Herman Everhard had de oudste stalhouderij in het Amsterdamse Museumkwartier. Dat ‘oudste’ is betrekkelijk voor een wijk die pas aan het einde van de 19e eeuw in ontwikkeling kwam: het Rijksmuseum gereed in 1885, het Stedelijk Museum in 1895 en het Concertgebouw in 1888. Als stalhouder Everhard hier vanaf 1892 aan de weg timmert is het vooral een grote bouwput. Maar wel een toplocatie voor in de toekomst met een gestage stroom van concertbezoekers en toeristen, en ook uit de nog aan te leggen deftige woonwijk gaat klandizie komen voor een stalhouderij.

Herman Hendrik Everhard (1856-1940) is geboren als zoon van een kruier, kleinzoon ook van een kruier en zelfs zijn broer verdient het zout in de pap niet door het kruien van zware lasten; slecht werk dat een mens vroegtijdig doet verslijten. Herman, op dat moment winkelbediende, gaat het anders doen, zo weet hij in 1879 bij het huwelijk met dienstbode Flora Pauwlina Rutgers.
Hoe hij het voor elkaar krijgt en wie hem de centen leent is onbekend, maar Herman met zijn bruine haar en blauwe ogen, getuige de keuring voor zijn militaire dienst, bouwt vanuit een houten loods tegenover het Concertgebouw een stalhouderij op. In juni 1898 dient Herman zelfs het verzoek in bij de gemeente om 316 vierkante meter grond in erfpacht te krijgen ‘aan eene der geprojecteerde straten’ van de Van Baerlestraat naar de Ruysdaelkade, om daar een nieuw gebouw neer te gaan zetten. De gemeente gaat akkoord al moet er nog wel het nodige gebeuren aan het wegdek, terwijl de erfpachtcanon 4% van de verkoopwaarde à ƒ 35,- per vierkante meter per jaar bedraagt.
Twee architectenbureaus leveren een ontwerp aan voor deze plek. Maar het zijn van Weissman en Van Niftrik, die hier in de buurt meer ontwerpen, die de uiteindelijke tekeningen maken van een asymmetrische gevel van 28 meter, opgesierd met houten erkers met spitsen, en hier en daar een Frans balkon met afdakjes. Met achter die gevel komt een gebouw groot genoeg voor achttien paarden, twintig rijtuigen, een mestplaats en een hooizolder. Het biedt ruimte aan de stalhouderij op de benedenverdieping, te herkennen aan de relatief brede poorten voor de rijtuigen, en telt drie bovenwoningen. In juli 1900 gaat de Maatschappij de Bouwersbond van start met de uitvoering van het plan voor ƒ 54.958,- Dat is omgerekend naar de huidige koopkracht zo’n € 750.00,- en dus geen klein bedrag.

Flikkerend rode schijnsel
Een van de grootste risico’s die een grootstedelijke stalhouderij in de vorige eeuwen liep was brand. Ook Herman Everhard ontkomt er niet aan en op 19 februari 1901 breekt ’s nachts brand uit in de oude stal tegenover het Concertgebouw: “Dit geheel houten gebouw brandde als een vuurzee, zodat ver in de stad het flikkerend roode schijnsel tegen den hemel zichtbaar was. Het stalpersoneel, dat sliep ongeveer in het midden van het gebouw, was wakker geworden door het geknetter van vlammen en het vallen als van een zwaar voorwerp”, aldus het Nieuws van den Dag. De mannen slagen er in om de paarden los te krijgen en de straat op te jagen. De dieren zijn weer opgevangen en in eerste instantie ondergebracht in de nieuwe, nog in aanbouw zijnde stal. Twintig rijtuigen verbranden. “Van het veertig meter lange gebouw, bestaande uit twee naast elkaar gelegen loodsen, was weldra niets meer over, dan een ruïne van verkoolde planken en balken.” Het gebouw brandt door de opslag van hooi en stro als een fakkel. Everhard laat al gelijk weten dat alle paarden ongedeerd zijn gebleven en een onderdak krijgen bij andere stalhouderijen. Hij kan zijn zaak voortzetten. Enige probleem is dat er van het personeel geen sok of jas is overgebleven en blijkbaar ontbreekt het geld om nieuwe kleding te kopen. Er moet liefdadigheid aan te pas komen: “Ondergeteekenden doen een beroep op de welwillendheid van velen voor het personeel (14 man) van den Stalhouder Everhard, Van Baerlestraat, die bij den brand al hun kleeren verloren, die niet geassureerd waren. Gaven worden daartoe gaarne in ontvangst genomen door Mevrouw Van Riemsdijk, Hobbemastraat 21. Mevrouw Van Eeghen, Willemsparkweg 205. Mevrouw Scheltema, Keizersgracht 619. Mevrouw Van de Wall Bake, Willemsparkweg 113”, zo valt na een week in het Nieuws van den Dag te lezen. Het zijn welgestelde klanten van de stalhouderij of diens echtgenotes: jonkheer Van Riemsdijk is directeur van het Rijksmuseum, Tijo Hendriks van Eeghen handelde in Indië.

In den waan
Korte tijd later is het nieuwe gebouw voltooid. Herman zet gelijk te huur: “3 Vrije 1e klasse bovenhuizen, dadelijk te aanvaarden, voor en achter riant uitzicht, Gabriel Metzgerstraat 2, 4 en 6, over het Concertgebouw.” De stalhouder woont zelf nog bij de in allerijl herbouwde oude stallen aan de Van Baerlestraat 60-62.
In 1903 verandert de paardentram die door de Van Baerlestraat loopt in een elektrische tramlijn. Die verbetering van het openbaar vervoer, waardoor concert- en museumbezoekers een stuk goedkoper en sneller aan de andere kant van de stad en bij het station komen, doet de stalhouderij evenwel geen goed. Maar wat Everhard wel goed doet is vanaf 1904 het verkopen van abonnementen: hij begint voorzichtig met vierrittenkaarten voor ƒ 3,80 en merkt na een jaar dat ‘couponboekjes’ voor zes of twaalf ritten nog beter werken. In de stalhouderij ligt ook de luchtballon Wilhelmina opgeslagen, waarvan een aardige anekdote is dat de ballonvaarder die in 1904 vanaf het Museumplein opsteeg, zijn ballon bij de landing in Monnikendam bijna kwijtraakt aan een boer die claimt dat het gas uit de ballon zijn weide had bedorven, en dat zijn koeien hierdoor zouden sterven. Het kost wat moeite om de man te overreden de ballon door de stalhouderij te laten opladen.
In De Telegraaf van 3 december 1907 plaatst Everhard het volgende bericht: “Daar mijne hooggeachte clientèle door de advertenties van den stalhouder C. Bakhuizen in den waan zou kunnen worden gebracht, dat ik mijn stalhouderij aan de Van Baerlestraat 60/62 aan hem heb overgedragen en dat ik zelf het stalhoudersbedrijf niet meer uitoefen, haast ik mij bekend te maken dat dit niet het geval is, doch dat mijn stalhouderij thans uitsluitend gevestigd is aan de Gabriël Metsustraat 2-4-6.” Bakhuizen heeft echter geen woord verkeerd gezegd, want hij heeft gewoon de oude stallen ‘waarin sedert jaren eene stalhouderij gevestigd is geweest’ in de Van Baerle overgenomen en maakt in de krant dat hij hiermee, naast Leidseplein en in de 2de Weteringdwarsstraat, een derde filiaal opent.
Cornelis Bakhuizen, de stalhouder die de gemeenteraad zo ver kreeg dat zonen van stalhouders al vanaf hun zestiende op de bok mogen zitten, maakte eerder dat jaar nog een frappant voorval mee: “Terwijl een stalknecht van den stalhouder Bakhuizen op de Baangracht bij het Leidscheplein bezig was een coupé schoon te maken, die aan den walkant stond en daarvoor op den hemel van het rijtuig had plaats genomen, kwam er plotseling beweging in het coupeetje; het reed achteruit en geraakte in de gracht. De knecht sprong nog bijtijds van zijn verheven zitplaats; Sinck’s toestel, dat onmiddellijk ontboden werd, bracht het rijtuig spoedig daarna weer op het droge.” (De Courant 4-4-1907) Het kan verkeren.

De noodkreet van Herman Everhard ten spijt is hij twee maand later, in februari 1908, failliet en valt het doek voor zijn onderneming. De schuldenlast blijkt te groot. Ook het prachtige gebouw aan de Gabriël Metsustraat, waar hij met zijn gezin op nummer 2 woont, komt nu in de openbare verkoop. De Everhards moeten verhuizen naar de Bellamystraat. Voor hen gaat het bergafwaarts. Flora overlijdt twee jaar later en hij zal nog tot tweemaal toe hertrouwen en voor zijn inkomen tevreden moeten zijn met baantjes als magazijnknecht, afwisselend werkeloos, portier en op het laatst winkelier. Herman is terug bij af.

Etty Hillesum
Stalhouder Bakhuizen neemt ook de boel aan de Gabriël Metsusstraat over en blijft er tot 1913 gevestigd tot ‘ziekte hem dwingt’ om in te krimpen: acht paarden, vier victoria’s, zes coupé-clarence’s, twee vigilantes en twee landauers. Het pand komt via een veiling in handen van de Amsterdamsche Rijtuig Maatschappij (ARM), die er zijn afdeling Automobiel Exploitatie Maatschappij (AEM) in onderbracht. Er komen showrooms en reparatiewerkplaatsen voor de door hun geëxploiteerde en te verkopen auto’s van Spyker en Wolseley Motor Company. Er breekt voor het gebouw een lange periode aan dat de begane grond in gebruik is voor auto’s; het laatst vanaf 1968 voor Saab Automobile, dat in 1990 naar Amsterdam Zuidoost vertrekt. Het pand kent eigenlijk vanaf de bouw een sluimerend bestaan in de buurt.
De bekendste bewoners van de bovenwoningen zijn ingenieur en wethouder Frederik s’Jacob en de studente Etty Hillesum, die op nummer 6 haar dagboeken over absurditeit van de holocaust schreef. Ter nagedachtenis aan haar hangt er een herinneringsbordje naast de deur, want het indrukwekkende gebouw dat Herman liet bouwen bestaat nog, kantje-boord weliswaar, nadat de gemeente aanvankelijk op verzoek van een projectontwikkelaar een sloopvergunning had afgegeven. In 2020 kwam het bewustzijn dat dit bijzondere gebouw een monumentenstatus verdient.

Beeld: Stadsarchief Amsterdam


De oude stalhouderij van Everhard bij het Museumplein, rond 1905. Rechts achter op de foto is de tribune van het IJsclubterrein zichtbaar.


Nieuws van den Dag 3-11-1891.


Rijtuig van Everhard, met op de achtergrond het Concertgebouw.


Gabriël Metsustraat 2-6: ontwerp van de nieuwe stalhouderij met bovenwoningen, door Weissman en Van Niftrik.


Gabriël Metsustraat 2-6 anno 2020 nog steeds op zichtafstand van het Concertgebouw.