Herman Fredrik Bultman (1865-1946) woont op de Hermanshoeve in Rijk, Haarlemmermeer, een landbouwbedrijf dat hij overnam van zijn gelijknamige vader ‘de baron’ Bultman. Vader maakte naam als politicus, boer, bestuurder van de nieuwbakken polder Haarlemmermeer en met de paarden. Vooral met dat laatste gaat de jonge Herman verder, van volbloed tot trekpaard. Hij rijdt met tuigpaarden en schrijft als correspondent over de sport. Maar Bultman is een lastig heerschap.

Op twintigjarige leeftijd laat Herman Bultman, 1,76 m lang, blauw van ogen, donkerbruin van haar en rond van gezicht, zich vervangen als dienstplichtig militair door ene Klaas Bakker. Hij hoefde dus niet zelf in dienst. Wie zich dat kan veroorloven koopt zo de dienstplicht af. Maar eigenlijk had de jonge Bultman ook een legitiem argument gehad om onder de dienstplicht uit te komen, wegens onmisbaarheid op het ouderlijk bedrijf.
Vader Bultman bouwde in 1854 de eerste boerderij van de drooggelegde polder, aan de Spaarnwouderweg, met de naam Eersteling. Maar wanneer die vader een halve eeuw later amper thuis kan zijn door zijn vele bestuursfuncties, van commissaris in de Nederlandsche Landbouwbank, lidmaatschap van de Eerste Kamer tot wethouder en dijkgraaf, heeft Herman junior als oudste zoon de verantwoording over het akkerbouwbedrijf en de levende have. Moeder was overleden toen Herman elf was. Van zijn twee jonge broers heeft er één, de dove Otto, alleen interesse in wielrennen en begint een fietsfabriek, de ander is kassier, terwijl zijn zussen evenmin in aanmerking komen als bedrijfsopvolger: een trouwt later een notaris, de ander een assuradeur. Dus wanneer in 1892 in Hoofddorp cholera uitbreekt en vader Bultman de Hermanshoeve openstelt als ziekenboeg voor de patiënten is het de jonge Herman die het mag regelen.
Ondanks die verantwoordelijkheid op jonge leeftijd heeft hij tijd genoeg om de rest van zijn leven vooral met paarden bezig te zijn. Niet alleen als jockey op de volbloeden van zijn vader. In de jaren 1890 verschijnt Bultman junior met tuigpaarden op de -voor die tijd nieuwe- concoursen hippique. Dat is succesvol. In 1893 bijvoorbeeld in de tweespanrubriek te Amsterdam, een overwinning met Aurora en Lady of the Lake, twee paarden die op andere momenten voor een sulky op de drafbeen verschijnen. De disciplines van draf- en tuigpaardensport zijn in die dagen qua fokkerij nog niet gescheiden. De Bultmans zijn daarbij ook niet trouw aan één type paard of herkomst, want vier jaar later is het een span Hongaarse vossen dat naar het concours hippique in Zaandam gaat.

Duelleren met pistool
Hij mag dan wel niet in dienst zijn geweest, Bultman ontmoet veel officieren op de renbaan. Zo is daar de eerste luitenant der huzaren Johan Maria Henri ten Kate. Bultman heeft een oogje op de verloofde van Ten Kate, Johanna Korthals. De twee gaan een gesprek aan over hun rivaliteit, op 23 januari 1895 in Ten Kates woning te Amersfoort, volgens Bultman onder voorwaarde dat het besprokene niet met anderen zal worden gedeeld. Wanneer Ten Kate dat toch doet stuurt Bultman hem een beledigende brief, waarin hij ook dreigt Ten Kates aanstaande huwelijk te verstoren. Ten Kate eist daarvoor excuses, maar Bultman weigert die te maken. Ten Kate neemt daarop twee secondanten in de arm, jhr. L.R. Ram en E.W. baron van der Capellen, beiden luitenant, die in mei 1895 Bultman verzoeken ook twee secondanten te benoemen om een pistoolduel te arrangeren. Met de benoeming van dat tweetal maakt de uitgedaagde geen haast. Hij vindt baron van Pallandt bereid hem als secondant van dienst te zijn, maar een andere door hem beoogde kandidaat, zijn buurman in Haarlemmermeer, Van Wickevoort Crommelin, weigert. Intussen is het geduld van Ten Kate c.s. opgeraakt. De chicanes van Bultman moe laat Ten Kate de zaak onderzoeken door een ereraad van officieren, die hem volledig in het gelijk stelt. De raad ziet echter geen reden voor een duel omdat Ten Kates eer niet door Bultmans laster is aangetast. Gedekt door die uitspraak kan Ten Kate weigeren om met Bultman te duelleren zonder gezichtsverlies tegenover zijn mede-officieren te lijden. Bultman haalt vervolgens zijn gram door Ten Kate aan te vallen in een brochure met een oplage van tweehonderdvijftig exemplaren, die hij in juli 1895 onder andere laat verspreiden onder cavalerie-officieren. In de brochure beschuldigt hij Ten Kate van woordbreuk en lafheid: hij zou zich op onwaardige wijze aan een duel hebben onttrokken. Daarop spant Ten Kate een proces wegens smaad tegen hem aan, hier in bijgestaan door een andere paardenliefhebber, mr. Dentz van Schaick. Bultman wordt op 26 maart 1896 door de arrondissementsrechtbank te Haarlem wegens smaadschrift veroordeeld tot een maand gevangenis, maar laat het er niet bij zitten. Hij blijft doorprocederen totdat de Hoge Raad uiteindelijk de zaak laat afdoen door het gerechtshof in Den Haag, dat op 8 januari 1897 de eerder door het gerechtshof in Amsterdam opgelegde straf bevestigt: een boete van driehonderd gulden, subsidiair een maand gevangenis.

Klap met wandelstok
In mei 1897 raakt Bultman opnieuw verwikkeld in een schandaal. Zijn tegenstander is ditmaal iemand die in krantenberichten wordt aangeduid als luitenant B., een vriend van Ten Kate. Tijdens een circusvoorstelling in Amsterdam zet iemand per ongeluk zijn wandelstok op de voet van een andere bezoeker. Die slaat boos de stok weg waardoor deze per ongeluk luitenant B. raakt. Omdat Bultman dichtbij luitenant B. stond dacht deze dat Bultman hem een tik had gegeven. Hij slaat Bultman met zijn wandelstok zo hard op het hoofd dat er bloed uit diens ogen en neus kwam. Er worden visitekaartjes uitgewisseld
en de volgende dag kloppen Bultmans secondanten, de eerder genoemde baron van Pallandt en Van Wickevoort Crommelin (ditmaal wel van de partij), bij luitenant B. aan om genoegdoening te eisen. Wanneer luitenant B. daar niet op in wil gaan gaat Bultman zelf naar Amersfoort om hem tot een duel te provoceren, maar de luitenant laat zich niet uit de tent lokken. Dat had een duel met het zwaard kunnen zijn; eerder in april nog, had Bultman het predicaat ‘meester op de sabel’ uitgereikt gekregen door de Nederlandsche Schermbond.
Door de aanvaringen met Ten Kate en luitenant B. raakt zijn reputatie zwaar beschadigd. Een paar maanden na het incident in het circus ontneemt een ereraad van de Nederlandse Harddraverij- en Renvereniging hem voor de rest van het jaar zijn vergunning als heer-rijder op de Nederlandse renbanen. Met die club zal Herman Bultman nog lang op gespannen voet blijven staan: in 1898 is hem zelfs de toegang tot de renbanen ontzegt en dreigt de politie in te grijpen, wanneer Bultman als toeschouwer langs de baan van Oud-Roozenburgh staat, en in 1899 houden ze Bultman’s paarden tegen bij de ingang van Clingendaal. Ditmaal is het een diskwalificatie voor vier jaar, vanwege een licht te bevonden jockey die voor Bultman reed.

Bij de Cruqius
Bultman zit zelf inmiddels al jaren niet meer op een paard, alleen nog erachter, en heeft Engelse jockey’s in een zilvergrijze buis -zijn stalkleur- op de renpaarden zitten. Maar de besnorde landbouwer wedt niet op één paard. Hij heeft dekhengsten op stal, haalt koudbloedhengsten uit België, warmbloeden uit Duitsland en importeert hackney’s en volbloeden uit Engeland en Frankrijk. Die bezigheid kost flink geld, merkt vader Bultman onder wiens gezag het allemaal gebeurt. In 1901 gaat 46 hectare landbouwgrond in de verkoop voor 54.000,- gulden. Dat geld is welkom voor de bouw van nieuwe stallen, twee jaar later, bij de boerderij aan de IJweg. En de jonge Bultman mag dan een scherp oog hebben voor de aankoop van kampioenen, zoals in iedere stal gaat ook hier wel ‘ns iets mis. “Donderdag sloeg op den Meerweg een paard van den heer Bultman te Haarlemmermeer, bespannen voor een sulky op hol, beschadigde een paar popelen-boomen en kwam zoodanig met de brugleuning van de Cruquius in aanraking, dat het voertuig door midden brak; eenige meters verder viel ook het paard. Persoonlijke ongelukken hadden niet plaats.” (Haarlem’s Dagblad 18-6-1904). Dat is geen schande.

Met de dienstmeid
Wel een schande was de affaire die Bultman zou hebben gehad met een boerendochter uit de polder, iets dat naar bovenkwam in de smaadzaak Ten Kate. Bultman is nooit op stand gehuwd. Niet lang na het overlijden van zijn vader in 1907 trekt de negentien jaar jongere dienstmeid Tiebechien Hillegonda Jacoba Elisabeth Wessels (1884-1963) bij hem in en ze krijgen een relatie; tegen de tijd dat Herman zelf overlijdt zijn ze met elkaar getrouwd, maar kinderen zijn er nooit van gekomen. Bultman’s ‘schoonvader’ is een klein keuterboertje in de Haarlemmermeer die twee koeien melkt. Een welgestelde herenboer als officieuze schoonzoon helpt hem echter niets, wanneer deze Johannes Cornelis Wessels in 1912, ondanks de uitvoerige getuigenverklaringen die zijn schuld weerspreken, een week in de cel belandt wegens het aanlengen van de melk met water.
Herman heeft onderwijl zijn eigen luxeproblemen, want hij was dan voorbestemd om als bedrijfsopvolger op de Hermanshoeve te komen, na het overlijden van zijn vader ontkomt hij er niet aan om het herenhuis, vijf arbeiderswoningen en de nog resterende 55 hectare grond uit de erfenis te kopen. Voor 71.250,- gulden bij elkaar, waar zijn eigen erfdeel vanaf ging. Herman komt van een publieke veiling af door onderling te schikken met zijn broers en zussen, en de verkoop van 7,5 hectare plus een boerderij.

Helft van het geld
Terwijl Stal Bultman nog volop in de rensport zit, gaat ook de rest van het paardenbedrijf verder. Bijvoorbeeld met de aankoop van de bruine Maitrank voor ƒ 2.700,-. Bultman is één van de drie commissieleden die in opdracht van het Rijk twee hengsten in het buitenland mag halen ter bevordering van de fokkerij in Noord-Holland, met als doel de hengsten vervolgens te verkopen aan fokkers in die provincie. Zo is Maitrank in 1910 als vijfjarige in Duitsland door commissielid Bultman aankocht voor de lieve som van ƒ 5.400,- en vervolgens aan hengstenhouder Bultman doorverkocht voor de helft van het geld. Bovendien kreeg hij voor die aankoop 400,- Rijkspremie toegekend, een subsidie door de staat ter verbetering van het landbouwpaard. Er is niemand die publiekelijk de vraag stelt of hier sprake is van belangenverstrengeling. Maitrank haalt later dat jaar de tweede plaats bij de dekhengsten ‘zwaar wagenslag’ op het nationale concours hippique Houtrust in Den Haag. In de vijf jaar die volgen verdient het dier zijn geld terug aan premies en dekgelden.
Een dekstation met drie tot vijf goedgekeurde hengsten is een gereguleerde zaak. Dat merkt Bultman in 1912 na het krijgen van een dagvaarding wegens het houden van een afgekeurde hengst ‘terwijl op hetzelfde erf goedgekeurde hengsten tegen betaling beschikbaar staan’. Die situatie werkt fraude -dat een merrie van een derde partij wordt gedekt door een afgekeurde hengst- in de hand en is illegaal. De districtsrechter veroordeelt hem, en een hoger beroep dat in Haarlem dient haalt niets uit. Het is de zoveelste verloren rechtszaak in het leven van Herman Fredrik Bultman Hzn.

Kranige zwarten
Door het in 1911 ingevoerde totalisatorverbod is het plezier voor Bultman op de renbanen er een beetje vanaf. Vanaf die tijd gaat hij vooral voor de tuigpaardensport. Met ‘kranige zwarten’ doet hij mee in rubrieken voor landbouwers, maar dat is hem al snel niet genoeg. Hij werkt zich in de schijnwerpers met de aanschaf van een mailcoach om met een vierspan (de zwarte merries Black Diamond, Koningin, Lieveling en Hulka) in de ring te verschijnen. De primeur van de mailcoach kreeg het concours hippique in Hoofddorp, 1916. Bultman en mejuffrouw Kuys, dochter van een paardenhandelaar uit ’s-Gravenhage, komen ter opluistering met beide een coach in de ring. In de jaren tussen de wereldoorlogen reist Bultman werkelijk stad en land af met zijn tuigpaarden. Hij is een graag geziene gast omdat hij een vierspan en een coach meebrengt, iets dat publiek trekt. Zo verschijnt Bultman ‘ter opluistering’ op onder andere de concoursen in Leeuwarden, Hoofddorp, Amstelveen, Den Haag, Enschede, Zwolle, Scheemda, Apeldoorn en Arnhem.
De Eerste Wereldoorlog heeft een wijze les opgeleverd voor de paardenfokkers. In 1923 roert Bultman zich daarom in de vereniging Het Legerpaard, die tot doel heeft om landbouwers een paard te laten fokken dat geschikt is voor de artillerie en mogelijk de cavalerie, zonder de bruikbaarheid in het landbouwbedrijf uit het oog te verliezen. De Oldenburger voldoet niet voor dit doel, zo vinden de fokkers, omdat dit paard te weinig bloed bezit. De Oldenburger is te zwaar en te traag. Het is koren op de molen van volbloedliefhebber Bultman. Naast wat vlottere landbouwtuigpaarden is hij bezig met hackney’s. Capenor Victor en Visey Ophelia in het tandem bijvoorbeeld. Of die twee met Violet en Black Diamond of Tiptop in het vierspan.

Ik Eerst en Hiep Hiep Hoera
Dagblad De Telegraaf slaat in 1924 op de trom dat Bultman af zal reizen naar het internationale concours in Berlijn. Daar neemt een zware Nederlandse ruiterafvaardiging deel, waaronder ritmeester Labouchére, luitenant Pahud de Mortagnes en barones Wethern. Maar de tuigpaardrijders laten verstek gaan: “Aanvankelijk hadden ook de heeren Baron van Brakell en H.F. Bultman het plan om met paarden aldaar uit te komen, maar de enorme onkosten, de groote deelname en de hooge eischen aan de paarden gesteld op een geheel onbekend terrein voor onze dieren, deden hen van dit voornemen afzien.” (De Paardenwereld 6-11-1924). In Berlijn hadden de heren een andere show zullen rijden, dan ze gewend zijn: een heuse marathon voor vierspannen in plaats van showrondjes op het gras. Dat is een reden om thuis te blijven en de centen spelen mee.
In datzelfde jaar 1924 zet Herman Bultman “Wegens overvulling van zijne stallen” negentien van zijn beste paarden te koop, waaronder acht uit Engeland geïmporteerde hackney’s als de vosruinen Forester en Capenor Victor, en tuigpaarden met grappige namen als Ik Eerst, Hiep Hiep Hoera en Lieveling. Alle tuigpaarden zijn mak in de stad en op landbouwwegen, van enkelspan tot tandem, alsmede voor ploeg, eg en boerenwagen. “De aanbieding geschiedt omdat ik door te veel paarden te koopen die mij bekoorden, paarden overcompleet heb, en wel iets wil verkopen.” (De Paardenwereld 31-1-1924) De vos Capenor Victor staat bovenaan het verkooplijstje, maar is gelukkig niet verkocht, want van dit paard gaat Bultman nog veel plezier beleven. Hij blijkt de ideale match te zijn met Bingley Victor achterop in het tandem. En die op zijn beurt ook met Tudor Emperor.

Op naar Dortmund
Het gaat niet altijd goed. In Appingedam 1925 schrijft Bultman in met twee tandems, waarvan een wint en de ander een ongelukje krijgt: “International en Newton Report van Stal Bultman raakten bij het aanspannen van het tandem los en gingen op hol. Toen ze op den hoofdweg kwamen konden ze de draai niet nemen en kwamen met de dogcart in de sloot, zonder nadeelige gevolgen voor de paarden, daar ze nog in het nummer spannen den 3en prijs behaalden.” Maar veelal zijn het eclatante overwinningen die de stal uit Haarlemmermeer boekt.
In november 1927, een jaar waarin Bultman ƒ 4.000,- aan prijzengeld bij elkaar wint en een veelvoud aan treinreizen spendeert, reist hij met zes paarden naar het concours in Dortmund, waarvan er twee ter plaatse worden verkocht. Het blad Paard en Paardenwereld is lyrisch over de prestaties in het internationale deelnemersveld en citeert volop de lof-uitingen in kranten. “De Dortm. Zeitung vertolkte de gevoelens van de talrijke bezoekers van het Concours-Hippique als volgt: De heer Bultman uit Holland was met Bingley Victor de held van den dag. Het leek wel alsof de vos van alle moeilijkheden bevrijd was. Zijn gangen waren fabelachtig. Het groote terrein scheen voor hem bijna te klein om zich in zijn geheele heerlijkheid te kunnen laten zien”, en zo gaat het bericht nog een paar alinea’s door. Als laatste zinnetje eindigt het met: “De heer H.F. Bultman is thans vaste medewerker geworden van Paard en Paardenwereld. Red.” Paard en Paardenwereld blaast op de loftrompet om hun nieuwe medewerker gelijk op een voetstuk te zetten. In ieder geval heeft het blad een zwaargewicht in het team opgenomen. En dat zullen de lezers weten.
Bultman schrijft met tomeloze energie opiniestukken die niets en niemand ontzien. Hij heeft een scherpe mening over andere concoursrijders als concurrent Van de Haar uit Zeist, fokkers en organisaties en vindt zichzelf het beste voorbeeld geven. Nog met de vereniging Het Legerpaard in zijn achterhoofd, schiet hij met scherp op andere stamboeken: “In allen ernst komt het mij voor dat de heeren, die zoo in de weer zijn om de boeren luxe-tuigpaarden te laten fokken, voor die paarden stamboeken op te richten en den regeringssteun (ten koste van de tegenwoordige) over te brengen op de luxe-tuigpaarden, het beste de paardenfokkerij zouden dienen als zij een voorbeeld namen aan den persoon bovenbedoeld, die voorstelde om houten ploegen te produceeren, terwijl bijna alleen nog ijzeren ploegen te verkoopen zijn.” (P. en Pw. 5-1-1928).

Vastberadenheid
Zijn inbreng levert vrijwel altijd net zulke felle tegenreacties op: “Geachte Redactie, Waar gij twee argumentlooze stukken van den heer Bultman in uw laatste nummer opneemt, acht ik het met het oog op eene betrouwbare voorlichting uwer lezers wel gewenscht iets in het midden te brengen. Ware het den heer Bultman alleen, doch de door hem gebruikte woorden, raddraaiers b.v., en de persoonlijke aanval op den heer Zonnevylle zouden voldoende redenen zijn om hem links te laten liggen.” (P en Pw 2-2-1928)
Ondertussen is Bultman eind 1927 qua woonadres verhuisd van de Hermanshoeve naar de Binnenweg 69 in Heemstede. Wat hem siert is zijn vastberadenheid, niet alleen als schrijver van pittige stukken, ook op het concoursveld. Zo laat hij zich niet van het Duitse concoursveld slaan door zijn geschil met Benno von Achenbach. In 1932 en 1933 neemt hij deel aan het prestigieuze concours in Aken. Maar Bultman komt op leeftijd. Wanneer de coach in 1935 op het concours hippique in Amsterdam verschijnt, is het voor de gelegenheid door Fred Marsman, manager van de Greyholme Stable in Amerika, die het vierspan naar de allerlaatste overwinning stuurt. Zeven vierspannen komen dan in de ring, waarvan vijf met coaches: van de firma Boekhout uit Arnhem (2de prijs), Jacques Rijks uit Nijmegen (3de), de gebroeders Van der Lans die met de coach van Den Haag naar Amsterdam zijn gereden voor de 4de prijs, mevrouw (!) Van Delden uit Amsterdam (5de).

Boodschap galmt door
1938 is het laatste jaar dat de 78-jarige Bultman zelf in de ring verschijnt. Hij heeft dan nog aan de negentienjarige Capenor Victor, Bingley Victor en de hackney Belle et Bonne, en de trekpaardschimmelhengst Sudolvo. De bejaarde Bultman en zijn Tiebechientje verhuizen in 1940 naar de dr. P. Cuyperslaan 25 in Heemstede. En dan is het gebeurd. “Na langdurig lijden is met hem een groot hippoloog heengegaan”, aldus Paardensport en Fokkerij (23-5-1946). Aan het graf staan maar weinig paardenmensen: mejuffrouw E.C. Kuys, De Greef, een bevriende tuigpaardrijder die het ‘tweede’ tandem of vierspan in de ring voor Bultman uitbracht, en de familie De Vlieger uit de drafwereld.
Ondanks dat schrale eerbetoon galmen zijn boodschappen nog door na zijn dood, zoals in een commentaar in het weekblad Paardensport en Fokkerij (20-2-1947): “Een andere reden is het wijd en zijd verspreid gevoelen, dat bloed het werken op jeugdigen leeftijd in den weg staat en dat minder veredelde dieren daartoe beter in staat zijn. Dit beweren berust echter geheel op dwalingen en op 3-jarigen leeftijd kunnen halfbloeds even goed hun kost verdienen als andere; zij deden op dien leeftijd het werk voor eg en ploeg mede op vrij zwaar land. De heer Bultman, eender pioniers op het gebied der fokkerij van paarden met bloed liet al zijn landwerk door volbloedmerriën verrichten, waarvoor ze geschikt bleken en waarmede die fokker zonder twijfel het voordeel verkreeg van zijn bloedmerriën kalmer en minder zenuwachtig te maken, hetgeen van gunstige terugwerking op de verkregen veulens bleek. Wanneer dit inzicht meer verspreid werd onder de landbouwers, zouden ze daarmee hun voordeel kunnen doen door van lieverlede meer bloed in hun paardenstapel te brengen.”
Voor de Hermanshoeve valt het doek in 1958 bij de aanleg van Schiphol, waarvoor de erven hoeve en landerijen overdragen aan de staat. Wat rest is het uitzicht op het landen en het opstijgen van vliegtuigen.

Tekst: ‘Galerij van Nederlandse en op Nederlands grondgebied verblijvende buitenlandse duellisten, uitdagers en duelweigeraars’ door Ignaz Matthey (2020)

Voor de liefhebbers: lees verder onder de foto’s!

 
De Hermanshoeve in Haarlemmermeer, voorzijde en aan de achterzijde van de Hermanshoeve met rechts de nieuwgebouwde stallen (foto’s Jan Wies)


De vijfjarige, bruine dekhengst Maitrank is in 1910 in Duitsland aankocht voor de lieve som van ƒ 5.400,-
en vervolgens aan hengstenhouder Bultman doorverkocht voor de helft van het geld.

 
Links: de 70-jarige in 1930 op het concours Houtrust in Den Haag. Rechts: met vijf in Hoofddorp 1917.

Von Achenbach vs Bultman

Wanneer de Nederlander Herman Bultman op het concours hippique in Dortmund, november 1928, in de tandemrubriek als tweede eindigt, zint hem dat niet. Terwijl de paarden nog staan aangespannen, vraagt hij om commentaar bij het hoofd van de jury, Benno von Achenbach. Die wijst hem op zes foutjes. Na zijn optreden in Dortmund heeft het Nederlandse blad Paard en Paardenwereld Bultman met applaus binnengehaald als correspondent en daar maakt de beste man gelijk gebruik van. In een paginagroot artikel maakt Bultman de oud-stalmeester van de Duitse keizer zo ongeveer met de grond gelijk. Die slaat hem daarop met zijn eigen woorden om de oren. De discussie is om twee redenen interessant: vanuit de techniek van rijden en aanspannen, en het weerspiegelt waarom de tuigpaardensport in Nederland zo anders is ontwikkeld, dan die in Duitsland.

Na het concours in Dortmund heeft de redactie van ‘Paard en Paardenwereld’ Herman Bultman binnengehaald als medewerker en geeft hem gelijk een kans om zijn mening te ventileren. Bultman is het niet eens met zijn plaatsing met het tandem in Dortmund en schrijft: “Om te hooren welke ‘kleine fouten’ dit waren, werd door mij buiten de arena gewacht op den heer Von Achenbach, die mij dit dan zoude vertellen, nadat Z.Ed. zich hiertoe had bereid verklaard. De paarden stonden nog voor het rijtuig geheel ingespannen, zooals zij hadden deelgenomen. De heer Von Achenbach meende te hebben ontdekt de navolgende kleine fouten. Volgens den heer Von Achenbach had het achterpaard met een riem over het kruis aan beide boomen van het rijtuig bevestigd moeten zijn ingespannen, omdat, wanneer een overigens mak paard eens mocht schrikken, deze riem zoude beletten dat het paard kon slaan. Hiermede kon ik niet accoord gaan. Aan het tandemrijtuig was een rem en daarom reeds is het een fout als achtertuig (broek) wordt gebruikt. Voor het geval een paard uit kwaadaardigheid slaat, kan een slagriem goed zijn, doch een doodmak paard, dat nooit slaat of geslagen heeft, met een slagriem in te spannen, is iets wat m.i. foutief is. De riem over het kruis, die Von Achenbach wil aanbrengen, is helemaal verkeerd: a.) omdat het paard, bij eenigszins krachtig slaan, zeker door den enkelen riem over het kruis heenslaat en stukken maakt; b.) omdat, als een mak paard ééns schrikt en een klap geeft zonder dat het paard dan voelt dat het van achteren vastzit, weer doorloopt, als de oorzaak van het schrikken voorbij is, alsof er niets gebeurd was. Schrikt echter een doodmak paard en volgt hierop een klap, waarna het paard dan voelt, dat het van achteren door een riem over het kruis vastzit, dan is het gevaar niet denkbeeldig, dat het overigens makke, doch door den schrik eenigszins zenuwachtige dier, voelende dat de achterhand vastgehouden wordt, juist daarom begint te slaan. Het middel van Von Achenbach, om een mak paard, als het schrikt, dooreen eenvoudige riem over het kruis het slaan te beletten, wordt door mij aangezien als een geneesmiddel erger dan de kwaal.”

Groot gareel, grote oogkleppen
“Tweede kleine fout volgens Von Achenbach aan mijn tandem. Met een tweewielig rijtuig is het nodig, dat de bomen vrij liggen in de grote ronde lichtogen van het schoft, de bomen speling hebben. Laat men nu de onderste buikriem geheel los van begin tot einde, dan loopt het rijtuig te los en schiet te ver door bij ophouden. Daarom loopt bij mijne tuigen de onderste buikriem aan beide zijden van het schofttuig door een koperen ring. Het rijtuig schudt dan minder en de rijder kan zijne handen stiller houden. Ook dit rekende de heer Von Achenbach echter als een fout. “
“Derde kleine fout. De oogkleppen van mijne hoofdstellen vond de heer Von Achenbach te klein, omdat… als een paard een groot hoofd heeft, grote oogkleppen het grote hoofd enigszins verbergen. Daarom achtte de heer Von Achenbach het een foutje, als een paard met een klein of normaal hoofd geen grote oogkleppen aan zijn hoofdstel heeft!”
“Vierde kleine fout. Het gareel van het achterpaard was te klein. De heer Von Achenbach zegt, dat een gareel zoo groot moet zijn, dat men gemakkelijk de hand doorsteken kan (tussen het onderste gedeelte van het gareel en de luchtpijp. De heer Von Achenbach meet dus de maat van een gareel waar het gareel niet dient om te trekken, m.a.w. waar het gareel vrij ligt en het lichaam niet raakt. Ondergetekende meent echter niet alleen te staan in zijn oordeel, dat vóór alle dingen een paard een gareel moet worden opgelegd, dat zodanig is gemaakt, dat het dier daarin gemakkelijk trekt en zich beweegt. Daarom laten wij onze paarden trekken in garelen van verschillenden vorm, al naarmate de schouder rechter of Schuiner, de schoft hoger of lager, de hoekvorming van schouder en bovenarmbeen groter of kleiner is, het paard ronde of schonkige vormen heeft (z.g, voorboegig is, smal of breed in de boegen is) en of het paard lage of hoge actie heeft. Wij willen, dat het gareel zo stil mogelijk blijft liggen als het paard trekt en zich voortbeweegt, ook in zijne beste actie. Als het gareel zo precies past dat het blijft stilliggen, willen wij niet dat het gareel te lang is en dat zoals Von Achenbach nodig acht het gareel zo slecht past, dat wij nog de vlakke hand doorsteken kunnen tussen het onderste gedeelte van het gareel en de luchtpijp van het paard. De grote ruimte kan alleen nodig zijn bij een gareel, dat niet goed past en niet stil ligt. De blinde navolgers van het systeem-Von Achenbach rijden dan ook met garelen, die véél te groot zijn om er het paard makkelijk in te laten werken. Behalve te grote oogkleppen (waarop reeds is gewezen) en te grote garelen, wil de heer Von Achenbach ook te grote tuigen.”

Het ‘vorkje’
“Vijfde kleine fout. Zoals bekend, loopt het voorpaard bij een tandem in lange strengen en tamelijk wel los. De rijder is daarom niet altijd in staat om te zorgen, dat deze lange, losse strengen strak blijven, zodat voorpaard of zelfs achterpaard de benen niet over de strengen zetten kan of de strengen over de rug van het voorpaard komen. Om hieraan tegemoet te komen, zijn reeds van heel vroeger jaren de voorpaarden van tandems ingespannen met een strengophouder. De strengophouders keurt Von Achenbach ook goed. In later jaren is uit Engeland tot Holland overgekomen het aanbrengen van een gevorkt riempje onder de buik van het voorpaard en aan de onderkant van de strengen bevestigd. Deze uitvinding is toch van grote waarde in de praktijk, want daardoor kunnen de strengen niet over den rug van het voorpaard glijden. De heer Von Achenbach achtte dit kleine riempje een… fout! In Engeland, Amerika, Holland of waar dan ook, ontbreken aan een correct ingespannen tandem nooit deze kleine lederen riemen.”
“Zesde kleine fout. In Duitschland wil men, dat ieder rijdt met een koetsier naast zich. En zo had ik ook een koetsier naast mij. Deze man droeg een kleine kortgeknipte snor. Dit vond de heer Von Achenbach een grote fout!”

Achterhaalde veearts
“leder, die heeft kennis genomen van de boven aangehaalde z.g. ‘kleine fouten’ zal met mij toestemmen, dat de genoemde ‘kleine fouten’ alleen in de verbeelding van den heer Von Achenbach bestonden. Mochten er nu nog lezers zijn die uit het medegedeelde de conclusie willen trekken dat de heer Von Achenbach fouten zocht en dus min sportman-like bedoelingen had, dan moet ik hiertegen waarschuwen. De gewaande ‘kleine fouten’ bestaan in werkelijkheid in het oog van den heer Von Achenbach, hoewel het helemaal geen fouten zijn, doch juist getuigen van correcte aanspanning. (…) Het gaat, dunkt mij, den heer Von Achenbach als een veearts, die reeds vele jaren geleden zijne studiën heeft beëindigd en die nu meent dat in al de latere jaren niets is aan het licht gekomen, waarmede rekening is te houden. Het systeem Von Achenbach is verouderd en ondeugdelijk: omdat met de verbeteringen in de laatste jaren betreffende inspannen en rijden van tuigpaarden geen rekening wordt gehouden; omdat de praktijk leert dat, om een paard tot de hoogst mogelijke prestaties te brengen, geen twee paarden geheel hetzelfde ingespannen, gereden, getraineerd en beslagen moeten worden, terwijl de heer Von Achenbach dit bij al zijne raadgevingen over het hoofd heeft gezien en voor alle paarden dezelfde inspanning, wijze van rijden en training aanbeveelt en de hoofdzaak, of een paard in evenwicht gaat (evenredige beweging van achter- en voorhand, waarbij het beslag een voorname rol speelt) niet voldoende tot den heer Von Achenbach is doorgedrongen.”

Te zware spider
“Voornemens zijnde om de stellingen binnenkort in het Duitsche weekblad Sankt Georg te verdedigen, wordt hierover nu niet verder uitgeweid, daar de lezers voorloopig genoeg gehoord hebben van de wijze van beoordeling volgens het systeem Von Achenbach op concoursen hippique in Duitsland. Wat nu de kwaliteit van paarden betreft, zoo is die, naar mijne mening, beter dan somwijlen daarover is geoordeeld. Enkele heren zijn m.i. in het bezit van zeer goede paarden en de heer Gottschalk, die twee paarden, genaamd Boy en Wilja, betaalde met 22.000 mark., kan met deze paarden overal op de wereld een goed figuur slaan, al zullen er paarden komen die meer gang te zien geven. Boy is het beste eenspanpaard in Duitschland. En het is mij gelukt om Boy met Bingly Victor te verslaan, doch niet heel gemakkelijk. Buitendien was de baan diep zand. Boy was, ondanks de diepe zandbaan, gespannen voor een zware vierwielige spider, zoals de heer Von Achenbach dit het liefst ziet, doch waardoor het een concourspaard onmogelijk wordt om zijn beste actie te tonen. Bingley Victor was gespannen voor een showwagen, hetgeen op de zware zandbaan een voordeel was. In het nummer tweespannen zag ik al direct dat van het span Boy en Wilja laatstgenoemd paard kreupel was, zodat de tweespannen gemakkelijk gewonnen konden worden door mijne paarden. Het tandemnummer bracht mij op de tweede plaats en ieder was het er over eens dat mijne paarden het best gingen, doch ik heb moeten rijden wat ik kon om die indruk te maken, want de paarden van den heer Gottschalk gingen briljant in handen van den heer Rösler, die geacht wordt de beste tandem-rijder in Duitsland te zijn en die, na in de een- en tweespannen door mij geklopt te zijn, er alles op zette om mij in de tandems te verslaan.”

Snelheid voor actie
“Bij de beoordeling in het tandem-nummer kregen wij, als rijders, na gezamenlijk te zijn rondgereden en op onze plaatsen weer stil te staan, het verzoek om ieder afzonderlijk op het nummer af enige figuren te rijden, d.w.z. de paarden in verschillende wendingen en korte draaien door de arena te rijden. En de paarden van den heer Gottschalk, gereden door den heer Rösler, deden dit werk, vooral naar Duitse begrippen, beter dan mijne paarden, zonder de grootste actie te tonen. Ook hiervoor zijn twee redenen. In de eerste plaats komen mijn paarden pas in volle actie als zij snel gaan en als men geregeld moet draaien, kan men niet snel genoeg rijden om mijne paarden in volle actie te laten komen, zodat mijn paarden in korte wendingen niet helemaal in actie komen. In de tweede plaats rijd ik met mijne concours-tandempaarden thuis nooit in wendingen, doch altijd rechte einden (behalve enkele noodzakelijke hoeken om een weg in te slaan). Als oefening (die niemand om de nodige handigheid te houden om een tandem goed te rijden kan missen) rijd ik thuis wel wendingen met twee paarden voor elkaar, doch dan met paarden, die niet bestemd zijn om op concoursen in tandem te lopen. Zóó is ’t mij altijd geleerd. Mijne ervaring is dan ook, dat, als men twee paarden voor elkaar (tandem) véél in wendingen rijdt, die paarden, als zij rechtuit hun beste beentje moeten voor zetten, als ’t ware leren er op te wachten, dat zij rechts of links moeten gaan en worden afgeleid van hetgeen zij moeten doen, n.l. rechtuit lopende, laten zien wat zij kunnen. En omdat mijne paarden, gelijk gezegd, te snel draven om zich op zijn best te laten zien in korte wendingen en omdat deze paarden niet getraineerd zijn om figuren te rijden, erken ik gaarne dat er plaats is voor een mening, dat bij het rijden van figuren de paarden van den heer Gottschalk beter voldeden dan mijne paarden. Wanneer de heer Von Achenbach mij had gezegd, dat in de tandems aan de paarden van den heer Gottschalk de voorkeur was gegeven, omdat deze bij het figuren rijden het beste hadden voldaan, dan had ik Z.Ed. geantwoord, dat dit een oordeel was dat door mij gerespecteerd werd. Het figuren rijden komt wel zelden voor als men twee paarden voor elkaar voor een rijtuig spant, doch er is veel voor te zeggen, dat men, als men op een concours-hippique de hoogste eisen stelt aan rijders en paarden, de proef zo moeilijk mogelijk maakt en dus ook eist, dat de paarden en rijders inde moeilijkste omstandigheden laten zien wat zij kunnen.”

Geen rad voor ogen
“Bij het concours voor vierspannen deed zich hetzelfde voor als in de tandemklasse. De wijze waarop de vier paarden van den heer Gottschalk bij het figuren rijden gingen, was ogenschijnlijk beter dan ik het ooit, ook in Frankrijk of Engeland, heb gezien. In galop gaan deze vier paarden, voor een zware mailcoach gespannen en op diepe zandbaan, haast nog beter dan in draf. Gedeeltelijk is dit hieraan toe te schrijven, dat de paarden zoveel temperament (of harde mond) hebben, dat bijna niemand met deze paarden kan rijden, d.w.z. dat de paarden niet zijn te houden bij dagelijks gebruik. Lopen de paarden nu in een afgesloten ruimte en in wendingen, dan zijn zij veel makkelijker in bedwang te houden en heeft de rijder er alleen maar voor te zorgen dat zij niet te hard gaan. Dit is dan veel gemakkelijker, dan dat men wendingen moet rijden met paarden, die door de stem, de zweep of gebruik van de leidsels in de wendingen moeten worden ‘gedreven’ en anders niet gelijkmatig goed doorlopen. Hoe beter de paarden uit zichzelf opschieten, hoe makkelijker het is om figuren correct te rijden in een beperkte afgesloten ruimte, al zijn die paarden heel moeilijk om dienst te doen over langere afstanden. leder kan dit begrijpen en daarom kan voorbeeldig gaan in wendingen, ook wel tot oorzaak hebben, dat paarden op rechte wegen (in dagelijks gebruik) te veel in de hand gaan. En zoo kan het laten rijden in wendingen, dooreen concours hippique-rijder, worden benut om de juryleden tevreden te stellen met keurig gereden figuren en bovendien de aandacht af te leiden van de juryleden om te zien, dat de paarden in figuren-rijden wel bevredigen, doch dat diezelfde paarden, als zij op buitenwegen of in de steden dienst moeten doen, deugnieten zijn. leder jurylid moet dus voorzichtig zijn, om, als hij de gebruikswaarde van een tandem of vierspan, afmeet op grond van de wijze waarop de paarden gaan in figuren (draaien en korte wendingen) hem geen rad voor de ogen wordt gedraaid en dat hij paarden, die best werk doen, als zij in hun gang voortdurend worden geremd, door muren van de arena en wendingen, doch die de armen aftrekken als zij gewone dienst moeten doen, worden bekeken, als voorbeeldige gebruikspaarden.”
Tot zo ver het epistel over de opmerkingen die Benno von Achenbach had gemaakt. Bultman schrijft zelfs nog een deel twee, waarin hij de Duitse grootmeester van vriendjespolitiek beticht door zijn leerlingen te laten winnen.

Hackney’s in de landbouw
De hogeschoolruiter en paardenman H.J. Lijssen neemt het in Paard en Paardenwereld op voor Von Achenbach (“De heer v.A. is nu niet direct een kwajongen, die zich aan de mening van Jan Publiek stoort en, waanneer hij een besluit neemt, dan is dit zeer zeker fair en op logische gronden”) en ageert tegen het gebruik van de opzetteugels van Bultman, maar daar gaat Bultman gelijk met de zweep over, want die Lijssen zit hooguit ’s zondags een keertje op het paard, nooit erachter, en het is niet waar: “Waar heb ik ooit dergelijke onzin geschreven? Wie heeft mij dit ooit in praktijk zien brengen? Zou het mogelijk zijn, wanneer het mijn praktijk was om mijn paarden aan een korte opzet op te hangen ten koste van rug en achterhand, dat ik in dit jaar 1927, in Nederland aan vrijwel alle concoursen-hippique deelnam en met die diezelfde paarden het grote succes te boeken in Dortmund enige weken geleden?”
Kom niet aan Bultman. Lijssen reageert vervolgens met: “Het is werkelijk een genoegen met U te debatteren, want het debat brengt steeds verrassingen, vooral, wanneer U aan het eind uwer argumenten raakt en persoonlijk wordt. Ik, voor mij, vind dit werkelijk amusant, maar betwijfel toch, of de overige lezers van dit blad er ook zo over zullen denken. Dat men U verteld heeft, dat ik ’s zondags wel eens boven op een paard zit, mag ik U niet kwalijk hemen. U hadt voor hetzelfde geld kunnen zeggen, dat ik er iedere dag naast lag, want ik weet het, soms is het lastig de juiste informatie te krijgen. Ik heb wel aan honderd mensen uit de Meer gevraagd: doet Bultman met die hackney’s nu werkelijk landbouwwerk? en steeds keken ze mij zoo van terzijde aan, lachten eens en zeiden: ‘Nu ja, hij doet het!’, alsof zij er bij wilden zeggen: ‘maar het is maar kiele-kiele!’ Er moet echter ergens in de (Haarlemmer)Meer nog een boer zitten, die ook spreekt van miljoenen kilo’s bieten en dien zal ik vinden, al moest ik de gehele Meer afromen.”
Inmiddels heeft ook de redacteur van Paard en Paardenwereld in de gaten dat ingezonden brieven met Bultman uit de hand gaan lopen en zet achter deze discussie een punt.

Het andere standpunt

Het is echter een concurrerend tijdschrift, Ons Paard (12/19-1-1928), dat de moeite neemt om de reactie van Benno von Achenbach in het Duitse blad Sankt Georg te vertalen en te publiceren in het Nederlands.
Von Achenbach: “In het Nederlandsche weekblad Paard en Paardenwereld spreekt de heer Bultman van zijn indrukken opgedaan gedurende het laatste Dortmundse concours en over onze tegenwoordige opvatting van aanspannen en rijden. Daar ik geloof, dat vele punten, die hij anders opvat en ook van een ander standpunt beziet, voor Duitse fokkers en koetsiers belangrijk zijn, wil ik ze hier bespreken vanuit het enige standpunt, waaruit dit van Duitsland mogelijk is. De heer Bultman is met tandem en coach, zeer tegen zijne verwachtingen geslagen. Vandaar de bekende ontstemming, en, als resultaat, de slotsom dat het systeem Achenbach verouderd en ondeugdelijk is. In hetzelfde artikel zegt hij echter, dat de paarden van Gottschalk bij het rijden van figuren en tandem en vierspan ‘oogenschijnlijk beter gingen, dan hij het ooit in Frankrijk en Engeland zag’. Daar deze spannen volgens mijn, bij ons voor civiel en militair voorgeschreven systeem gereden werden, blijven de bemerkingen van den heer Bultman voor mij onbegrijpelijk. Ik kom nog daarop terug. Eerstens verwart de heer Bultman de T.O. (Turnier-Ordnung) met mijn ‘leidraad’. De wijze van beoordeling is niet door mij ‘uitgevonden’, doch door de T.O. voorgeschreven.”

Show vs gebruik
“Het fundamentele verschil is en dat moet men steeds in het oog behouden dat Holland slechts showpaarden (vol- en halfbloed hackneys) en deze naar hun hoogste actie beoordeelt, terwijl wij, Duitsers, onze gebruikspaarden en spannen van ons standpunt bezien en beoordelen moeten. Ook wij stellen hoge prijs op goeden gang, willen echter geen overdrijving, reden waarom hackney-training en de zware concoursijzers ons niet foppen mogen. Wij wensen de tuigpaarden in houding, aan den teugel en wendbaar. Deze africhting moet natuurlijk de betreffende koetsier bij het voorrijden kunnen tonen. Wiens paarden slechts rechtuit en niet aan den teugel gaan, doch in de wendingen geheel verkeerd gesteld rondlopen, die paarden ontbreekt de bij ons verlangde africhting. Bij de één- en tweespannen viel dit niet zoo op als bij het tandem en de coach en de jury oordeelde zoo soepel, als zij slechts dacht te kunnen verantwoorden. Het was daarom niet het geluk, dat den heer Bultman bij tandem en vierspan in de steek liet, maar africhting en ‘af’ zijn. De heer Bultman zegt, dat ik precies genomen geen lid van de jury had mogen zijn wegens mededingende leerlingen, die hem in tandem en vierspan sloegen. Steeds de oude verdachtmaking. Ik constateer hierbij, dat ik den heer Roester nooit, ook maar één uur les gegeven heb. Ik heb voor jaren als jurylid bij een concours op de renbaan te Harzburg dus niet in een ‘zaal met muren’ éénmaal een ogenblik het zesspan van den heer Gottschalk in de hand gehad om te zien, hoe dat zich in de wendingen liet aanvoelen. Daarbij zat de heer Roester naast mij. En de heer en mevr. Wolft-Wietzow heb ik éénmaal, lang voor den oorlog, met mijne paarden door Berlijn gereden en het is mogelijk, dat hij in de Tiergarten ook een poosje gereden heeft. Wanneer ze volgens mijn systeem rijden, dan hebben ze wel, evenals de heer Bultman, mijn boek. Bovendien is mijn systeem door het Rijksverband voorgeschreven. De heer Bultman heeft door twee, door mij beantwoorde vragenlijsten beslist meer vernomen dan de genoemde koetsiers door het eenmaal naast mij zitten zonder onderricht.”

Hertenhals-houding
“Ik geef gaarne toe, dat in één- en tweespan Bingley Victor en Capenor Victor beter in gang waren dan onze paarden, de wijze van aanspannen echter niet. Slecht was de hertenhals-houding en de werkzaamheid van den mond. Zoals tot vervelens toe geconstateerd, komt het niet op het publiek en de pers aan, maar op de jury. Daar de heer Bultman wellicht een even oude paardenman is als ik, kon ik hem onmogelijk zeggen, wat de grote foutenbron is. Dat hij ze precies weet blijkt uit de verklaring, die hij omtrent het figuurrijden geeft. Laten we beginnen met de door mij uitdrukkelijk als kleine aangeduide fouten. Slagriem: Volgens mijn praktische ervaring en gebaseerd op de beste Engelsche literatuur, behoort bij eenspannen (voornamelijk bij den tandem-cart voor 4 personen met bagage) óf een soliede slagriem óf een broek. In het beroemde boek Driving van den Hertog van Beaufort wordt de slagriem voor alle eenspannen aanbevolen (pagina 96). De bijna evenzo als autoriteit bekend staande Majoor Henry Dixon vond hem niet slechts veilig, maar ook sierlijk, doch dit kan een kwestie van smaak zijn. Ten slotte heet het daar ‘it is better to be sure than sorry’ (men kan beter veilig zijn dan spijt gevoelen). Vergelijk ook Hints on Driving (pag. 17) van Capt. Morley Knight en The Private Stable (pag. 191) van den Amerikaan Jorrocks. De motiveringen van storende en zwakke riemen zijn van den heer Bultman misleidend, want het is duidelijk, dat een slagriem in de eerste plaats uit dubbel leder en in de tweede plaats zóó moet worden opgelegd, dat hij niet stoort. De gespen der stoten moeten gesmeed en verzilverd zijn (Anspannen und Fahren blz. 93). Onlogisch is, naar mijn meening, dat een slagriem nuttig kan zijn wanneer een paard uit kwaadheid slaat, doch bij een mak paard schadelijk is. Ik heb meegemaakt, dat in den herfst bij een heel mak paard afvallende bladeren op den weg vielen, een ander maal, dat bij een schrikachtig voorpaard de lange teugel op den rug kwam en aanleiding gaf tot slaan: steeds heeft de slagriem zich prachtig gehouden.”

Niets te los
“Er wordt bestreden, dat de bomen van tweewielige wagens iets speling in de lichtogen moeten hebben en beweerd, dat ik ‘een te losse’ aanspanning verlang. Ik rijd sedert 1876 tandem, meestal met vreemde paarden, heb altijd op mijn manier ingespannen en nooit een ongeluk gehad. Dit geldt ook voor mijn vrouw en mijn leerlingen. Dit was dus geen ‘te los’ inspannen. Bij een correct in balans liggende cart en voldoende speling, niet ‘te veel’ want teveel is altijd verkeerd, zit men het rustigst, ook met de handen. Is de koetsier bang, dat het achterpaard bij te los inspannen bij te plotseling pareren of berg-afgaand, de wagen op zijn hielen krijgt, dan moet hij wat langer inspannen en een broek gebruiken. Goede remmen hebben zover ik weet slechts de in Duitsland algemeen gebruikte ‘veranderde’ tandem-carts van zuiveren stijl. Het gareel van het achterpaard van Bultman was zo kort, dat het het arme dier bij het ademhalen hinderde. Dit was volgens opinie der jury een grote fout. Nadat de heer Bultman dit eerst bestreden had, kwam hij korten tijd later in de jury-loge en zei, dat ik gelijk had. Naar zijn gedrukt bericht te oordelen is deze overtuiging weer verdwenen!”
“De volgende auteurs achten het raadzaam, precies als ik, dat men tusschen luchtpijp en gareel de vlakke hand steken kan: Hertog v. Beaufort (pag. 93); Gapt. Morley Knight in Hints on Driving (pag. 6); Nimrod in Annals’of the Road pag. 192 en Fairman Rogers A Manual of Coaching (pag. 209) en de Amerikaan Jorrocks in The private Stable (pag. 181). Daarom is het verkeerd te schrijven ‘De blinde navolgers van het systeem Achenbach rijden met veel te grote garelen’, dan dat de paarden daarin gemakkelijk zouden werken. Van de pasvorm terzijde is hier geen sprake.”

Het ‘vorkje’ dl2
“De heer Bultman houdt de in Engeland, Amerika en Holland bij het tandemvoorpaard gebruikte kleine riempjes van de singel naar de strengen voor juist. Ze zouden de strengen verhinderen over de rug te raken. Ik houd ze voor overbodig, onpraktisch en gevaarlijk. Is het schoftje van het voorpaard gemaakt als op afb. 118 in Anspannen und Fahren blz. 92 (rechts), dan heeft men die riempjes niet nodig. Ze breken n.l. erg gauw en kunnen er toe leiden, dat men de eersten prijs, die men reeds in de zak had, misloopt. Op het grote internationale concours in Wenen in 1914 ging het voorpaard Ellèron Chief van wijlen de heer H.L. Kappel beter dan het mijne, tot bij een wending het riempje afbrak, voortdurend tegen den buik van de temperamentvolle ruin sloeg en grote opwinding met dwars gaan, woest trekken en galopperen veroorzaakte. Slechts daardoor kreeg ik met de prima gaande donkerbruine van Vorster de eerste prijs. Engeland, Amerika en Holland mogen doen, wat hun juist schijnt, maar ik kan slechts voor het riempje waarschuwen. Praktische ervaringen gaan boven alles.”

Oude, dikke met snor
“Tot het stijlvolle -niet voor handelaars- tandem, behoort beslist een flinke ‘groom’ of een slanke handige koetsier, geen oude dikke. Dit heeft betrekking op het jureren van de aanspanning (Eng. appointment-classes). De man moet weten, waar hij hoort, zowel wanneer hij op den wagen zit als wanneer hij er naast staat. Hij moet fatsoenlijk en correct aangekleed zijn en mag vooral geen snor hebben. Dit geldt in alle cultuurstaten met ‘appointment-classes’. Ik ben ervan overtuigd, dat dit in 1928 in Holland ook zo zal zijn.”
“De beschreven fouten zouden, volgens den heer Bultman, slechts in mijn oog liggen. Hij vergelijkt mij met een veearts, die al jarenlang afgestudeerd is en nu op het standpunt staat, dat in de vele jaren niets nieuws aan het licht gekomen is, wat het aankijken waard is. Uitsluitend van een esthetisch standpunt, niet als jurylid, maakte ik er opmerkzaam op, dat zeer kleine (schijnbaar tot het bewuste gareel passende) oogkleppen, paarden met een groot hoofd slecht stonden. Hier heet het: ik wens ‘te grote oogkleppen’, ‘te grote garelen’, ‘te losse inspanning’, in het kort, alles ‘te’ en ‘Het systeem Achenbach is verouderd en ondeugdelijk’. Verwondering wekt het, dat verder gezegd wordt, dat de spannen van Gottschalk in de Dortmundse hal in alle figuren, zeer goed gingen, de vier voor de coach zelfs ‘ogenschijnlijk beter dan ik het ooit in Frankrijk of Engeland zag’. ‘In galop gingen de paarden beter dan in draf’. Daarbij reden beide heren precies volgens mijn ondeugdelijk systeem. Dit kan ik precies beoordelen, ofschoon ik hun geen les gaf. Misschien probeert de heer Bultman het ook nog eens voor tandem en vierspan volgens mijn boek.”

Mishandeling
“Er wordt verder gezegd, dat ik niet tot het verkrijgen van het evenwicht door het beslag d.w.z. die onmenselijk zware ijzers gekomen was, welke ijzers daarbij een grote rol speelden. De heer Bultman wil de paarden door de hackney-voorbereiding: ‘Einmustern, Einpeitschen’, met de zwaarste ijzers etc. trainen. Daartoe verwijs ik naar: ‘Ontwikkeling der actie’ in mijn boek (blz. 21O). Ik ken de methode en spreek er voor de volledigheid maar kort over, omdat de paarden er licht erg bij mishandeld worden. Uitsluitend voor concours-lui kan zo’n werk deugen, maar niet voor onze kunst: het beoefenen van praktische en kunstige rijsport. De beklagenswaardige dieren met de loodzware, vele kilo’s wegende ijzers, kunnen daarmee niet in dienst werken, doch er zich slechts in vertwijfeling mee op het concoursterrein afbeulen. Ik kan dus slechts afraden om zulke in de praktijk onbruikbare loden soldaten als ideaal te beschouwen. Het doel der bezitters of koetsiers is slechts: sensatie, overdrijving en iets hoogst onnatuurlijks. Is het doel in meer of mindere mate bereikt en zou men het resultaat der training willen zien, dan wacht men evenals bij den heer Bultman tevergeefs op enige vloeiend gereden figuren en achten in zuivere houding en stelling aan den teugel. Niets van dit alles werd getoond.”

Loden soldaatjes
“De paarden van het tandem en de coach van Bultman liepen in de zaal rond, omdat de deuren dicht waren. Aan de korte zijden, hoofdzakelijk bij de wendingen naar rechts, was de hoofdstelling dusdanig naar buiten, dat, had de deur opengestaan, het abuis zeker zou hebben plaats gevonden. De binnen voorteugel bleef voortdurend 30 cm te lang. Hier ontbraken alle regelen der kunst. Versta ik de heer Bultman goed, dan zegt hij, dat men wel figuren kan rijden, maar niet met paarden die bestemd zijn om op concoursen hippique uit te komen! Verdere uitvluchten volgen. Geen paard ging correct aan den teugel. Bingley Victor ging nooit aan het bit, droeg het hoofd bijna horizontaal en zag er zeer ongelukkig uit, alsof hij een heet strijkijzer in zijn mond had. De poetsconditie was zeer slecht: een eis voor de jury dit te bekijken. Dit waren de grote fouten, om ook deze te vermelden. De heer Bultman veracht de ‘verouderde’ tandem-cart. Dat doen ook in Engeland en Amerika, sedert afschaffing der Appointment-Classes, alle hackneyfokkers, exposanten en handelaars, omdat voor hen het transport te lastig is en zij bovendien hun loden soldaatjes liefst in een Pneumatic Buggy rondjagen. Van praktisch rijden en eigenlijke rijkunst is daarbij geen spoor meer. In Duitsland mogen de rechters (jury) slechts beoordelen, wat ze in den ring zien.”

Aan de teugel
“In de zomer zijn de concoursen buiten met lange lijnen. Voor prestaties en veiligheid in de stad zijn de marathonritten. In Sankt Georg 21/22 zijnde groote fouten aangeduid, de kleine als van minder betekenis niet beschreven. Het schijnt overigens, dat in Holland niet slechts de opinie van den heer Bultman heerst, want reeds brengt het blad een artikel van den heer H.J. Lijsen uit Overveen, die niet de opinie van Bultman deelt, dat men door opzetten en zware ijzers de actie er uit moet halen, maar, zoals wij dit wensen, door het onderschuiven der achterhand. De heer Lijsen heeft wel begrepen dat niet de kleine fouten, maar de grote, die nu een beetje aan het licht zijn gebracht, reden waren, waarom het tandem en de coach van den heer Bultman niet op de 1ste plaats kwamen. De heer Lijsen schrijft o.a., dat hij de paarden van de heer Bultman gaarne eens verzameld zag gaan! Dan nog zeer juist: vroeger hoorde men wel eens spreken van ‘aan den teugel gaan’, maar dat is klaarblijkelijk ook al verouderd. Over de paarden met temperament van Gottschalk in de figuren zegt de heer Bultman, dat de koetsier er in een afgesloten ruimte slechts voor te zorgen heeft, dat ze niet te snel gaan. De heer Lijsen merkt hierbij op: nu, het mag dan niet moeilijk zijn, maar ik zou het den heer B. toch graag eens zien doen, en correct. Wanneer er figuren gereden worden en de paarden gaan ze correct, op commando, dan is dit volgens mijn opinie slechts het bewijs, dat de paarden in evenwicht gaan, wendbaar zijn, door oefening elasticiteit verkregen en geen harde mond hebben. Hebben ze een dode mond, dan is de wending niet vloeiend, maar stotend en de paarden gaan niet in de wending, maar ze laten zich er invallen (ik noem dit: ze hangen zich op aan den buitenteugel). Ik zou graag den heer B. eens een correcte ‘8’ zien rijden, met een mailcoach en 4 paarden met harde mond. De tweede helft zou interessant kunnen zijn.”


Het tandem waarmee Bultman in Dortmund in de baan kwam,
met volgens Von Achenbach onder andere een te klein gareel
voor het voorpaard. De grootmeester liet nog buiten beschouwing
dat het voorpaard een half tweespantuig op heeft in plaats van
een tandemtuig.


Benno von Achenbach rijdt zelf tandem met een
‘tandem-cart van zuiveren stijl’.