“Jij ben een lelijke, vuile kerel; je bent een plaag”, brulde Gerard Mudde tegen een politieagent die hem bekeurde vanwege een rijtuig dat illegaal op de stoep stond. Voor die belediging veroordeelde de rechter hem tot 25 gulden boete. Maar aan de rand van een Amsterdamse sloppenwijk weet Mudde een rijtuigfabriek met zo’n dertig knechten op te bouwen. Coupéetjes en vigilantes voor stalhouders bouwen ze, zelfs het eerste Nederlandse rijtuig op luchtbanden. Wie naar boven kijkt in de Spuistraat kan er het vage, witte ‘rijtuigfabriek’ nog op de gevel zien staan.

Palfrenier Gerrit Mudde, woont met zijn gezin in Bennebroek, waar hij ook onderdak biedt aan nichtje Engelina van Bakel. Dit pleegkind is dochter van wagenmaker Hendrik van Bakel uit Heemstede en een achternichtje van de oprichter van rijtuigfabriek Schutter & Van Bakel in Amsterdam. Mudde heeft twee zonen: Leonardus Bernardus, een latere leraar, en Bernardus Gerardus (Gerard). Bij zijn keuring voor militaire dienstplicht in 1884, met vrijstelling als resultaat, is Gerard (1864-1939) wagenmaker in Bennebroek en dat betekent waarschijnlijk dat hij bij rijtuigfabrikant Stam werkt, als zijnde de enige in het dorp die wagenmakerknechten in dienst heeft. Mudde, Van Bakel en Stam zijn drie families met wagenmakers die elkaar sowieso via relaties kennen.
De familie Mudde is royaal vertegenwoordig in de hoofdstad, al is het geen welvarende familie die de kost verdient als werkman of schillenophaler. Een neef is er koffiehuishouder. En dat kan verklaren dat Gerard zich in 1888 als zelfstandig wagenmaker vestigt aan de Spuistraat, huidige nummers 3, bij het Hekelveld in Amsterdam. Achter het Hekelveld is een chaos van stegen en sloppen, die de verzamelnaam ‘Hemelrijk’ draagt, wat ’t allerminst is; bittere armoe straalt er van af. In die sloppen zijn in de negentiende eeuw nog 94 woningen ondergebracht, waarvan zeventig eenkamerwoningen, en pas in 1917 pakt de gemeente de gelegenheid om de krotten op te gaan kopen voor sloop. In de tijd van Gerard Mudde kost het echter nog weinig moeite, als je tenminste iets van spaarcenten had, om aan de rand van die ellende op weekbasis een pand te huren. Een jaar na zijn vestiging in Amsterdam treedt Gerard in het huwelijk met schippersdochter Ida Margaretha de Jong. Ze gaan wonen in de Rosmolensteeg.

Timmerwinkel Jansen
Of het is door de contacten die bijvoorbeeld zijn koffiehuis-houdende neef heeft of anderszins, de wagenmakerij van Mudde groeit uit zonder echt reclame te maken tot een heuse rijtuigfabriek. In 1897 volgt de toestemming om een smederij op te richten in de achtergedeelte van een pand, dat uitkomt op de NZ Voorburgwal. Een paar jaar later zijn foto’s gemaakt van het personeel voor de drie panden die Mudde in gebruik heeft aan de Spuistraat en die uitstralen wat de buurt erachter te verbergen heeft: armoede. De ruiten van de gebouwen zijn kapot, het oogt smerig en de reclame van een vorige huurder, timmerwinkel Jansen, is blijven zitten. Maar overduidelijk is de indeling van de fabriek: het pand rechts de smederij met zeven knechten, in het midden de timmerwerkplaats met acht knechten en in het rechterpand de werkplaats van drie stoffeerders. Het lakwerk, waarvoor een stofvrije omgeving is vereist, is kennelijk uitbesteed aan een zelfstandige schilder elders in de stad. Rechts van het midden staan de directeur Gerard Mudde met een van z’n dochters, zoontje Theo en met wit schort, de meesterknecht. Uit de ramen op de bovenetages hangen ook nog zeker zes knechten om op de foto te komen. De mannen poseren met drie coupés waar ze aan werken en een zogeheten coureuse, zoals in Nederland een kleine phaeton werd genoemd.

Geraamte van ijzer en hout
“Sedert ’t begin van 1896 vindt men aan de stations te Parijs huurrijtuigen van de coöperatieve maatschappij La Nouvelle, wier raderen van luchtbanden voorzien zijn. Aanvankelijk werden er een twintigtal in gebruik gesteld, doch deze voldoen zoo goed dat ze ongetwijfeld spoedig algemeen in gebruik zullen komen. De vier wielen van deze huurkoetsen zijn niet anders dan groote raderen, geheel gelijk aan die van rijwielen. Tot dusverre zag men ze alleen aan enkele particuliere rijtuigen en meenden velen dat alleen rijkaards zich deze weelde konden veroorloven. Doch de ondervinding heeft nu geleerd dat men in een rijtuig met deze luchtbanden niet alleen veel gemakkelijker en aangenamer rijdt, zonder hinderlijke stooten en schokken, zoodat men zelfs al rijdende gemakkelijk schrijven kan en met zoo weinig gedruisch dat men een gesprek kan voeren zonder te schreeuwen, maar dat het bovendien wel verre van een weelde te zijn, eene groote besparing van kosten is”, bericht de Venlosche Courant op 9 januari 1897 over een oude Engelse uitvinding die eindelijk zijn opmars gaat maken. Mudde heeft de primeur om het eerste Nederlandse rijtuig op luchtbanden te bouwen, althans om er aan mee te werken: “De Amsterdamsche Rijtuigmaatschappij, die wel met haren tijd meegaat, liet zich onlangs een Berliner-Landauer vervaardigen, waarvan de wielen met luchtbanden voorzien zijn. De wagenmaker Mudde, alhier, leverde het geraamte van hout en ijzer; de luchtbanden zijn uit de fabriek van Englebert fils & Co te Luik, en de bekleeding en schildering geschiedden door de maatschappij-zelve. Door een en ander is een sierlijk rijtuig verkregen dat met zijn fraai span onder de publieke vervoermiddelen een kranig figuur maakt”, aldus het Nieuws van den Dag op 15 juni 1898. Op die dag komt ook het Algemeen Handelsblad de nieuwigheid bekijken en schrijft: “Evenals bij een gewone flets worden deze banden gemakkelijk opgepompt. Van glasscherven of andere vijanden van den fietsband zullen deze rijtuigbanden niet veel last hebben, daar de huid zeer dik is. Op hobbelige straten zal men veel gemak van de nieuwe uitvinding hebben, zoodat in de toekomst de geruischlooze rijtuigen wel zullen vermeerderen.” Goedkoop zijn de luchtbanden van rubberfabriek Englebert, die aanvankelijk vooral regenjassen maakte, niet: ƒ 400,- per set. De luchtband onder het rijtuig komt in Nederland echter nooit goed van de grond.

Ivoren leeuwenkoppen
Wat tot in lengte van jaren voortgaat is het af en aanrijden van trouwcoupés in de hoofdstad. En daar zit een beter kans voor Gerard Mudde, hij bouwt er tientallen. “Er lieten zich heden, op dezen blijden, zonnigen zomerdag, verscheiden gelukkige paren in den echt verbinden. In de morgenuren stond het op den O.Z. Voorburgwal bij het Stadhuis vol wachtende rijtuigen. Vele fraaie koetsen waren er bij, en keurige trouwcoupés, maar één spande toch de kroon en had geweldig veel bekijks. Het was een fraaie gala-clarence, rondom met geslepen spiegelglas, ook de achterzijde van het rijtuig was van gebogen glas. Van binnen was dit rijtuig bekleed met gecapitonneerde roode zijde en de portieren waren met kunstig gesneden ivoren leeuwenkoppen versierd. Toch was het geen pronkerig rijtuig, want van buiten was ’t heel eenvoudig zwart gelakt, met een fijn lood biesje. Met zijn hooge, sierlijk gebogen veeren en dunne wielen met gummibanden maakte het een vluggen, eleganten indruk, net een rijtuigje voor een paar keurig gekleede bruidsmeisjes, waarvoor het dan ook bestemd was. ’t Mag wel vermeld worden, dat deze clarence, een nieuwigheid voor Amsterdam, een product is van vaderlandsche nijverheid, en vervaardigd is in de werkplaats van den rijtuigfabrikant B. G. Mudde in de Spuistraat alhier, die dit rijtuig voor de bekende stalhouders-firma Gebr. Sisselaar maakte.” (Nieuws van den Dag 19-7-1901)
Gerard Mudde komt in 1902 voor het gerecht in Amsterdam voor belediging van een ambtenaar in functie. Op 10 april had hij namelijk tegen een surveillerende hoofdagent geroepen: “Jij ben een lelijke, vuile kerel; je bent een plaag.” De reden van de uitbarsting is dat op de bewuste dag de agent een rijtuig van Mudde op het trottoir aan de Nieuwezijds Voorburgwal ziet staan. Mudde heeft geen vergunning om het rijtuig op de openbare weg te laten staan en gaat op de bon, waarbij hij weigert om zijn naam op te geven en scheldt de agent uit. Dat geintje kost hem de lieve som van vijf en twintig gulden, waartoe de rechter hem veroordeelt.

Volgehouden tot 1983
Wanneer de auto zijn entree maakt heeft Mudde de bedrijvigheid als carrosseriebouwer uitgebreid naar zes panden op een rij – de ruiten nog altijd kapot. In 1913 is zoon Theo H.G. Mudde (1891-1972), goed 22 jaar oud, zelfstandig aan het werk als carrosseriebouwer aan de Bloemgracht 102. Hij noemt zijn fabriek Excelsior, maar het loopt op niets uit. Wat er precies aan de hand is, laat zich slecht raden. Theo gaat hierna zijn eigen weg en leent in Den Haag geld om een metaalfabriek op te starten, die nog steeds bestaat onder de naam CM Staal in Wateringen. In 1915 is de firma Gerard Mudde verhuisd naar een geheel nieuw pand aan de Veerstraat 73-75 en floreert er met plaatwerk, stofferen en het afwerken van automobielen. Theo’s broer Gerardus Quirinus (1903-1993) begint ook als rijtuigmaker om de zaak van vader voort te zetten. In 1939 overlijdt de grondlegger van het bedrijf aan de Julianalaan 103 in Overveen, pas in 1983 sluit de BV carrosseriefabriek v/h Gerard Mudde zijn deuren aan de Veerstraat in Amsterdam.
“Mudde is knudde”, mag een stalhouder ooit een keer roepen tijdens een latere opkoperrij, maar de fabrikant weet in een relatief kort tijdbestek van vijftien tot twintig jaar een naam op te bouwen als rijtuigfabrikant en daarna succesvol de overstap te maken naar auto’s. Bij de opheffingsverkoop van stalhouderij Van Delden in Amsterdam in 1959 brengt een bruidscoupé van Mudde ƒ 650,- op, ter vergelijking, eentje van het bekendere merk Hermans ƒ 300,-. En op de veiling van de NV Onderlinge Rouwvereniging in Rotterdam komt in 1957 een statieberline -met beige bekleding- van Mudde onder de hamer. Het zou maar zo kunnen dat dit de volgende twee, nog resterende rijtuigen zijn.

Wat resteert
Stichting de Koetsewagen, die tot doel heeft het in stand houden van rijtuigen in Groningen, heeft een wit trouwcoupeetje van Mudde. Het is een keurig gemaakt rijtuig dat echter in deplorabele staat verkeert. Gammel en rot. De vraag is zelfs of het loont om het te restaureren. Voor een expositie in het Nationaal Rijtuigmuseum is deze coupé half blauw en half wit gekwast om te laten zien hoe stalhouders, inspelend op een modeverschijnsel, donkere dokterscoupés wit schilderden om bruidspaartjes naar het stadhuis te rijden.
Een andere Mudde is de statieberline of beter gezegd ‘rouwvolger’ van stalhouderij Herman Haasnoot in Rijnsburg. Deze wagen is in showconditie. Verder resteren van Mudde nog tenminste drie cilindrische kaarslantaarns voor rijtuigen, waarvan een compleet span in het Nationaal Rijtuigmuseum in Leek. Maar de meest bijzondere en onopvallende nalatenschap van Mudde is nog dagelijks te zien voor de Amsterdammers die even de moeite nemen om bij de Spuistraat nummer 3, een Italiaans restaurant, omhoog te kijken, waar in vage letters het woord ‘rijtuigfabriek’ op de gevel is blijven staan. Precies zoals Gerard Mudde het er eind 19e eeuw op liet schilderen.

Foto boven: de rouwvolger van stalhouderij Herman Haasnoot in Rijnsburg.


Rechts de smederij, in het midden de wagenmakerij, links de stoffeerderij. Mudde staat met dochtertje,
zoontje Theo en de meesterknecht rechts van het midden. (foto Stadsarchief Amsterdam).


Het personeel poseert aan Spuistraat, rond 1900 (foto Stadsarchief Amsterdam).


Altijd op zoek naar personeel
(Nieuws van den Dag 25-7-1900).


Wieldop van de rouwvolger van Herman Haasnoot.


Tegen 1910 doet de auto zijn intrede en zijn zes
panden naast elkaar in gebruik
(foto Stadsarchief Amsterdam).


Trouwcoupé van Stichting de Koetsewagen.


De panden op nr.3 van de Spuistraat staan er nog,
wel met nieuw glas en meer status.


In vage, witte letters is het ‘rijtuigfabriek’ van de
oude foto’s nog te herkennen op de gevel.


De gemerkte ‘neus’ van een cilindrische rijtuiglamp.