In het Nationaal Rijtuigmuseum staat een typisch Gronings rijtuig met de naam Brukker op de doppen gegraveerd. Een naam van faam in stad en provincie.

Rijtuigbouwer en stalhouder Jelmer Brukker (1840-1922) is vanaf 1861 gevestigd aan de Nieuweweg 46 in Groningen. In 1864 vraagt Jelmer vergunning aan om de boel te verbouwen, twee jaar later trouwt hij met zijn liefje Ida Wristers en in de jaren daarna vindt er telkens een verbouwing of verbetering plaats. In 1873 bouwt hij zelfs een compleet nieuwe wagenmakerij en smederij. Het gaat goed in de zaken. Langzaam maar zeker ontpopt zich in Jelmer een ware projectontwikkelaar die de hoek Oostersingel en Nieuweweg in beslag neemt voor de bouw van woningen en werkplaatsen. En de rijtuigbouw floreert door de bouw van vele tientallen Prins Alberts, een type rijtuig dat mede door Brukker als ‘typisch Gronings’ de boeken in zal gaan.

Prins Albert
De echtgenoot van de Engelse koningin Victoria, prins Albert, geeft in 1851 Londen de primeur van de eerste wereldtentoonstelling. Voor de exposanten van deze Great Exhibition verrijst een enorm glazen gebouw, het Christal Palace, en één van hen is Kinder & Wheeler uit Leicester. Zij schrijven in met een Prince Albert phaeton uit eerbetoon aan de initiatiefnemer en natuurlijk met de hoop dat het vorstelijk echtpaar een kijkje neemt in de standruimte van deze rijtuigfabrikant. Of dat ook is gebeurd, weten we niet, maar in de jaren die volgen verschijnen er ontwerpen voor prins alberts in Engelse rijtuigcatalogi en Franse vakbladen. Rijtuigfabriek Soeders in Maarssen adverteert op 17 juli 1854 als eerste met een Prince Albert in Nederland en andere fabrikanten volgen. De echtgemaal van Victoria was populair: er kwamen zepen, bloembollen, een pen en dassen met zijn naam op de Nederlandse markt.
In de jaren 1870 bouwt ook Jelmer Brukker een Prins Albert naar eigen inzicht. En dat slaat aan. Zo zelfs dat meerdere rijtuigmakers -elkaar kopiërend of inspirerend- een vrij uniform type bouwen en daardoor een bepaalde streekeigenheid ontstaat in Groningen. Het originele ontwerp in 1851 in Londen had geen kap en een inklapbaar -tweepersoons- knechtenbankje; bij de Groningse wagens is meestal een afneembare, vaste kap en soms een wegdraaiend bankje. Voor het model zonder knechtenbankje is de algemene Franse naam ‘charette’ geadopteerd.

Slimme marketing
Jelmer Brukker blinkt uit in wat we tegenwoordig marketing noemen. Hij verzint reclamekreten als “alle gebruikers beweren, dat Brukker’s rijtuigen wegens soliditeit en lichtloopen uitstekend voldoen en dat de modellen bij iedereen zeer in den smaak vallen. Hieruit blijkt dus, dat men een rijtuig uit Brukker’s fabriek betrekkende, geen sprong in ’t duister doet.”
“Een rit hiermede is in werkelijkheid een genot.”
“Juist en nauwkeurig adres.”
“Geen rijtuig verlaat de fabriek zonder firmanaam”, terwijl Brukker gerust rijtuigen repareert van andere fabrikanten.
In 1891 komt er een opslag van rijtuigen bij aan de Oostersingel 5-7 en gaan de zonen David en Harke Brukker in het bedrijf aan de slag. In 1907 gaan vader Jelmer en moeder Ida op zolder van Jacobstraat 41 wonen. Ze maken vol trots plaats voor de jonge Harke (1874-1958) die zich dan nadrukkelijker toelegt op de stalhouderij en rijdt voor de studenten van Vindicat. In 1906 neemt hij een stalbaas in dienst en woont zelf in het herenhuis aan de Nieuweweg 46.

Met de handkar
Maar dan slaat na de Eerste Wereldoorlog de crisis ongenadig hard toe. Zoals vader Jelmer de zaak tot bloei bracht, zo ziet zoon Harke diezelfde zaak beetje bij beetje afbreken. In 1918 gaan het herenhuis en de aanpalende stal voor twintig paarden, met uitgang aan de Oostersingel, in de publiekelijke verkoop. Een jaar later volgt de veiling van de inventaris van de stalhouderij: dertien paarden en 25 rijtuigen, die in het afgelopen jaar stonden gestald aan de Nieuwe Ebbingestraat 130. Een nieuwe ‘Americaan met hooge wielen’ die in 1911 nog f 400,- kostte is dan voor de helft te koop wegens ‘bijzondere omstandigheden’.
Harke verhuist letterlijk met de handkar naar de Oostersingel 5, waar hij in 1933 opnieuw min of meer gedwongen een uitverkoop houdt en zelfs afscheid moet nemen van de Lips brandkast. Van de rijtuigfabriek die het ooit was is dan niet veel meer over. Na de dood van Jelmer in 1922 tot 1941 staat het bedrijf ingeschreven als ‘carrosseriefabrikant’ al is er niets bekend over daadwerkelijk gebouwde auto’s. Het is nog vooral de verhuur van simpele handwagens die Harke op de been houdt.

Toch glinstert de naam Brukker ergens nog als vanouds: op de wieldoppen van de Prins Alberts die bewaard zijn gebleven, bij liefhebbers en in het Nationaal Rijtuigmuseum in Leek.

Foto boven: Prins Albert van Brukker, Groningen in Museum Nienoord

1905

1911

Slechts een beetje koperpoets is nodig om de naam Brukker opnieuw te laten glinsteren in het Nationaal Museum Nienoord

In de krant van 1913 probeert Brukker een schadelijk en blijkbaar hardnekkig gerucht de kop in te drukken.

De bouwaanvraag van Jelmer Brukker in 1873 aan de Nieuweweg 46 in Groningen.