen. Dat betekent eens in de drie maanden de assen smeren, een lik vet op het schamel smeren en reparaties uitvoeren. Verder is de klandizie van de buitenplaatsen niet veel anders dan die van de overige klanten; ook hier zijn kruiwagens nodig en kan het nodig zijn om een nieuwe steel aan de koekenpan te maken, voor vijftien cent op rekening, te betalen door mijnheer ‘De Bofort’, fonetisch geschreven door een wagenmaker die amper naar school was geweest.
Op huize Heiligenberg, aanvankelijk de woonstede van burgemeester Van Hardenbroek, komt in 1904 Sjoerd Anne Vening Meinesz te wonen. Ook hij doet een beroep op Ipenburg. Bij Meinesz krijgt Cornelis een voor hem bijzonder rijtuig in onderhoud, want de oud-burgemeester van Rotterdam en Amsterdam heeft een statiecoupé meegebracht naar Leusden. Maar veel onderhoud zit er niet aan. In de grote stad had het mogelijk een ceremoniële functie, in Leusden zal het ongebruikt zijn blijven staan.
Huisbaas en eveneens belangrijke klant van de wagenmakerij is de familie De Beaufort. “Er was ontzag voor de landheer. Als die met zijn rijtuig in de verte naderde, probeerden de jongens weg te kruipen in het bos om niet te hoeven groeten of hun pet afnemen”, weet Evert.


Op het nabijgelegen Huize de Boom heeft juffrouw Annie de Beaufort de zorg voor haar jongere, gehandicapte broer Ernst Louis. Voor hem maakt Cornelis in 1911 een aangepast rijtuigje, de ‘canapéwagen’, waar hij achter op kan plaatsnemen. De wagen kost ƒ 300,-. Met een brave koudbloed ervoor stapte de tuinbaas ermee rond op het landgoed om Ernst Louis een uitje te bezorgen.

Ook aan boerenwagens blijft werk: er zijn altijd wel typische onderdelen te vervangen als bloktang, langwagen, kort-langwagen, schamel, dissel, rongen, buik enzovoorts. De veelheid aan reparaties doet doorschemeren dat een boerenwagen het in de omgeving van Leusden zwaar te verduren heeft. Het crankwerk moet het er ontgelden, naast natuurlijk de wielen waarin de spaken gaan rammelen, dommen gaan barsten en hoepels losraken. Het verleggen van de ijzeren wielbanden, de hoepels dus, noemt Ipenburg het ‘verringen’.
Naast de wagenmakerij verdient Cornelis wat bij met zijn paard. Het loopt voor de brandspuit met Cornelis als brandmeester, en zijn zonen of wie maar beschikbaar is gaan mee als slangenlegger, pomper of spuitgast. Per oefening krijgen ze vijftig cent en een sigaar. Ook het stallen van de spuit levert wat op.


Vanaf de jaren tien doen de predikanten van de kerk aan de overkant van de weg een beroep op het paard en een brikje om huisbezoeken af te leggen of te preken in andere plaatsen; een van de zonen rijdt dan als koetsier voor zo’n taxiritje naar Eemnes, Lage Vuursche of Bunschoten. Het zijn flinke afstanden die de kerkvoogd eens in de drie maanden afrekent.

Cornelis vervoert in 1911 een lijk naar de begraafplaats, brengt zigeunerwagens naar Amersfoort op rekening van de gemeente en is lantaarnopsteker voor een tientje per jaar, al laat hij het aan zijn jongens over om de lantaarnpaal bij het postkantoor aan te steken en te doven. Bovendien houdt Wijmpje Klarenbeek, Cornelis’ vrouw, een winkeltje aan huis draaiende met spek, rijst, wagensmeer en lijnolie, verf en traan, petroleum, hooiharken, sigaren en passement. Door zo alles aan te pakken weet Cornelis, wonend in een huurhuis van De Beaufort, toch een zeker vermogen op te bouwen en staat hij bij zijn kinderen bekend als ‘tonair’, al is dat nog lang geen miljonair. Dit maakt het mogelijk om zes zonen op weg te helpen als zelfstandig wagenmaker: Johan in eigen werkplaats, Marinus elders in Leusden (Zwarte Steeg – Hamersveld), Hendrik Cornelis in Amersfoort, Bart (Albertus) in Woudenberg, Dirk-Albertus in De Bilt en Cees (Cornelis) in Doorn. Wat ze er vervolgens van kunnen maken verschilt nogal. Zo valt Cees met zijn neus in de boter op de buitenplaatsen in Doorn, terwijl het moeizaam gaat voor Marinus, die als protestant in het volledig katholieke Hamersveld amper aan de bak komt. Hendrik Cornelis (1881-1965) in Amersfoort is de enige van de zes die een geslaagde overstap gaat maken van rijtuig naar auto. Vanaf 1905 werkt hij aan de Beestenmarkt 4 met name aan boerenwagens en houten wielen voor de cavaleriekazerne. In 1939 krijgt Hendrik van de officieren van de militaire rijschool de opdracht om een kleine kruiwagen voor prinses Beatrix te maken. Zijn zoon en kleinzonen zetten het werk voort aan de Kleine St. Janstraat 13, tot 2011 in de carrosseriebouw en als autobedrijf. De zevende generatie is namelijk degene die de vraag naar nieuwe rijtuigen volledig ziet stagneren. Het tijdperk van de auto breekt aan.


Huis en werkplaats van Hendrik aan de Beestenmarkt in Amersfoort. Links in 1938. (beeld archief Eemland)

Johan in de handel
Johannes (1896-1960) is voorbestemd om zijn vader in Leusden op te volgen. Rijtuigwerk mag dan geen rol meer spelen, meer en meer boeren leggen een mestput aan en willen vervolgens een gierbak op hun boerenwagen. Bovendien gaat, met de auto en daarmee toegenomen snelheid in het verkeer, de verkeersveiligheid een rol spelen: van 1926 tot 1935 wil menigeen een ‘rood ligt’ achterop de wagen of brik, en de spiegel op het rijtuig doet zijn intrede. Ook nieuw in de jaren dertig zijn de bandenwagens: platte landbouwwagens op autobanden. De oude Cornelis wil er niet aan, tot hij er een van Cees uit Doorn overneemt, en er dan toch maar een sticker ‘C. Ipenburg, Leusden’ op plakt.
Evert: “Mijn grootvader was wel een lastig type dat de touwtjes in handen wilde houden, en ik hoorde mijn vader nog weleens mopperen dat hij de kans niet kreeg. Mijn vader was in mijn jeugd, in de tijd dat ik hem bewust meemaakte, veel weg. Nadat hij uit dienst (1914-1918) kwam en met name in de jaren twintig kwam de handel in tweedehandsrijtuigen op gang. Na mijn grootvaders overlijden in 1941 bloeide mijn vader op, denk ik. Naast Pijnappel in Twello was hij de grootste rijtuighandelaar in Nederland.”
In een zakboekje houdt Johan de inkomsten bij: ƒ 264,- aan kruiwagens verkocht aan de Heidemij, driehonderd voor een brik aan Bultman in Heemstede, en kleinere bedragen voor platte wagens en ploegen. Gebeurde het transport van de rijtuigen naar de schilder op Hamersveld vroeger nog met één hand aan het lamoen en de andere aan het stuur van de fiets, in Johans tijd kan een vrachtrijder dit doen of gaat een rijtuig per spoor. Evert kent het verhaal van de zonen uit Doorn die als kleine ventjes een boerenwagen van Doorn naar Leusden moesten brengen: “Op het hoogst van de Doornse berg gingen de fietsen erbovenop en sjeesden ze zo de berg af met de voet op de dissel. Afremmen was er niet bij. Een ander verhaal dat op mij als kind indruk maakte, was toen mijn vader Johan en oom Dirk een lijkwagen van Leusden naar Apeldoorn brachten. Om beurten menden zij het paard. Even voor Apeldoorn werd gestopt bij een café, waar de kastelein verwonderd naar buiten kwam om nieuwsgierig te informeren naar wie er werd vervoerd. Hij schrok heftig toen mijn vader plotseling met een schorre kreet achter uit de katafalk tevoorschijn kwam.”


Amersfoortsche Courant 24-11-1941.

Waren de jaren 1914-1918 niet veel anders als daarvoor, hoewel twee zonen moesten dienen, de Tweede Wereldoorlog heeft een grotere impact op het dagelijks leven in de wagenmakerij. Er moet ook voor het Duitse Wachtbataljon Nordwest in Amersfoort worden gewerkt en dat doen de Ipenburgs niet met plezier. Ze sturen voor dat verplichte werk pittige rekeningen, maar raken door de jaren tot wel veertig rijtuigen en wagens kwijt: gevorderd en afgevoerd door de bezetter. In een brief van november 1944 meldt de marktmeester uit Utrecht dat ‘de Duitsche Weermacht uw Utrechts wagentje in beslag heeft genomen. Zy zouden het na gebruik weder terugbrengen.’ Wat uiteraard niet gebeurt. Het contact met het wachtbataljon redt anderzijds waarschijnlijk het leven van Johan en dat van Sjors Heij, knecht in de wagenmakerij. Op weg naar Soest worden zij aangehouden op de BW-laan in Amersfoort (5-2-1945). De Duitsers willen zich wreken vanwege een aanslag op hen. Johan weet duidelijk te maken dat zij op weg zijn naar een afspraak met een hoge Duitse commandant in Soest. Ze mogen doorfietsen. Die middag worden er tien willekeurige mensen gefusilleerd. Kort daarop volgt er een opdracht van het ‘Wacht Bataljon Nord West (moffen) tot een rijtuig reparatie’. De tientallen rijtuigen die de Duitsers her en der rond Leusden achterlaten na de capitulatie worden verzameld en gestald in een bosperceel op landgoed De Treek. Johan brengt een groot aantal terug naar hun eigenaar, geholpen door Elbert van Buren, die er telkens twee achter een tilbury knoopt om ze te vervoeren.
Na de oorlog komt er ook vraag naar ponywagens uit de wagenmakerij in Leusden, net als naar schaft- en keetwagens. De zaterdagse veemarkt aan de Utrechtse Croeselaan is voor wagenmakers een plek om zaken te doen. Johan en zijn broer Cees hebben er een vaste stek. Doordeweeks blijft de handel er achter in een stalling – vandaar het berichtje van een marktmeester over het gevorderde Utrechtse wagentje.
Daarnaast trekt Johan door het land om luxe rijtuigen op de buitenplaatsen en van stalhouderijen te kopen. Een ander ziet er geen brood meer in, meestal gaan ze voor het oud ijzer weg, maar Johan kent stalhouders en liefhebbers die nog wel interesse hebben. Het handelen zit hem in het bloed. Hij koopt de rijtuigen tijdens opheffingsverkopen door de Amsterdamse veilingmeester Martin van Delden of na een tip. Zo krijgt hij op kasteel Middachten in De Steeg de kans om er vijf te kopen. Johan gaat er op 28 januari 1957 heen in gezelschap van veilingmeester Van Delden. In het zakboekje zijn de kosten van die dag nauwkeurig uitgeschreven: reis Arnhem twee personen trein ƒ 4,75, bus ƒ 1,65, versnapering ƒ 1,50, retourtje Amsterdam ƒ 2,60. “Ieder de helft betalen.” Aan rijtuigen en divers kleingoed zijn de heren op Middachten ƒ 375,- kwijt en ze betalen ƒ 25,- aan de koetsier Dijkerman als tipgeld. Het topstuk van die dag is de calèche waarin de Duitse keizerin tijdens een bezoek in 1909 nog had gezeten. Die mag naar de Canadese verzamelaar Jack Pemberton, waar Van Delden contact mee onderhoudt. Ipenburg heeft op zijn beurt contact met de oprichters van het Nationaal Rijtuigmuseum in Leek: Dirk ter Maten en zijn kompanen, vaste gasten op de veilingen van Van Delden. Johan verkoopt aan hen de vier andere rijtuigen van Middachten: een Engelse coupé met imperiale op het dak, een grote landauer van Henrich & Veth, en twee victoria’s, die nog altijd in eigendom zijn van het rijtuigmuseum.
Het contact met de koetsier van graaf Van Aldenburg Bentinck werpt nog een vrucht af. Diens collega, de chauffeur Arend Jan Wes van het kasteel Weldam, gunt het Johan om vier rijtuigen, inclusief vier stel lampen, op te halen voor ƒ 250,-. Af te rekenen met de rentmeester natuurlijk en de chauffeur ontvangt ƒ 75,- provisie.
Bij Huize de Boom mag Johan van juffrouw Annie de Beaufort, eveneens in 1957, de arrenslede en een tweespan bruine tuigen ophalen, door zijn vader Cornelis er in 1905 nog gerepareerd. Juffrouw Annie is hem na afloop dankbaar en stuurt hem een brief, waarin ze zegt verguld te zijn met het royale bedrag dat Johan ervoor geeft en dat ze dit overgemaakt wil zien aan het Groene Kruis.


Evert Ipenburg met de slede van Huize de Boom in de jaren ’60.

Evert maakt de laatste episode van zijn vaders werk bewuster mee: “Zodra ik mijn rijbewijs had moest ik hem overal naar toe brengen, want de laatste twaalf, vijftien jaar van zijn leven was mijn vader ziekelijk. Hij had longproblemen en moest op mijn rug de trap op. Mijn vader was best wel streng en het boterde ook niet altijd tussen ons beiden. Volgens mijn moeder hadden we hetzelfde karakter, niet dat ik streng ben… alhoewel, dat moet je aan mijn kinderen vragen, maar achteraf denk ik dat de puberteit er een rol in heeft gespeeld.”


Nieuwsblad van het Noorden 5-8-1960.

In augustus 1960 staat de laatste advertentie in de krant, voor een concourswagen, tuigen en ‘diverse rijtuigen’ aan de Arnhemseweg 58 in Leusden. Het is het jaar waarin Johan overlijdt; hij heeft niet meer mee mogen maken hoe de handel in de jaren die volgen een enorme sprong voorwaarts maakt: landauers voor tien-, twintigduizend gulden, door de opkomst van de mensport als liefhebberij.
De broers en zussen kwamen voor verjaardagen traditioneel bijeen in het ouderlijk huis in Leusden. Dan had de familie schik en maakte graag plezier. In 1963, als de familie afscheid neemt van Jachtlust houdt de oudste Ipenburg, Hendrik Cornelis, een emotionele toespraak over het afsluiten van de honderdjarige familiegeschiedenis op die plek.

Acacialaan in Doorn
Aan de Acacialaan in Doorn is Hendrik Schouten (1852-1933) de vierde generatie die er het vak van wagenmaker uitoefent. Aan het einde van de achttiende eeuw, ten tijde van de Bataafse republiek, was zijn overgrootvader er neergestreken.


Opregte Haarlemsche Courant 22-4-1864.

Hendrik trouwt in 1885 met winkeliersdochter Willemina Adriana van Setten; het stel zal kinderloos blijven. Als vanouds gevestigde naam in Doorn hebben de Schoutens als wagenmaker een unieke klantenkring opgebouwd. Veel meer nog dan in Leusden draait het hier om de rijtuigen van de buitenplaatsen, zo’n 32 in totaal.


De administratie die Hendrik bijhoudt geeft een uitstekend inzicht in de klantenkring en het werk, zoals voor de douairière Labouchère, geboren Van Lennep, die op het huis Doorn over een uitgebreid koetshuis beschikt: coupé, victoria, landauer, omnibus, jachtwagen, coureuse, break en dogcart. In 1890 komt de wagenmaker er 24 keer op bezoek voor uiteenlopende klussen als het smeren van de wielen, het maken van nieuwe leren schijven voor de assen, het maken van stelen voor de aardappelhak, bezems en bijltjes. Ingewikkelder zijn het opnieuw afhangen van de portieren en uit elkaar halen van de veerbladen van de coupé. Totaalbedrag aan het einde van dat jaar te betalen ƒ 165,80. De douairière is een van de belangrijkste principalen. Onder de 37 klanten in 1890 is ook jonkheer mr. Rijnhard de Beaufort, gemeenteraadslid in Doorn, voor wie de wagenmaker om de haverklap een spanzaag moet vijlen (in 1900 dertien keer), de leertjes op klompen zet en kruiwagens aan het rollen houdt. De Beaufort gebruikt zijn twee jachtwagens en de breack intensiever dan bijvoorbeeld een coupé en de omnibus, getuige het aantal smeerbeurten. De afspraak is dat Hendrik Schouten om de zoveel tijd langskomt. In een jaar doet hij op de fiets een groot deel van de grote buitenplaatsen in de omgeving van met name Doorn aan.
Bankier Hendrik van Eeghen van de buitenplaats Aardenburg in Doorn, Cornelis Kneppelhout van de Sterkenburg, de gravin van Lynden van de Sandenburg, jonkheer mr. Van den Berch van Heemstede, d’Ablaing van Giessenburg, wonend op huize Moersbergen in Doorn, de politicus jonkheer Van Asch van Wijck van de buitenplaats Prattenburg in Rhenen en Jan Hendrik van Wickevoort Crommelin – de secretaris en thesaurier van prins Hendrik – van villa Mignon in Doorn zijn de beste klanten, met een royaal rijtuigenpark en vooral veel kleine klusjes om uit te besteden. Een nieuw bokkussen, rijtuigraampjes opnieuw met laken bekleden, lakleer om een lamoen maken. Opvallend is dat de dames, naast hun echtgenoten, apart klant zijn van de wagenmaker, zoals mevrouw Kneppelhout, mevrouw Van Eeghen en mevrouw Luden, die er blijkbaar hun eigen schema op nahielden om de coupé en de victoria te laten smeren. Of de dames blijven na het overlijden van hun echtgenoot gebruikmaken van dezelfde diensten, zoals de freule Van Loon-Borski die na het wegvallen van echtgenoot jonkheer Hendrik van Loon in 1901 als vanouds Schouten vraagt om de assen van de landauer en de victoria van de buitenplaats Hydepark driemaandelijks te smeren.
In de praktijk zal het eerder zo zijn dat het de koetsiers van de respectievelijke heren en dames zijn die een beroep doen op Schouten. Hooguit komt mijnheer of mevrouw eventjes halverwege het werk een kijkje nemen, voor een kop koffie hoeft de wagenmaker niet bij hen aan de voordeur te komen. Hij blijft downstairs. Op kasteel Amerongen bijvoorbeeld, de woonstede van Godard graaf van Aldenburg Bentinck, waar koetsier Carl Bock, broer van een eerste koetsier van kasteel Middachten, de scepter in het koetshuis zwaait. Hij geeft in 1891 opdracht aan Hendrik Schouten om de victoria voor in totaal tweehonderd gulden te reviseren. Om een idee te geven over het gebruik: na negen jaar, in 1900, heeft dezelfde victoria opnieuw roestvorming op de veerbladen en wat andere kleine mankementen om te verhelpen, terwijl dan de coupé toe is aan een ‘grote beurt’ voor ƒ 235,-. Kleine klusjes weet koetsier Bock altijd wel te vinden, zoals in 1911 ‘verlakt leder doorgestikt onder de paddestoelen’ van de coupé. Naast het materiaal brengt Hendrik Schouten twee en een half uur arbeidsloon in rekening, ƒ 1,55. Ter vergelijking: een knecht verdient in die jaren negen gulden in de week. De tijd om heen en terug naar de klant te fietsen rekent hij niet, de afstanden van twintig tot veertig kilometer op een dag zijn ongetwijfeld verstandig gepland.

Cees en de freules
In 1910 mag de 26-jarige Cees Ipenburg de wagenmakerij van de 63-jarige Hendrik Schouten overnemen. Zijn vader Cornelis onderhandelt met Schouten in diens moestuin, terwijl Schouten onverstoorbaar doorgaat met het plukken van de bonen, althans zo gaat het verhaal. De twee kennen elkaar maar al te goed, want hun werkgebieden liggen naast elkaar. Het waren min of meer concurrenten. Maar nu draagt Schouten, bij gebrek aan een zoon die hem opvolgt, zijn eenmanszaakje over. Met die zekerheid van bestaan treedt Cees nog dat jaar in het huwelijk met de twee jaar oudere timmermansdochter Wilhelmina Wassink. Cees blijkt een prima vakman die alleen in zes weken een complete boerenwagen kan bouwen. En hij weet het vertrouwen van Schoutens klanten te winnen. Graaf van Lynden van de Sandenburg bijvoorbeeld, met vier rijtuigen in onderhoud. Of de freule Hooft, die op de Woudenbergse buitenplaats Geerestein zes rijtuigen heeft om te smeren. In 1911, elf jaar nadat Schouten dit heeft gedaan, reviseert junior de coupé van Amerongen opnieuw voor ƒ 160,- en zijn wederom de lakleren rondjes onder de paddenstoelen aan vervanging toe.
Kasteel Maarsbergen staat als een van de eerste klanten opgeschreven in het grootboek van 1911: een opstap verzet en twee nieuwe spoorstokken voor de jachtbrik gemaakt, tot driemaal toe reparaties uitgevoerd aan ‘het wagentje van de jonkheer’ (ook wel ‘de Amerikaan’) en er een gehele nieuwe zitting met gebogen rugleuning op gemaakt, groot onderhoud aan de landaulette en de spatborden van de victoria opnieuw bevestigd. Cees is dat jaar dertien keer op Maarsbergen geweest en brengt ƒ 165,20 in rekening, die hij echter pas in november het volgend jaar betaald krijgt. Overigens stelt jonkheer Godin de Beaufort zijn wagentje zwaar op de proef; als huzaar rijdt hij dagelijks in vliegende vaart over de straatstenen van en naar de kazerne in Amersfoort. Het volgend jaar mag Cees er nieuwe wielen en nieuwe assen onder zetten, en een nieuw gebogen lamoen met spoorstok voor maken. In feite heeft hij het wagentje in twee jaar tijd geheel nieuw gebouwd.


Het wagentje van Godin de Beaufort voor kasteel Maarsbergen.

Op kasteel Moersbergen, waar juffrouw Luden woont, duwt Cees ter plekke een gummiband weer vast in het profiel van een wiel, haalt hij de ‘winterruiten’ uit de jachtwagen om hem voor de zomer in orde te maken, en reviseert de jachtwagen en brengt die vervolgens weer in winteruitvoering. Deze ‘jachtwagen’ zal een brikje zijn. Een andere mejuffrouw Luden woont op Den Hirtler in Doorn en heeft drie rijtuigen om voor te zorgen: ƒ 12,90 op jaarbasis, prompt binnen twee maanden voldaan.
In het eerste jaar heeft Cees ook werk aan de automobielen in het dorp. In de auto van baron Van Hogendorp maakt hij een ruit draaibaar met koperen scharnieren, en hij repareert de ‘spatvleugels’ van de auto van burgemeester Schimmelpenninck. De namen van de klanten – jonkheren en freules – klinken als een klok, maar het werk is niet altijd overweldigend. Reparatie aan het wiel van een reiziger, een dwarsligger in het onderstel van een wasmachine, twintig cent voor een oude steel in een schop gezet, met nieuwe kruk. Op Heidepark (nu op z’n Nederlands geschreven) mag Ipenburg een kruiwagenwiel maken, een ander zit om twee dorsvlegels verlegen en Gerritsen de bloemist wil een rek op zijn handkar gemaakt. Mijnheer Kooij op landgoed Beukenrode betaalt veertig gulden voor de kuipkar voor z’n planten, terwijl Van Eeghen op de Aardenburg vooral stelen aan gieremmers, schoppen en bijlen wil, dubbeltjeswerk. Tot de trouwste klanten horen melkboeren, bakkers en kruideniers, hotel Lagerweij en stalhouderij Van Brummelen. De gemeente Doorn laat ’s zomers frequent de sproeikarren smeren of iets aan de brandspuit doen, en de gemeente draait op voor de kosten van het herstel van woonwagens van rondtrekkende kermisreizigers: in 1911 drie keer. In de werkplaats helpen twee knechten uit Nijkerk die dagelijks op en neer fietsen: een volle werkdag en tweemaal 26 kilometer.
Cees maakt de opkomst van de auto mee en tegelijkertijd de afschaffing van de equipages voor het particulier vervoer. In mei 1913 doet hij zijn eerste handeltje op de buitenplaats Beukenstein in Driebergen en schrijft op: “Rijtuigen en tuigen door mij en vader gekocht bij Neervoort van de Poll voor ƒ 900,-.” Van Beukenstein halen ze vier rijtuigen op, waaronder een victoria en de coupé. Cees betaalt van dit bedrag 390,-, zijn vader Cornelis 510,-, en ze verkopen vrijwel gelijk de coupé door voor 300,-, een zwart eenspantuig voor 100,-, een ‘geel’ dogcart-tuig voor 70,-, een wagenwip met dekken voor een tientje, totaal ƒ 480,-. Cees noteert ook: “gaat af voor advertentie ƒ 15,-”; de opbrengsten zijn samen gedeeld. Aardig weetje: de wagenwip had Cees twee jaar eerder nieuw geleverd aan de bewoner van Beukenstein, Jacob Neervoort van de Poll, entomoloog en vicepresident van Artis, voor vijftien gulden. “Wegens afschaffing te koop prachtige victoria op gummi (fabr. Hermans, den Haag), te bevragen bij C. Ipenburg Doorn”, adverteert Cees nogmaals in 1916.
In de Eerste Wereldoorlog doet Cees een klein beetje zaken met zijn broer Hendrik in Amersfoort, die hem op zijn beurt voordelig aan kaas en tabak helpt. Maar terwijl op Aardenburg de victoria nog gesmeerd dient te worden en ook op Maarsbergen de rijtuigen in gebruik blijven, gaat de uitverkoop van de koetshuizen gestaag door. Grote klussen zoals voor ƒ 225,- aan de wagonette van Amerongen komen minder vaak voor.


Rekening voor kasteel Amerongen uit 1918.

Af en toe klopt een nieuwe klant aan. Voor industrieel Van Beuningen van het Maarsbergse Anderstein, die problemen heeft met een coupé en voor de nieuwe bewoner op Huize Doorn, de Duitse keizer in ballingschap, levert Cees een kistje wagensmeer af en repareert hij boerenwagenwielen en de lamoenboompjes van de ‘panier’ van de keizerin. Cees kan zeggen dat hij de steel heeft geleverd van de kloofhamer die de keizer hoogstpersoonlijk in handen heeft gehad.


Alles bij elkaar is het genoeg om in 1920 een nieuw huis te kunnen bouwen.

Met regelmaat helpen de broers en vader Ipenburg elkaar, zoals in 1925 wanneer Cees sparrenhout gaat halen op Amerongen. Hij transporteert het met vaders paard en laat het tot planken zagen. Het kost vier overnachtingen in Amerongen; vader en zoon delen de kosten. Houtinkopen is vanouds een familiebezigheid. Dan gaan de broers op de fiets naar Bunnik of naar de houtzagerij Damen in Langbroek. De oude Cornelis schiet de kosten voor. Het is een dagje uit, want vakanties zijn er niet.

Jurylid en boekenschrijver
Aan de Acacialaan nummer 10 lopen de zonen Cornelis (1914-1984) en Gerrard (1912-1994) als achtste generatie wagenmakers mee aan de hand van vader Cees (1884-1965). Ze leren het vak op de valreep, maken het als kind mee, want het werk aan de fraaie rijtuigen op de buitenplaatsen is dan al gedaan. Hun toekomst bestaat voornamelijk uit kruiwagens, schopstelen, reparaties aan een autodak of bakkerswagen en een klein beetje handel gedurende de Tweede Wereldoorlog. Een Utrechts wagentje (tentwagen) in 1943 ‘als nieuw’ voor ƒ 525,-, een kaasbrik ‘in besten staat’ voor ƒ 350,-. De twee broers houden de werkplaats open tot 1972.
Gerrard is in de jaren zeventig en tachtig betrokken bij een nieuwe opleving van het aangespannen rijden in Nederland. Liefhebbers zien hem als bron van kennis, en als jurylid en medeoprichter van De Stichtse Aanspanning krijgt Gerrard bekendheid. Hij schrijft in het boek Rijtuigen op het Spoor (1992) over zijn vader en zijn grootvader: “De dagen waren lang, in het bijzonder voor de baas met veel herenstallen in zijn klantenkring. Persoonlijk smeerde hij om de drie maanden de rijtuigen, stelde ze bij en controleerde ze. Hij, en hij alleen, droeg de verantwoording van de betrouwbaarheid van het hem toevertrouwde gerij. Thuis ging het werk onder toezicht van de oudste knecht door. De boekhouding deed hijzelf: de reparaties in het grote boek, het nieuwe werk in het kleine, zoals dat heette. De reparaties werden aangeboden op jaarrekening, het nieuwe werk ging gewoonlijk contant.”
Gerrard vertelt uit eigen ervaring in een interview in 1985: “Als men ergens onachtzaam mee is omgesprongen, dan is het wel met de victoria. Van veel victoria’s werden tweewielige buggy’s gebouwd. Victoria en coupés waren na de Tweede Wereldoorlog in de jaren vijftig praktisch onverkoopbaar. Honderden zijn er in die tijd gesloopt of verbrand. Ik moet zeggen dat men op de landauer wat zuiniger was. Men sloopte alleen de slechtste, maar ook landauers kwamen in prijs toen niet meer boven de 150 gulden uit. Een oude stalhouder zei mij eens: toen een ander ze weggooide, heb ik ze opgeraapt. En zo ging het inderdaad, het waren woorden die mijn vader ook gebruikte. Het ongelooflijke volgde: in het begin van de jaren zestig vlogen de prijzen omhoog en nu in de tachtiger jaren zijn coupés praktisch onbetaalbaar geworden.”
Als een van de laatste wagenmakers vindt Gerrard een leerling in Leo Kraaijenbrink, de koetsier van het ‘Friese vierspan’ die in 1978 een nieuwe rijtuigmakerij in het Friese Sint Nicolaasga opent. “Ik ken Leo van jongst af aan”, zegt Gerrard, die een tweede woning in Terwispel heeft en van daaruit regelmatig naar Leo gaat om hem les te geven. “Ik wist aan wie ik mijn kennis moest geven.” Soms gaat het om het maken van nieuwe spaken en velgdelen, soms moet er een nieuwe kap op of gaat het om kapotte spatborden. Leo Kraaijenbrink krijgt van zijn leermeester stapels mallen – de oudste zijn van 1830 – en zelfs een stuk duimstok met duimen in de Rijnlandse maat, omdat hij anders de mallen niet kan gebruiken. Bovendien neemt hij een voorraad assen, veerbladen en ander materiaal over van Ipenburg.

Als Kraaijenbrink in 1982 de eervolle opdracht krijgt van het Koninklijk Staldepartement om een statieberline onder handen te nemen, doet Gerrard het bieswerk met een zogenaamd slepertje van marterhaar. Een secuur werkje waar hij 120 uur voor nodig heeft. Het is een klus waar een Ipenburg vroeger alleen van kon dromen.
Gerrard leeft niet meer, Leo Kraaijenbrink is na twee verhuizingen met zijn werkplaats gestopt als rijtuigmaker, zijn erfenis van Ipenburg bleef achter op het Fries Paardencentrum in Drachten.

Bijzonder aan de wagenmakers Ipenburg is dat de debiteurenboeken van drie generaties bewaard zijn gebleven. De boeken van zijn voorvaderen uit Leusden zijn in bezit van Evert Ipenburg, die van Schouten en Cees Ipenburg van de bibliotheek van het Nationaal Rijtuigmuseum in Leek.
Meer dan een eeuw later, in 2023, valt er bijvoorbeeld uit te herleiden wat er aan de nog bewaard gebleven rijtuigen op de kastelen Maarsbergen en Amerongen origineel is en wat wanneer is gedaan. Hun levensverhaal is hiermee ten dele opgetekend. De boeken geven ook een beeld van welke aantallen en types rijtuigen op de buitenplaatsen van ’t Sticht rondreden, en er zijn interessante details in te lezen, zoals over een kokosmatje op de bok van een victoria. Het kan waardevolle informatie zijn voor verder onderzoek.
“De laatste van de familie is ondergetekende, zij het als hobbyist”, besluit Evert Ipenburg in Oss over de wagenmakers in zijn familie. Evert werkte als landmeter en rijtuigrestaurateur in deeltijd. Als jurylid deelde hij zijn kennis en tegenwoordig, 84 jaar oud, mogen liefhebbers nog altijd bij hem aankloppen voor advies.

Foto boven: Cees Ipenburg (2de van r.) in de werkplaats in Doorn, met links twee knechten die dagelijks op en neer fietsten naar Nijkerk, zijn dochtertje Wijmpje (geboren 1911). Foto gemaakt door Eduard Sanders.