De Stichting Hippomobiel erfgoed heeft een omvangrijk archief, dat is ondergebracht als bibliotheek in het Nationaal Rijtuigmuseum. Twee onbeschreven foto’s in dat archief, van een dame met een span schimmels, leverden een zoektocht op naar een vergeten grootheid in de Nederlandse paardensport, zeg maar: de ‘Anky’ van een halve eeuw geleden. De militaryruiter Pahud de Mortanges mag dan alle eer verdienen door het recordaantal olympische medailles dat hij binnensleepte, hij deed dat in een tijd dat vrouwen geen kans kregen om tot gelijke prestaties te komen. Toch was er een Nederlandse amazone die een internationaal publiek in beroering wist te brengen: Mary Lüngen.
In 1926 komt de Nederlandse Mary Lüngen het sportpaleis van Berlijn in gereden met een span lipizzaners. Met haar witte hengsten weet ze het publiek voor zich te winnen, maar om in de prijzen te vallen leggen de barokke dieren het af tegen de veel atletischer hackneys die in de dezelfde rubriek starten. Op het concours hippique in Wenen datzelfde jaar gooien Neapolitano Kulpa en Neapolitano Trompeta hogere ogen met een tweede plaats. Aan de dame op de bok ligt het niet, want, zoals hippoloog Wouter Slob het zegt: “Op het rijden van den bok geeft ze niemand iets toe.” Mary bewijst met het span vooral haar veelzijdigheid en dat ze dezelfde fijne hulpen die ze als amazone gebruikt, ook door kan geven aan de lange lijnen. Haar levensverhaal is dat vooral van een ongekend dressuurtalent.
Mary Amy Lüngen werd op 10 juli 1901 geboren te Driebergen, als dochter van Carolus Henricus Maria Lüngen en Antje Mientje Blooker (1877-1950). Moeder is een telg van de Amsterdamse cacaofabrikant Blooker en derhalve vermogend. Vader is wijnhandelaar van beroep en belegt zijn, of waarschijnlijk haar geld, onder andere als vennoot in de Zeister Machinefabriek. Hij had gediend bij het korps rijdende artillerie en staat vanaf 1928 in de rijbaan als instructeur van de eerste landelijke rijvereniging in het Gooi. Mary groeit op met de kortharige Hollandse herdershonden die haar ouders voor de show fokken. Vader zit in het bestuur van de Nederlandse Herdershondenclub en in 1906 doet moeder zes jonge honden cadeau aan de gemeentepolitie van Zeist, om te worden opgeleid als diensthond. Van huis-uit krijgt ze een grote dierenliefde mee.
Mary heeft een een jaar ouder zusje, Johanna Francisca Julia, en een zeven jaar jonger broertje: Julius Johannes Carolus Napoléon Frithioff Molijneux, vernoemd naar zijn grootvader.
Ze had thuis al op een pony gezeten, maar de eerste echte rijlessen krijgt Mary op haar achttiende van Henk Kok in de Amsterdamse manege en zij blijkt er zo’n talent voor te hebben, dat ze aan de slag kan als amazone voor de paardenhandel van de familie Kok, waar Henks broer Jan Kok V de scepter zwaait. Jan Kok verhandelt veel paarden van en naar Duitsland, en kocht in 1919 in Berlijn een oud manegebedrijf, de Bender Tattersall, niet ver van de dierentuin. Het is een enorm bedrijf met gebouwen in gewapend beton, een restaurant en stalling voor driehonderd paarden, maar het is elf jaar na de bouw al volledig vervuild en in verval. Kok pakt het grondig aan en bouwt dit bedrijf in korte tijd weer op. In het manegebedrijf komen bekende Duitse ruiters als Richard Wätjen, die er zestien paarden voor verschillende eigenaren traint, en de bejaarde Gustav Goebel, die er als oud-medewerker van James Fillis les geeft in het hogeschoolrijden. In 1922 arriveert Mary op de Tattersall in Berlijn en maakt daar kennis met Frau von Gottberg, zonder twijfel de beste dressuuramazone van Duitsland. Zij leert Mary in het dameszadel rijden, want tot dan toe had ze alleen in het herenzadel gereden, met aan iedere zijde van het paard een been. Ze leert er het ‘zitten’ opnieuw. Na haar leertijd bij Frau von Gottberg krijgt Mary instructie van ritmeester Von Platen: “Een prettige, maar harde tijd: per dag reed ik vier à vijf paarden zonder beugels en dat enige maanden achtereen; zo leerde ik wel zitten, toen pas mocht ik beugels gebruiken! En meteen bereikte ik mijn doel: ik werd leerlinge van de bejaarde Gustav Goebel zelf. Hij kon zelf niet meer opstijgen, maar bezat een buitengewone gave om een jonge ruiter en een jong paard samen op te leiden. Soms was ik ongeduldig en eiste ik te veel van mijzelf; dan stapte ik ontmoedigd van mijn paard na de les en zei, dat ik het toch nooit zou leren. Maar dan klopte de grote meester, bij wie zo veel dressuurruiters, o.a. Freiherr von Langen, hun opleiding genoten, mij bemoedigend op de schouder en zei: kleintje leg het bijltje er niet direct bij neer; morgen gaat het weer beter. Er is nog nooit een meester uit de hemel komen vallen!”[i]
25 mark
Ondanks dat Goebel niet meer kan rijden, zeer hardhorend is en bijna blind, kost een lesje van hem 25 mark. Mary maakt volop gebruik van wat ze van hem kan leren. Met zijn hulp krijgt ze alle oefeningen van de hoge school onder de knie, geheel in de stijl van Fillis. Ze laat het zien met de Arabische volbloedhengst Kondor ‘Japie’. Als haar leermeester Goebel in juli 1925 overlijdt is Mary op het concours in Hoofddorp: “Ik kon de gehele dag wel huilen, ik wist niet waarom maar ik voelde me zo ellendig. Later hoorde ik dat Goebel die dag gestorven was.”[ii] Het grijpt haar zo aan dat Mary even op het punt staat om de rijzweep definitief aan de kapstok te hangen. Maar ze zet door, ook onder aanmoediging van Kok.
Goebel mocht er misschien niet meer voor vallen, maar Jan Kok V heeft een duidelijk oogje op zijn bevallige medewerkster, en schrijft in zijn memoires over Mary: “Zij was als op een paard geboren, had daarvoor het gewenschte figuur, was jong, zéér knap van uiterlijk, had zéér grote charme, was buitengewoon….etc.” Een oogje of niet, Kok stelt Mary de beste handelspaarden tot haar beschikking, zoals Dini, Rousseau en Sabel. In de eerste vier jaar dat ze voor Kok rijdt levert dat al dertig eerste prijzen op. In 1924 neemt ze met Dini deel in Londen. Met Sabel krijgt ze een kostbare volbloed, want met hem had de Zweedse majoor Bertil Sandström, stalmeester van de rijschool in Strömsholm, in 1922 en 1924 het zilver gewonnen op de Olympische Spelen. En nu brengt Mary hem uit, wat ze mag doen van 1925-1928. Naast dressuur rijdt ze jachtritten en maakt sprongen, vandaar haar voorkeur om op een gewoon ‘herenzadel’ te rijden. Maar ze zit met evenveel overgave en charme overdwars en met de benen aan één kant in het dameszadel. Het is een periode dat op een dressuurwedstrijd de mannen, meest militairen, nog gescheiden zijn van de vrouwen. “Voor een man heb ik geen pardon; zwaar gewicht en lange benen. Als ze dan niet kunnen zitten, zijn ’t krukken”, zegt ze.[iii] Met haar eigen gewicht van ruim vijftig kilo, korte benen en bescheiden lengte van 1,62 meter heeft ze de nodige wilskracht nodig om de meeste hoogdravende paarden uit te zitten, met Sabel als lichtend voorbeeld.
Gezellig fluiten
Zoveel lof als ze oogst voor haar elegantie in het zadel, zo levert haar optreden ook scheve blikken op. “Ze wordt door vele vrouwen gehaat uit afgunst”, tekent Wouter Slob aan uit haar eigen mond, om er uit eigen ervaring aan toe te voegen: “Ik ben ervan overtuigd dat van alle kwaadsprekerij over haar niets waar is. Haar leven is voor een vrouw niet alledaags, maar houdt niets kwaads in. Haar karakter is goed. Veel heeft ze voor anderen over, altijd vrolijk en vriendelijk, beleefd en ‘dame’. Haar talen correct en vloeiend sprekend, een vriendelijk woord voor een ieder, ontwikkeld en vlot. Ze kan echter geheel veranderen wanneer haar paarden in het gedrang zouden komen, dan is ze egoïstisch en moet alles voor háár wijken. Dan is er geen pardon voor anderen.”[iv] Slob beschrijft haar verder als iemand die veel, gezellig en graag praat, net zo gezellig kan fluiten en als een buitengewoon gevoelsmens. Toch kan ze tegelijk koppig zijn, want als een handelspaard haar niet aanstaat, stapt ze er niet op.
In 1925 valt ze op door haar deelname in Hilversum: “Boven alles en allen vielen op de prachtige paarden en het wonder fraaie voorrijden van Mejuffrouw Mary Lüngen uit Berlijn. Men had hier natuurlijk veel van gehoord en deze amazone bij vorige gelegenheden ook wel hier te lande bewonderd; wat echter heden te Hilversum vertoond werd overtrof alle verwachtingen. Welverdiend verwierf Mej. Lüngen dan ook met Matador den eersten prijs, waaraan een zilveren medaille van H. M. de Koningin was verbonden. De plechtige uitreiking van dit eremetaal geschiedde na een volgend nummer, toen Mej. Lüngen gezeten op den fraaie vos Sabel, het voorrijden van dit wereldvermaard dier als bestgaand rijpaard had beëindigd.”[v] Ook nu gaat haar succes gepaard aan kritiek vanaf de zijlijn. Het is een beetje zoals de (Duitse) concurrentie zich 75 jaar later uit zou laten over Anky van Grunsven en haar favoriet Bonfire. “Jaloezie of iets anders? Nog steeds onder den indruk van den prachtige aanblik van het zoo veel bewonderde en besproken beeld, hetwelk mij op de concoursen van Hilversum en Den Haag zo in extase heeft gebracht, dat van Mary Lüngen met haar bruine volbloed-ruin Matador, werd ik voor enige dagen hoogst onaangenaam verrast, door, in een gezelschap zijnde, van enige liefhebbers de bewering te horen, als zou dit paard een circuspaard zijn en zijne gangen absoluut kunstmatig.”[vi] De briefschrijver ‘P’ wil het naadje van de kous weten en bezoekt Mary en haar paarden in de Amsterdamse vestiging van het handelsbedrijf kok. Hij krijgt de negenjarige Engelse volbloed Matador voorgeleid en omschrijft hem als een volmaakt gebouwd rijpaard, edel en met een robe als zijde in verschillende goudnuances in de zon. “Van schoolgangen is geen sprake; alles wat ik gezien heb en ook op de concoursen zag, was natuur en niets anders. Dat mej. Lüngen een zeer goede amazone is met een buitengewoon rustige hand en een onberispelijke zit, is een voldongen feit.”
Dankzij haar prestaties op meerdere concoursen dat jaar krijgt Mary zelf een prominente plek op de voorpagina van De Olympiade, het officiële orgaan van de Propagandacommissie van het Comité́ Olympische Spelen 1928 en van het Internationaal Olympisch Comité.
Zigeunerin
Houtrust, Den Haag, 1926, Mary rijdt nog steeds voor de Duitse stal van Kok: “Bij de voorkeuring beste rijpaard zagen we veel goeds en slechts. Sabel en Mohamed gingen onder Mej. Lüngen schitterend. Eén en al gratie en élégance, geen dwang, geen vaste halzen of zuren mond, alles ‘losgelassen’ en soepel. Een prachtgezicht bijv. het rijden van een volte in galop, vergeleken bij de andere paarden.”[vii]
Op het concours hippique van Wenen, in juni 1927, neemt Mary met Sabel in de dressuurklassen M en S, en daarmee aan het Olympisch programma, waar ze de eerste en vijfde plaatsing voor kreeg in een veld van zeventien deelnemers. Met Mohamed eindigt ze als derde in de L-klasse.
In 1928, het jaar van de Olympische Spelen in Amsterdam, waar de Nederlander Pahud de Mortanges zo veel eer op zal strijken, begeeft Mary zich op het internationale toneel met onder andere deelname aan de zware dressuurklasse in het sportpaleis van Berlijn. Het optreden in Berlijn begint met een shownummer van de firma Kok, waarbij Mary verkleed als zigeunerin staande op twee schimmels de piste in stormt,. Achter haar aan komt de stalmeester van de handelsstal, Kummer, eveneens in een zigeuneroutfit en op twee schimmels. Een Duitse krant doet verslag: “Denkt u in staande op twee schimmels verschijnt dat meisje in zigeunerrok met hoge laarzen aan in den ring. In de rechterhand de karwats, twee paar lange teugels met de beide handen omvattende, op ieder paard, met een voet steunende dat niets draagt dan een dekje, suist het al door de manege. Een verkeerde beweging van een der paarden en de Hollandsche moet tussen de toeschouwers of tussen de paarden storten. Maar glimlachend staat ze daar kaarsrecht, drijft de dieren zonder angst of zorg in den ring rond, steeds sneller. Dan een plotseling, zich pal zetten met de benen, een ruk aan de teugels, een uitroep en de paarden staan midden in den ring stil. Toch zou het onrechtvaardig zijn wanneer men mejuffrouw Lüngen in rijkunstig opzicht hiernaar zou beoordelen. Want per slot van rekening is een kranig kunststukje nog geen rijkunst. Dan komt zij echter als dressuuramazone in herenzadel en rijdt haar vosruin Sabel voor, in een houding, een zit, met een energie en pit, en toch vol gevoel, zodat iedere ruiter ‘das Herz im Leibe lachen musz’. Zij was een ‘Glück im Sattel’, eine ‘Musik zu Pferde’.”[viii]
Sabel laat in zijn proef een paar steekjes vallen bij wendingen om de achterhand, terwijl de stap iets regelmatiger kan zijn. Desondanks noemt de journalist van Ons Paard[ix] de proef van Sabel als beste van de tien deelnemers. “Een dergelijke prachtige oprichting gepaard aan een absoluut aan den teugel staan en een buiging der achterbenen met overname van gewicht, waarbij een schitterende schwung werd getoond, zagen we bij niet één enkel Duitsch paard. Niet altijd was dit de schuld der ruiters want een steile schouder doet ook reeds kwaad genoeg.” De jury kijkt er echter anders tegenaan en laat de Duitser Wätjen winnen, met Mary en Sabel op een zesde plaats.
Een doekje voor het bloeden is de prijs van ‘elegantste amazone’ die Mary door het publiek krijgt toebedeeld. “Het buitengewoon enthousiast applaus dat onze landgenote mocht oogsten bij de ereronde en de bewonderende en waarderende uitroepen van vele deskundigen bewezen ten volle hoe schitterend deze amazone Hollands eer weer heeft verdedigd. Jammer dat een vrouw in de Olympische Ruiterspelen niet mag starten!”
Olympisch schilderij
Wie wel in dressuur op de Spelen mogen starten zijn kolonel Jan van Reede, kapitein Pierre Versteegh en kapitein Gerard le Huex. Ze slaan op de zomerspelen als ploeg ‘geen slecht figuur’ met de bronzen medaille.[x] Bijna zuur is het als er op de Olympische kunsttentoonstelling in ’28 in het Stedelijk Museum wel een schilderij komt te hangen van Mary Lüngen op Matador, geschilderd door Rie de Balbian Vester-Bolderhey; kunst maakt dan nog deel uit van de Olympische Zomerspelen. Wouter Slob is als paardenkenner niet zo gecharmeerd van het schilderij: “Het trillende leven van dit hoog in het bloed staande paard heeft de schilderes niet vermogen vast te leggen.”[xi]
Tegelijkertijd kan Slob, als voortrekker van de landelijke rijverenigingen in Nederland, Mary’s kwaliteiten wel op waarde schatten: “Wij zouden mej. Lüngen gaarne weer op onze concoursen zien optreden, temeer omdat daardoor de jeugd – ik denk aan de landelijke rijverenigingen – niet alleen een ideaal voorbeeld heeft, doch tevens een voorbeeld dat bij onzen bodem behoort. Mej. Lüngen is een Hollandsche en daarom moeten we er trots op zijn dat zij, hoewel in het buitenland vertoevende aldaar de naam van ons land hoog houdt. Laten we hopen dat haar optreden in Holland niet samenhangt met den zin van het spreekwoord dat iets zegt over profeten die niet geëerd zijn in eigen vaderland.”[xii]
Haar olympische niveau bewijst Mary opnieuw nog dat jaar op het belangrijkste concours in eigen land, namelijk Houtrust in Den Haag, waar ze met haar tweede paard, Mohamed, de wisselbeker voor de beste Nederlandse ruiter wint, een jaar eerder gewonnen door ritmeester Charles Labouchère, die ditmaal niet verder komt dan een eervolle vermelding, maar wel als springruiter was afgevaardigd naar de Olympische Spelen.
In 1930, als Kok zijn vestiging in Berlijn sluit, keert Mary terug naar Nederland om paarden voor particulieren uit te brengen.
Kortstondig huwelijk
Over de mannen in Mary’s leven is niet veel bekend, behalve dat ze over interesse niet te klagen heeft. Pas op haar 34-ste treedt ze in het huwelijk met de negen jaar jongere geneeskunde-student Jan Adriaan Vorstelman. Ze trouwen in Paddington, een wijk in Londen, waar Mary en Jan samenwonen aan Lancaster Gate. Terug in Nederland nemen ze hun intrek aan de Koning Willem III laan 8 in Blaricum. De Telegraaf heeft het over “mevrouw Vorstelman, die te paard nog altijd Mary Lüngen heet.”[xiii] Een lang en gelukkig huwelijk wordt het dan ook niet: in 1944 komt het tot een scheiding en in november 1945 vaart Jan weer als vrijgezel uit als scheepsarts op de Johan de Witt naar Indonesië. Zij woont dan in Tilburg als mejuffrouw Lüngen en leert de Brabantse paardenwereld kennen.
Zo heeft de Rij- en Jachtvereeniging ’s-Hertogenbosch-Vught, een club van mensen uit welgestelde kringen en officieren, heeft een eigen manege in Vught. Jacques en Piet de Gruyter zijn hierbij betrokken, zakenlieden voor wie het economisch goede tijden zijn: ze nemen net een tweede pand voor hun Bossche levensmiddelenfabriek in gebruik. Piet doet aan vrijheidsdressuur met zijn lipizzaners en neemt in 1936 op het concours van Den Bosch deel aan de rubriek concours d‘élégance. Hij rijdt dan in militair uniform op Pacha met aan zijn zijde Mary in het dameszadel op Maxim II. Een maand na Den Bosch doet het duo mee aan dezelfde rubriek in Den Haag, maar nu zijn de spelregels veranderd. “De dames kwamen per auto binnen, waar de door haar te berijden paarden gereed stonden. Hierbij werden zoowel bij het paard, als netste geheel en kleeding (ook van het personeel, dat in den ring met de paarden aan de hand stond) in aanmerking genomen. De paarden werden in stap, draf en galop voorgereden, terwijl de betreffende auto’s gelijken tred ermee hielden.”[xiv] Mary berijdt wederom Maxim II, een chauffeur in uniform bestuurt de Lancia van Piet de Gruyter.
De in zijn tijd bekende paardenkenner en schrijver Lijsen schrijft in 1938 over Mary: “Niet alleen in het showen van een paard heeft ze haar gelijke niet; ook op dressuurgebied bezit zij buitengewone gaven. Of is het niet iets buitengewoons om op een der schoolpaarden van den heer de Gruyter een dameszadel te laten leggen (dat het paard dan voor den eersten keer op zijn rug krijgt!) en na tien minuten, na diverse lancades en capriolen het paard voor te rijden in de moderne school tot zelfs in changementen om den pas?”
Circus en oorlog
Voor het trainen van de lipizzaners komt echter iemand anders de lof toe, want vijftien jaar lang, tot het aanbreken van de Tweede Wereldoorlog, verzorgt de hogeschoolrijder en circusman Otto Schuman (officiëel Schumacher) de paarden van De Gruyter. “We gaan dan eerst naar ‘s-Hertogenbosch en zien en rijden daar weer de Lipizzaners van den heer De Gruyter. Deze paarden, gedresseerd door den eminente Otto Schuman, gaan als een klok. Deze schimmels brachten ook te Parijs het succes aan het circus Kavaljos. Er is al heel wat over deze paarden gepraat en geschreven, maar — betere zijn er nog niet geweest. De absolute gehoorzaamheid dezer paarden en hun rust zijn werkelijk bewonderenswaardig”, aldus Henri Jan Lijsen die een denkbeeldige vakantiereis voor de paardenman beschrijft.[xv]
Ook Mary is onder de indruk van Schumans werk: “Hij was, net als Gustaf Goebel, de man van de lichte hulpen. Zijn paarden gingen, al waren er nog al eens moeilijke en zeer temperamentvolle bij, zo licht als een veertje.”
Al mag de dressuursport geen ‘kunstje’ genoemd worden, met haar liefde voor de hoge rijschool, lipizzaners en bijvoorbeeld de samenwerking met Otto Schuman grenst wat Mary doet toch aan het vroegere circus. Ze kreeg al in de eerste jaren van haar carrière aanbiedingen om in Duitsland of in Amerika in het circus op te gaan treden. Die sloeg ze af, ondanks de royale vergoedingen die ze er voor zou krijgen, want ze wil ‘amateur’ blijven: “Om de slechte praatjes niet nog erger te maken”, zegt ze zelf. Toch gaat ze na het overlijden van Jacques de Gruyter in 1940, bij het uitbreken van de oorlog, mee met Otto Schuman in het circus van Dries Giezen. Dat duurt tot Giezen op 13 september 1943 wordt gearresteerd door de S.S., vanwege de anti-Duitse houding tijdens de voorstellingen, en de rest van de oorlog in de strafgevangenis Oranjehotel in Scheveningen en de concentratiekampen Vught, Buchenwald en Dachau doorbrengt. Hij zal de oorlog nog kort overleven.
De oorlog maakt diepe indruk op Mary. Had ze gezien hoe Giezen was afgevoerd en in welke toestand hij terugkwam, en zo was ze in 1942 nog bij Wouter Slob op het concours hippique in Hoofddorp geweest. Diezelfde ‘aardige’ Slob zou een jaar later het centrum van de landelijke rijverenigingen in Hoofddorp ten dienste stellen van de NSB, om boerenjongens klaar te stomen voor het gevecht het oostfront. Na de oorlog verdween Slob in het gevang.
Goed zitten
Klemgeraakt tussen twee werelden leidt Mary na de oorlog een teruggetrokken leven in Vught, dichtbij haar zus in Eindhoven. Ze heeft nog wel oog voor wat er in de moderne sport gebeurt en neemt zich voor les te gaan geven. “Wie boven het middelmatige wil uitkomen, kan zich niet op het talent, dat Moeder Natuur haar meegeeft, alleen beroepen, doch dient veel geduld, een ijzeren energie en grote liefde voor het paard te hebben en moet zich veel zweetdruppeltjes getroosten voor zij iets bereikt. De jeugdige amazones van thans denken dikwijls, dat zij er zijn, als zij maar aan een springconcours kunnen meedoen. Ik heb voor de prestaties grote bewondering, maar ik zou ze toch willen toeroepen: leer eerst goed zitten, want een amazone, die in de ring aan haar paard moet rukken en plukken omdat zij het niet in de hand heeft, maakt een onesthetische indruk. Het echte klassieke rijden vraagt een harde leerschool, maar uiteindelijk plukt men er de vruchten van, ook bij het springconcours. Dikwijls krijg ik de indruk, dat de meeste jonge amazones niet weten wat voor een gevoel het is op een goed ingereden paard te zitten. Dat is niet een paard dat circustrucjes kent, maar een dat licht aan de hulpen is en in zijn lichtheid als een ballerina nauwelijks de grond raakt.”
Ook na de oorlog kan Mary de verleiding van het circus, zij het als amateur, eenmalig niet weerstaan. Ze treedt op in het privécircus ’t Hoefke van de zusjes Tiny en Anny van Doorne, de dochters van de Daf-automobielfabrieken, en net als Mary verknocht aan lipizzaners. Het gezelschap houdt in 1951 een galavoorstelling in Den Haag om geld in te zamelen voor het Nederlandse Ruiterolympiadefonds, want de vier militaryruiters (mannen dus) die een jaar later in Helsinki ons land gaan verdedigen op de Olympische Spelen zouden hun kosten anders uit eigen zak moeten gaan betalen. Het vooruitzien naar Helsinki moet voor Mary bijzonder zijn, want het zijn de eerste Olympische Spelen waar vrouwen in de hippische disciplines mogen meedoen. Zij zal er echter wederom niet bij zijn. Mary wordt in de kranten nog steeds neergezet als Neerlands beste amazone, maar ze maakt de bewuste keuze om niet in de moderne sport mee te gaan en treedt alleen nog in de schijnwerpers in het dameszadel in de zware dressuur of in een rubriek om het elegantste rijpaard, met de vos Saraceen van Leo van Loon, de vader van dressuurruiter Ernest van Loon, en de paarden van het echtpaar De Jonghe uit Antwerpen. In 1956 is er nog een laatste overwinning op het concours in Nijmegen met Nixe van mevrouw De Jonghe.
Moedeloos
Van het voornemen om die jeugdige amazones zelf verder te gaan helpen bij het ontwikkelen van een goede zit komt niets terecht. Mary voelt zich moedeloos, heeft angst voor de toekomst en is somber. “Ik wil liever een ogenblik heel moedig zijn en er een eind aan maken, dan een ellendig leven te lijden, zonder dat je iemand hebt om voor te zorgen.” Wellicht is haar zware gemoed een beetje genetisch bepaald, want haar moeder Antje was al jong, in 1934, krankzinnig verklaard en onder curatele geplaatst, terwijl diens moeder al vrij snel na de geboorte van Antje uit beeld verdween. Het zijn in elk geval geen geldzorgen die Mary hoeft te hebben. Zelfs in 1961, als haar ouderlijk huis Nieuw Zandbergen aan de Amersfoortse weg in Huis ter Heide, voor 155.000,- gulden wordt verkocht, is de opbrengst voor erven Blooker oftewel de ‘familie Lüngen in Vught’.[xvi] Mary’s zusje is dan al overleden.
Kinderloos gebleven en zonder partner aan haar zijde neemt Mary op 26 juni 1970 afscheid van het leven.
Leo van Loon schrijft een treffend in Memoriam: “Na de oorlog was er geen plaats meer voor de zwier en elegantie van vroegere tijden en kon zij, die zo hoog aan de top van de ruiter-aristocratie had geleefd, zich niet meer integreren in de nieuwe tijd. Tot het laatst van haar leven, dat nog zo onverwacht kwam, wist zij enkele trouwe vrienden steeds te verblijden met haar, soms vluchtige, bezoeken en was het niet zelden de nostalgie, die haar ertoe dreef bij deze vrienden te vinden wat de omstandigheden haar hadden ontnomen: het paard, dat de menselijke stormen van de laatste decennia aan zich voorbij had laten gaan en de levende verbindingslijn was met de glorietijd van Mary Lüngen.” [xvii]
Tekst Mario Broekhuis, foto’s archief SHE/Museum Nienoord

Mary met Neapolitano Kulpa en Neapolitano Trompeta in 1926.

Genietend van de vrijheid in Berlijn, 1921.

Mary’s eerste overwinning op Dini, een paard van de handelsstal Kok, in Hoofddorp 1921.

Op Matador in Den Haag, 1923, eerste prijs en ereprijs van H.M. de Koningin.

Met ‘de tweelingen’, zoals ze Sabel (links) en Mohamed noemt, in mei 1927 op de Bender Tattersall in Berlijn.

Een elegante combinatie met de volbloedvos Mohamed.

Concours hippique in Wenen, over de sloot met Mohamed.

Op Sabel geschilderd door pro. Hugo Klein, Wenen, juni 1927. Idem in brons door Willibald Fritsch, Berlijn, 1926.


Als zigeunerin steelt ze de show in Berlijn, februari 1928. Poserend met haar geliefde hondje Raffke.

In goed gezelschap op het concours hippique in Rotterdam 1928: Mary staat links met bontje over haar schouders.

Winnaar in het concours d’ élégance met de Lancia van Piet de Gruyter, Den Haag 1937.
