Dokter Dirk Bakker is in het Bloemendaal van voor de Eerste Wereldoorlog een bekende verschijning. Bij nacht en ontij legt hij visites af in een dokterscoupé, met op de bok een koetsier van stalhouderij Gebroeders Böttger. Deze kleine stalhouderij is weinig pretentieus, zeker vergeleken bij de particuliere koetshuizen van buitenplaatsen als Hartenlust of Elswout. Toch laten de gebroeders een keurig stalgebouw ontwerpen aan de Zomerzorgerlaan, dat tegenwoordig als toonbeeld van bouwkunst geldt.

Johannes Godfried Böttger (1779-1859) was voor hij naar Bloemendaal kwam winkelier in Zierikzee. Als de heer Van der Burcht van Lichtenberg in 1817 van Zierikzee naar Bloemendaal verhuist, wordt Johannes koetsier op zijn buitenplaats Hartelust. Samen met zijn vrouw Anna betrekt Johannes de dienstwoning op de hoek Zomerzorgerlaan-Verlengde Koepellaan. Hun zoon, Godfried Johan (1823-1903) is één van de eerste postbodes in Bloemendaal. Naast die werkzaamheden heeft deze Godfried een stalhouderij naast zijn woonhuis aan de Zomerzorgerlaan. In die tijd (1882) zet hij een buldog te koop in het Nieuws van den Dag: “Van zeldzame schoonheid, geel met zwart masker, reu, loopt prachtig onder het rijtuig, is uitmuntend geschikt voor een Heerenstal, trouw en volgzaam.” Zo’n advertentie bewijst dat Böttger wel weet wat modieus is in de particuliere koetshuizen om hem heen. Voor een dame is er namelijk niets zo chique als een koningspoedel onder de achteras van het rijtuig, terwijl een heer liever gevolgd wil worden door een Deense dog of buldog. Zo gaat het namelijk in het Parijse Bois de Boulogne en dan is dat minstens zo chique in Bloemendaal.
Godfried verzorgt vervoersdiensten en ezeltje-rijden dat grote bekendheid krijgt onder leiding van de derde generatie koetsiers, zijn twee zoons Godfried en Christiaan. Die activiteit oogst wel waardering van de -verder- kritische Bloemendalers. “Wij meenen, dat ons bosch in vroeger jaren vaak door afdeelingen huzaren voor oefeningsterrein gebezigd werd en dat de eigenaars daarom den toegang hebben verboden voor ruiters te paard; het rijden op ezels, die door de stalhouderij van gebroeders Böttger verhuurd werden, een geliefkoosde uitspanning der Haarlemsche jeugd, bleef geoorloofd”, aldus Het Bloemendaalsch Weekblad op 11 juli 1908. De Zomerzorglaan is van de Chr. Mulo-school tot aan de stalhouderij in die dagen nog een slechte, onverharde weg die, ondanks enkele verbeteringen, in de zomer flink stuift en in de winter in een modderpoel verandert.

‘Mestprobleem’
Door de bouw van de villaparken aan het begin van de twintigste eeuw vervangen de broers hun diensten van ezeltje-rijden steeds meer door koetsiersdiensten. Wanneer de oude stal niet meer voldoet, geven de broers opdracht aan aannemer Rings uit Santpoort om een nieuwe stalhouderij, naar ontwerp van architect W.P. Nederkoorn, te bouwen voor ƒ 6.499,-. De nieuwe stal biedt onderdak aan tien paarden en dat aantal geeft aanleiding tot klachten. De Gezondheidscommissie in Velsen stelt dit in maart 1912 aan de orde: “Aangezien voortdurend klachten inkomen over den stank welk de mest uit de stalhouderij van gebroeders Böttger verspreid werd besloten B. en W. te adviseren de vergunning te wijzigen in dien zin, dat uitdrukkelijk als voorwaarde wordt gesteld, dat de mest ieder week wordt weggebracht.” De mest die Böttger aanbiedt in advertenties is zogenaamde ‘korte’ paardenmest, wat zo veel wil zeggen dat het lange stro is gehakseld eer het achter de paarden komt te liggen. Het voordeel daarvan is dat het meer geld opleverde, want korte mest verteert sneller tot vruchtbare compost en dat is waardevol in de Westlandse tuinbouw.
Met tien paarden is het echter nog een kleine stalhouderij, in geen opzicht met de stalhouders van een grote stad. Daarvoor is de klandizie te beperkt: in de grote steden heeft de bovenlaag van de bevolking geld genoeg voor het houden van luxe koetspaarden, maar geen ruimte. Stalhouders verdienen daar flink aan door het verhuren zogenaamde ‘maandpaarden’, zij hadden de zorg, de klant het gemak. En de gegoede middenklasse in een stad huurt bij tijd en wijle een rijtuig voor trouwen, uitstapje of jubileum. Maar in het Kennemerland en specifiek Bloemendaal is die middenklasse er minder, hier is de bevolking eerder opgedeeld in rijke mensen met een eigen equipage en arbeiders die het inhuren van een stalhouder niet kunnen betalen. Toch is er markt voor de Böttgers. Bijvoorbeeld dokter Dirk Bakker die de stalhouderij inhuurt om met een coupé – een typisch doktersrijtuig- visites te rijden. De dokter, ‘den hartelijken man’, is bemind in Bloemendaal, heeft een apotheek en zorgt voor de armere ‘Fondspatiënten’. Bij zijn veertigjarig jubileum in 1915 verklapt hij in het Haarlem’s Dagblad: “Eens is het me gebeurd, dat ik in den nacht naar ’n verren patiënt moest. Er moest ingespannen worden, wat me ƒ 1,50 kostte, en ‘k kreeg voor m’n visite maar ƒ 1,-; dan glunder erachter: Gelukkig mocht ‘k ook nog een drankje klaarmaken voor twee kwartjes en daarvoor hoefde ‘k er geen geld op toe te leggen.”

Gerrit Knaapen
Bij het aanstellen van koetsiers is de stalhouderij niet pretentieus, als de heren Böttger in maart 1913 een extra man zoeken, vragen ze in het Haarlem’s Dagblad een ‘inwonend, ongehuwd voermansknecht’ tussen de dertig en 38, van onbesproken gedrag en goed kunnende rijden met één en twee paarden. Op andere momenten willen ze een ‘jongen, niet onder de 15 à 16 jaar’.
Iemand die zo de stalhouderij binnenkomt is koetsier Gerrit Knaapen. Bij zijn dertigjarig jubileum aan de zaak kreeg hij al een gouden horloge en cadeautjes, in 1938, wanneer hij naast zijn 65-ste verjaardag, maar liefst 45 jaar in dienst is, ontvangt Gerrit met brons onderscheiden in de orde van Oranje-Nassau. Paarden zijn er dan niet meer, want de stalhouderij is tien jaar eerder opgeheven en de gebroeders zijn verder gegaan als kolenboer en autoverhuurder.
Maar de voorgevel van de stalhouderij uit 1901 staat nog fier overeind aan de Zomerzorgerlaan 17 in Bloemendaal. Het gebouw is als provinciaal monument aangewezen, want het is een zeldzaam voorbeeld van dit bouwtype uit het begin van de 19e eeuw. “Ook de ligging, de gaafheid van de hoofdvorm, de detaillering en het toegepaste materiaal dragen hieraan bij”, zo vindt de pronvincie.

Beeld: Noord-Hollands Archief

foto boven: in 1903: v.l.n.r. de dokterscoupé van dokter Bakker, met koetsier Paul de Vos. Op de landauer in het midden zit Gerrit Knaapen, rechts een victoria met Godfried Böttger. Voor het personeel staat in het midden vooraan (met klompen) Christiaan Böttger.


Het ontwerp van architect W.P. Nederkoorn, 1901, voor de nieuwe stal.


Zoals het stalgebouw er tegenwoordig nog keurig bijstaat aan de Zomerzorgerlaan 17 te Bloemendaal.


Nieuws van den Dag; Kleine Courant, 10-7-1882.