Het verhaal van drie generaties Poelstra, commissionairs en hengstenhouders, is tevens het verhaal van honderd jaar geschiedenis van het Groninger paard. Groningen is fokgebied en doorvoerland voor Oldenburgers en Oost-Friezen die als koetspaard de wereld over gaan. De Groninger is vooral een type, als tegenhanger van het luxe Gelderse paard. Na de Eerste Wereldoorlog neemt datzelfde paard het al ploegend op tegen de dieselmotor.

De paardenhandel van de Poelstra’s begint met de dagloners Feike Poelstra (1856-1924) en Jantje Geuzendam (1856-1929) in Obergum, het noordelijke deel van Winsum. Een dagloner leeft in dit deel van Groningen in pure armoede, want hij heeft geen vast werk, maar krijgt voor seizoensarbeid per dag betaald en dat is niet royaal. Zekerheid is er niet. In het hoogseizoen gaan vrouw en kinderen mee om te werken op het land. En in de wintermaanden valt er hooguit iets te verdienen door het repelen van vlas of het verbrijzelen van keien, terwijl de vrouw tegen een kleine betaling spint, breit, weeft, naait, kleren verstelt of de kleding van de meer gegoede families wast. Die verdiensten zijn vaak niet genoeg en om de winter door te komen leeft het daglonersgezin van de ingemaakte en gedroogde groenten uit eigen tuin. Een melkgeit die achterin het huisje staat, levert dagelijks één tot anderhalve liter melk per dag voor de pap of om te karnen.

Van markt naar markt
Feike weet dat karige bestaan in 1895 te ontvluchten door het taxeren van paarden voor de onderlinge vee-verzekering in Winsum; blijkbaar heeft hij er oog voor. Hij trekt vervolgens naar de markten in Oost-Friesland en Drenthe om als commissionair en drijver een helpende hand uit te steken. In 1902 komt Feike met eigen paarden op de keuring. Het bezit van een paard is een rijkdom die hij of de generatie voor hem nog nooit heeft gekend. Het is voor de handel weliswaar, want hij verkoopt ‘bejaarde platte werkpaarden’ of een ‘zwartbaard koekalf’. Van de kinderen helpt Lolke (1883-1958) mee als drijver, die met koppels paarden te voet van markt naar markt trekt. De tiener heeft een hard leven, tientallen kilometers per dag lopend met meestal onwillige, jonge dieren die aan het touw alle kanten op trekken. Maar het geeft Lolke een leerschool die hij goed kan gebruiken, wanneer hij na zijn huwelijk in 1909 met dienstmeid Anna van der Veen (1887-1954) als zelfstandig ‘commissionair’ in de paardenhandel gaat. Lolke maakt nog net even de tijd mee waarin grote handelsstallen als Van der Kuijlen, Riemer, Bolt en Kok paarden exporteren voor de chique equipages in de grote steden van Europa. Zij zoeken luxe koetspaarden in het noorden van Nederland, vooral uit het Duitse Oldenburg en Oost-Friesland. Vader en zoon Poelstra kopen die voor hen op in commissie.

Vette paarden
Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog krijgt ook de kleine Jan (1899-1979), de jongere broer van Lolke, een taak als knechtje in de paardenhandel. Hij mag als vijftienjarige in zijn eentje naar Engeland, met een lading zwarte paarden voor de begrafenisondernemers van Londen. Het jaar daarop vertrekt hij naar Zwitserland, om in 1914 bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog via een ingewikkelde treinrit van vier dagen en vier nachten in Winsum terug te komen. Bij het opdrijven van de paarden van de markten en het transport per trein krijgt Jan hulp van een bijna even jonge Roelf Eijes Siemens (1897-1989), geboren in Den Haag, die later zijn diensttijd zal doorbrengen als eerste luitenant der huzaren en uiteindelijk in de rensport zijn brood gaat verdienen. Jan en Roelf zijn gezworen vrienden.
In de Eerste Wereldoorlog doen de Poelstra’s goede zaken in opdracht van de grote inkopers. Het gaat dan niet om importen uit Duitsland, maar juist het omgekeerde, want Duitsland heeft door de oorlog een groot tekort aan paarden. Op 8 december 1914 gaan ze in gezelschap van paardenhandelaar O. Plaage uit Wenen op zoek naar enter-ruinen, die ze in een dag tijd op verscheidene locaties in Groningen opkopen. Op 30 augustus 1916, dus opnieuw op één dag, doen ze als commissionair voor Albartus Heuff Cellendonk uit Kerk-Avezaath maar liefst 44 dorpen en cafés aan voor paarden in de leeftijd van vijf tot twaalf jaar. Hoe de heren die dag in een recordtempo van soms tien minuten per locatie inclusief reistijd zijn rondgekomen is ten dele een raadsel, maar Feike en zoon Lolke werken hierin samen en wisselen elkaar af per locatie. Er zijn meer opkopers die zo door het land trekken.
In mei 1917 is Groningen aan de beurt. Blijkbaar kijken de Duitsers niet zo nauw op leeftijd, want de paarden mogen nu gerust zestien jaar zijn, maar ‘op vleesch wordt toegegeven’, aldus de aankondiging in het Nieuwsblad van het Noorden. Een vet paard leverde dus meer op. Nu doen Heuff Cellendonk en Poelstra 52 locaties op één dag. Aan het einde van de oorlog wil Heuff nog een klapper maken en vraagt hij in het Nieuwsblad van het Noorden (23-5-1918) eventjes te koop: ‘Eén duizendtal 2-j ruins’, ongeacht het ras, luxe en remontepaarden. Commissionair Poelstra mag het uitzoeken. Of dit aantal ooit is gehaald en naar Duitsland is verkocht blijft onbekend. Na de Eerste Wereldoorlog gaat de samenwerking tussen Poelstra en Heuff Cellendonk door, in 1923 met een nieuwe opkoopronde van luxepaarden en ‘eenige’ harddravers. Met het overlijden van Feike in 1924 breekt een nieuw tijdperk aan.

Belgische trekpaarden
Lolke en zijn broer Jan zijn beiden op eigen naam aan de slag als commissionair. De vraag verlegt zich van luxepaarden naar koudbloeden. Van de eerste categorie is er een overschot, naar de tweede is grote vraag. De twee broers kopen nu in opdracht van een Franse en twee Duitse handelaren Belgische trekpaarden en kruisingen daarvan op. Met de Belgische vosschimmel Calin du Château begint Lolke in 1923 een nieuwe uitdaging in de hengstenhouderij. Hij heeft hem in gedeeld eigendom met K. Wijk Jzn in Kloosterburen, waar de hengst voor ƒ 22,50 plus ƒ 11,- voor het stamboek ter dekking staat. Vijf jaar later heeft hij de warmbloedhengst Jugulus samen met Heuff Cellendonk.
In de jaren dertig komt de klad in de handel, maar desondanks raakt Jan de Oldenburgers die hij met tientallen importeert nog gemakkelijk kwijt, soms nog voor ze op de markt in Zuidlaren aankomen. De eerste uren van de jaarmarkt is hij degene die het snelst en de beste zaken doet. Na de merries voor de markt volgen hengsten voor de keuring: “Diedrich van de heeren Poelstra en Mulder trok veel belangstelling. Hij is een hengst met beste bewegingen, een uitstekend fokpaard en werd verkocht aan den heer J. Pot te Oostwold (Old), waar hij op het dekstation komt. Diedrich is ook niet volmaakt, maar ook zijn kleine afwijkingen vergeven wij hem. Wij lazen elders, dat hij wat weinig type had. Het tegendeel is juist waar. De heer Poelstra heeft als mede-importeur wel succes gehad en voor zijn ingevoerde merries uit Oldenburg heeft hij ook een besten hengst weten te importeren”, aldus het Nieuwsblad van het Noorden over de hengstenkeuring in Groningen, maart 1931. Wat een ‘beste’ hengst is en wat ‘beste’ bewegingen zijn is echter in de voorgaande decennia veranderd.

Anders dan Eerelman
Het luxe koetspaard is volledig verdrongen door de komst van het automobiel en iets soortgelijks gebeurt in de landbouw, waar de dieselmotor slaagt in wat de stoommachine in vijftig jaar tijd niet was gelukt, namelijk om het paard weg te concurreren. Toch houden met name de Groningse akkerbouwers halsstarrig vast aan het paard op hun bedrijven en onder aanvoering van een herenboer als Derk Engelhardus Mellema zetten ze tussen de wereldoorlogen in op de fokkerij van een zware, kortbenige warmbloed. In Oldenburg vinden ze daarvoor de paarden, waarvan de hengst Gambo (1930-1947) het zwaarste stempel drukt op het Groninger paard. Ze testen hun paarden op trekkracht en voor de koloniale wipkar. De fokkerij streeft zo naar een ander type, voor een ander gebruiksdoel, dan het ranke koetspaard dat de Groninger kunstschilder Otto Eerelman in 1898 voor de prentenserie ‘Paardenrassen’ had geschilderd.
“De heer Poelstra tracht zich den laatsten tijd geheel in te werken in de warmbloedfokkerij van Groningen niet alléén, maar eveneens in het zoo na verwant Oldenburg-Oostfriesland. De heer P. had het laatste jaar met zijn warmbloedpaarden goed financieel succes. Van harte gegund. De warmbloedfokkerij heeft met P. rekening te houden”, schrijft het vakblad Paard & Paardenwereld in 1932, het jaar waarin Jan Poelstra met succes de driejarige hengsten Tantalus en Rheinsohn aanbiedt op de keuring in het Stadspark in Groningen. Het jaar daarop importeert hij de Oost-Friese Goudster, die hij na goedkeuring in Assen verkoopt naar het Utrechtse Hoogland. Rheinsohn verhuist op zijn beurt naar de Haarlemmermeer, nadat hij ‘door de Duitsche J.M.M. op onrechtmatige wijze was weggevoerd en door de politieautoriteiten in beslag was genomen’. In de jaren die volgen koopt Jan hengsten als Cromwell, Cronist, Reflex, Godebald, Minister, Parel, Ornament en Jubae om ze in Groningen of Utrecht goedgekeurd te krijgen en te verhandelen. Soms koopt hij de jonge hengsten letterlijk uit het land weg. “Ik voelde een steek in mijn hart toen ik dat paard zag en dacht: die hengst moet niet voor de ploeg”, aldus Jan over de schimmelhengst Voorman, die hij in gedeeld eigendom heeft met Piet Meinardi.

Voor de slacht weg
Lolke, die net als zijn broer in Winsum woont, heeft na de trekpaardhengst Calin du Château een andere trekpaardhengst, Harnak. In 1932 vraagt hij een vrachtwagen te huur om voor de vier maanden die het dekseizoen duurt met een hengst rond te reizen. Lolke valt op zijn beurt als hengstenhouder pas goed op door de redding van Jimbo. In 1935 gefokt door Michels uit Onstwedde, kwam het hengstveulen Jimbo in de opfok van de Veenkoloniale Hippique Vereniging (VHV). Maar na twee en een half jaar vinden de VHV en de invloedrijke Mellema Jimbo onvoldoende voor de hengstenkeuring in Groningen. Hij haalt de keuring niet eens en gaat na afloop op transport vanaf de landerijen van Mellema in de Reiderwolderpolder naar de slager in Groningen. Lolke Poelstra ziet er echter wel wat in en koopt hem van slager De Vries voor de dood weg, voor driehonderd gulden. Draftrainer Maarten Rozema weet Jimbo, op stal bij Bouwman aan de Paterswoldse weg in Groningen, er in veertien dagen perfect voor te zetten. Getoiletteerd, op ijzers en in showconditie is hij goed genoeg om alsnog voor te brengen op de regionale hengstenkeuring in Zwolle, al komt zijn inschrijving te laat voor een vermelding in de catalogus – hij zou immers naar de slager gaan. Jimbo krijgt een eerste premie en het kampioenslint en mag door naar de centrale hengstenkeuring in Utrecht, met goedkeuring als resultaat.

Ook Gelderse goedkeuring
Weekblad De Boerderij (23-3-1938) over de centrale hengstenkeuring in het Gelderse Elst: “Van de driejarigen werden slechts drie aangeboden en twee geprimeerd. Jimbo, v. Waldherr, m. Rheinmelodie, door den beroemden Oldenburger Rheinfürst, de zwaarste en best gaande hengst die Oldenburg ooit kende. Een zeldzame bloedcombinatie deze Jimbo. In zijn optreden heeft hij veel van zijn vader Waldherr, fraaie voorhand, beste voeten, zwaar beenwerk en extra gangen. Hij kan in het achterbeen sterker zijn, terwijl hij dieper moet worden, doch hij zit in beste handen, dat zal wel komen. Van de invoerpremie van ƒ 1.000,- kreeg hij ƒ 500,-, terwijl de Ver. Het Legerpaard niets toewees. Van Geldersch standpunt gezien is Jimbo nog niet het ideale en daarom kunnen wij ons voorstellen, dat Het Legerpaard andere eischen stelde.” Met eveneens de goedkeuring voor Gelderland, komt de handelsgeest in Lolke Poelstra naar boven en hij verkoopt Jimbo aan de combinatie Costermans en Arie Kooy voor het aantrekkelijke bedrag van ƒ 3.500,-. Jimbo groeit in de daaropvolgende jaren zwaarder uit en belichaamt daarmee het Groningse type, dat zich onderscheidt door meer massa en minder luxe. De Groninger is nadrukkelijk een zware warmbloed die met de landbouw is vergroeid, het Gelderse paard heeft expressie, hoge staartdracht en verheven gangen.

Naar Costermans
Over de Groninger types op de Gelderse hengstenkeuring (VLN) van 1940 schrijft De Boerderij: “Aan de kop kwam Jimbo, v.Waldherr. uit Rheinmelodie, eig. W.A. Costermans te Eist. Costermans is een zeer bekwaam paardenman, kan de hengsten voorbrengen in topconditie, zoals dat ook met dezen hengst bleek. Jimbo stond schitterend, geweldig diep, heeft iets aparts, iets overweldigends in zijn optreden, maar staat ook als een beeld onder het begeesterend oog van zijn meester.” Na twee jaar verhuist Jimbo voor ƒ 6.000,- naar de Warmbloedpaardenfokvereniging Enschede en Omstreken. Die stationeert de populaire, grote hengst bij café Mulder in Buurse, behalve op dinsdag en vrijdag, want dan staat hij bij Getkate aan de Windslaan in Almelo. Een dekking kost voor leden het betrekkelijk lage bedrag van ƒ 35,-. Blijft de merrie gust, dan krijgt de merriehouder vijf gulden retour. Jimbo staat in 1944 bij Olijdam aan de Markeloseweg in Goor, maar verongelukt aan het einde van de oorlog. De in die dagen bekende journalist J.B. Kamphuis is niet onder de indruk van het exterieur van Jimbo – het achterbeen en de croupe laten te wensen over –, wel van zijn fokresultaten, waaronder twee goedgekeurde zonen. Een daarvan is Grimbo, ‘Groninger van origine’ en tot 1956 in eigendom van Feike Poelstra.

Bij café De Waag
Feike Poelstra (1909-1984) is de oudste zoon van Lolke en Anna, die in de traditie van de mannelijke lijn naar zijn grootvader is vernoemd. Feike heeft van 1939 tot 1966 een dekstation bij café De Waag te Nietap, en handelt in combinatie met de eigenaar van het café, Wiebe Pestman (1879-1943) en later diens zoon Roelf (geb.1912). Over hun eerste gezamenlijke hengst: “Didono, van Pestman en Poelstra te Nietap (Gr.), is een hengst met veel kleur. Hoewel geen slechte hengst zagen we hem voor graag iets regelmatiger en voor de fokkerij zijn afstamming iets meer volledig”, aldus de Leeuwarder Courant over de hengstenkeuring in Groningen, 1940. Didono is een zwartbles met vier witte benen, Gronings gefokt (v. Columbus), die aan dekgeld ƒ 23,50 kost en waarmee Feike Poelstra in een vrachtauto rondreist. Dat doet hij tot 25 kilometer in de omtrek voor vijf gulden reiskosten, daarboven rekent hij vijf cent per kilometer. Met Didono doorkruist hij de drie noordelijke provincies volledig. In een interview in het krantje Leekster Tak (12-4-1979) vertelt Feike dat de meeste boeren aan huis laten dekken tot de benzineschaarste in de Tweede Wereldoorlog, wanneer ze weer te voet van Wapse of elders naar Nietap kwamen voor een hengst van Poelstra.
“Kwam er een echtpaar langs op de fiets. Ze kwamen naar mij toe en vroegen of ze het eens mochten bekijken. Natuurlijk mocht dat en ook zij vroegen hoe vaak het nou gebeurde. Ik zei: om de twee uur, mevrouw, waarop zij haar man aankeek en zei: ‘hoor je dat, man?’ De man antwoordde niet maar vroeg mij: ‘en iedere keer bij dezelfde merrie?’. Ik antwoordde: nee, iedere keer een ander, waarop hij weer zei: ‘hoor jij dat, vrouw?’”, verhaalt Feike in het genoemde interview.
In 1941 kopen Poelstra en Pestman de vosbles Komburg, een Gelderse hengst van Domburg, en in de decennia daarna volgen Raldino, Nansen, Agememnon, Sigurd, Rex Regum, de schimmel Vazal, Noorderlicht en Hassan.

Op paasmaandag
De combinatie van dekstation en café is niet onlogisch. Het zijn de herbergen en pleisterplaatsen aan de doorgaande routes, waar vanouds verse paarden voor de postkoetsen klaarstonden en boeren na afloop van de markt een borreltje pakten. Boeren met een merrie voor de wagen, waardoor de herbergier met een hengst dubbel verdiende aan zijn klanten. Ook bij De Waag van Pestman. Wie voor een dekking komt, eindigt in de kroeg. Feike: “Zondagsmorgens kwamen hier vaak melkboeren uit de stad, die, na het melken, richting Nietap gingen met het paardje, dat normaal langs huizen ging als trekpaard bij de melkventerij. Er waren meestal vele melkboeren en die konden niet anders dan op zondag omdat ze de andere dagen moesten venten. Het was dan vaak ook een drukte van belang. Hoewel de heren na de dekking getrakteerd werden op een borreltje met een sigaar, begonnen ze na aankomst al met hijsen, waarna ze het bos inschoten om een uiltje te knappen. Een leuke tijd.”
Op paasmaandag zit de kroeg sowieso helemaal vol, want dan worden de hengsten op de straat gemonsterd en maken de fokkers hun keuze. Een deel gaat na een borrel naar huis, een ander deel reist door naar het Wapen van Drenthe in Roden, waar Van der Molen zijn hengsten laat zien, of nog verder naar andere hengstenhouders.

Flarden van vroeger
“Waar nu de slijterij zit en de ingang van de zaal, zat in die tijd de waag, waar de boeren hun varkens kwamen wegen voor de slacht”, vertelt Loek Poelstra, de zoon van Feike, geboren in 1936. “Achter de waag kon je doorlopen en daar waren, achter het hooi, twee hengstenboxen. Wanneer een boer langskwam met een merrie, ging het schouwluikje open en net hoe ze reageerden, moest het maar even gebeuren. Ik wist al vrij vroeg hoe seks eraan toe ging”, grapt Loek, die uitlegt hoe er stroppen om de achterbenen en vervolgens de boeg van de merrie gingen, om te voorkomen dat ze naar de hengst kon trappen. Loek groeide niet op met de paarden, want zijn ouders woonden niet bij het dekstation. Van 1952 tot 1972 was hij aan boord van een schip, hetgeen betekende dat hij lang van huis was. Hij weet nog flarden van het dekstation, over hoe de hengsten als vanzelf leerden om in de bak van de provisorische vrachtauto te stappen: “Net als iemand die achterop een motorfiets springt.” Bij Loek gaat een belletje rinkelen bij de naam Vazal, want die is naar de koninklijke stallen van Engeland gegaan, en Noorderlicht, die met uit de losse pols geschat zo’n 165 merries de meeste dekkingen had. “Dat was een lucratieve zaak.”

Voor de suikerfabriek
Aan het begin van het dekseizoen 1958 is de stemming in mineur. “Eerste Paasdag is te Groningen de paardenhandelaar L. Poelstra overleden. Weer is een der figuren, die de glorietijd van het Nederlandse paard hebben meegemaakt, heengegaan. Het Nederlandse paard is wereldberoemd geweest en de rijksten der aarde gebruikten onze fokprodukten voor hun equipages. De handel in paarden was een geweldig bedrijf. De heer L. Poelstra had een groote naam op dit gebied”, brengt het Nieuwsblad van het Noorden. Feike gaat verder zonder zijn vader Lolke en neemt er in de jaren zestig een baan bij als agent voor de suikerfabriek.
Lolke en zijn broer Jan treden beiden in het spoor van hun vader als handelaar en hengstenhouder. Toch is het contact tussen de twee takken in de familie verbroken. Loek: “Wat er gebeurd is, weet ik niet, mijn vader heb ik er nooit over gehoord. Maar ik ben weleens meegegaan naar een vergadering van hengstenhouders en daar maakte ik voor het eerst kennis met Jan, die mij niet kende en me een hand gaf. Maar verder liepen mijn vader en hij in boogje om elkaar heen.”

Toekomst in de Holsteiner
Jan is in 1975 voorzitter van de Bond van Paardenhandelaren in Groningen, al drijft de zaak grotendeels op pleegzoon Harry van Rossem. Het Nieuwsblad van het Noorden neemt op 24 september 1975 een kijkje bij Jan (dan 77) thuis in Winsum. In de ruime kamer van de door snelgroeiend Winsum ingekapselde boerderij, Bellingeweer I, staan ingelijste foto’s van fiere kampioenen, paardenbeeldjes en afbeeldingen van paarden op het behang. Rondom de schemerlamp de rozetten met linten als herinneringen aan de bekroningen van de laatste jaren. Jan verhaalt over de 56 paarden die hij na de oorlog leverde aan Oostenrijk voor de Staatsfokkerij van Dr. Steinlegner en de izabelkleurige dieren voor circus Althoff. Hij vertelt: “Na 1951 is er een opleving gekomen in de paardenhandel en dat is tot nu toe zo gebleven. Dat komt ook door de vraag naar rijpaarden. Als vroeger een hengst werd afgekeurd, dan was dat een fikse strop, want dan kon het dier enkel nog maar voor de slacht verkocht worden. Nu kan een paard dat niet goedgekeurd wordt, best nog een goed rijpaard zijn.”
Wat duidelijk is voor de Poelstra’s: in de jaren vijftig en zestig ontstaat een nieuw doel in de fokkerij. Hoeveel gewicht het Groninger paard ook in de strijd gooit, de concurrentie met de tractor heeft het verloren. Voor zware hengsten op dekstation De Waag is geen belangstelling meer. Maar de ruitersport is in opkomst en dit brengt een nieuwe behoefte aan een lichter, vlotter sportpaard. Een rijpaard om precies te zijn en de oplossing ligt in de inbreng van Holsteiner bloed. Geen hengsten ditmaal, maar merries, om het risico van een negatieve invloed op de paardenstapel te beperken. In 1951 gaan de heren Maarsingh, Jan Poelstra en Wiersema, in het kader van dit nieuwe experiment, naar Elmshorn, het centrum van de Holsteiner fokkerij, om daar zeventien merries aan te kopen. Vanaf die tijd zijn springsport, dressuur en military de nieuwe fokdoelen.

De laatste Groninger hengst
Het is juist op een steenworp afstand van het voormalige dekstation De Waag, namelijk op landgoed Nienoord in Leek, waar de Stichting Zeldzame Huisdierrassen in 1979 de ‘laatste echte’ Groninger hengst Baldewijn stationeert. Vrijwel gelijk betoogt de paardenkenner Y.F. Kamphuis uit Groningen dat er geen Gronings paardenras heeft bestaan en dat hoogstens van een type kan worden gesproken: “Baldewijn is een kruising; zijn vader is een Gelderse hengst en met Baldewijn kan men het Groninger paard van welk type dan ook – de karossier, het zware landbouwpaard of het moderne type – niet laten herleven. Baldewijn kan geen paardenras maken en helemaal geen Groninger paardenras, dat ook nooit heeft bestaan en door het stamboek zelf als type werd aangeduid”, aldus Kamphuis in het Nieuwsblad van het Noorden (4-8-1979). Met het volgen van drie generaties Poelstra is duidelijk hoe door de import van merries en met name dekhengsten uit Oldenburg en Oost-Friesland tot aan Hannover en Gelderland toe het Groningse type in een eeuw tijd tot driemaal toe veranderde. Het is dus geen vaststaand type en evenmin een specifieke genenpoel.

Een ras?
Is het Groninger paard een ras of niet? “Ras, koppel of groep; een lijn van afstammelingen die bepaalde overerfbare kwaliteiten vasthouden”, zegt de Oxford English Dictionary. “Of een sub-specifieke groep van gedomesticeerde dieren met definieerbare en te identificeren uitwendige kenmerken die het mogelijk maken om ze visueel te onderscheiden van andere, gelijk gedefinieerde groepen binnen dezelfde soort, of een groep waarbij geografische en/of culturele scheiding van fenotypische andere groepen heeft geleid tot de acceptatie van zijn bijzondere identiteit”, vindt de FAO World Watch List. In dat opzicht is het Groninger paard géén ras.
Voor de liefhebbers van Stamboekvereniging het Groninger Paard zijn er andere definities: “Een ras is een groep gedomesticeerde dieren, zo genoemd door acceptatie van de fokkers,… een term welke tot stand kwam onder fokkers van boerderijdieren, gecreëerd kun je wel zeggen, voor hun eigen gebruik, en niemand heeft erover nagedacht om dit een wetenschappelijke definitie te noemen of verwijt fokkers iets verkeerds wanneer ze afwijken van de definitie. Het is hun woord en de gewoonte van de fokkers is dat we het moeten accepteren als de correcte definitie”, staat het omschreven in ‘The Genetics of Populations’ van Lush (1994). Of zoals communicatiewetenschapper K. Hammond het versimpelt: “Een ras is een ras als genoeg mensen zeggen dat het een ras is.”

Bron: o.a. gesprek Loek Poelstra (13-1-2021), en aantekeningen van Jaap Poelstra met zijn vader Wietze Lipko Reint Poelstra, zoon van Lolke Poelstra (1991).

Foto boven: het monsteren van Rex Regum in 1940. 


Nieuwsblad van het Noorden 2-9-1897.


Nieuwsblad van het Noorden 23-5-1918.


Jimbo, getekend door Tabertus Melissen in 1940.


Lolke Poelstra met een nakomeling van Grimbo
(v. Jimbo) in de jaren vijftig.


Café annex dekstation De Waag in Nietap: vroeger
en nu. In het rechterdeel, waar nu de slijterij zit,
stonden de hengsten.


Paardenmonstering op paasmaandag.


Didono, begin jaren veertig, zou altijd de
favoriete hengst van Feike blijven.


Rex Regum in 1940, waar de Nieuwe Provinciale
Groninger Courant kritisch over zegt: “Niet geheel
zijn naam waardig, maar goed Oldenburger type
hengst.”


Grimbo, getekend door fokveefotograaf en -schilder
Tabertus Melissen.


Raldino.


Noorderlicht: nummer 1316 van het Noord-
Nederlandsch Warmbloed Paardenstamboek,
een voorloper van het huidige KWPN.


Vazal, de donkere schimmel die naar de Engelse
koninklijke stallen vertrok.


Feike Poelstra (1909-1984).


Voorman is voor de ploeg weggekocht.


Het echtpaar (Jan) Poelstra voor hun woning in
Winsum, in het Nieuwsblad van het Noorden in 1975.