Deze prachtige coupé (in het Engels een ‘brougham’) springt eruit in de collectie van de Stichting Hippomobiel Erfgoed (SHE). Vanwege zijn c-vering, de imperiaal op het dak om koffers mee te nemen en het hoekige, typisch Engelse model. Het rijtuig is in 1877 gebouwd door rijtuigfabrikant Samuel Hart, in Bond Street in Londen, in opdracht van het echtpaar Bentinck-Van Heeckeren.

Als Samuel Hart in 1829 zijn werkplaats in een oud gebouw aan Bridge Street, recht tegenover de Unitarian Chapel, opent, is hij de enige rijtuigmaker in Framlingham, in het graafschap Suffolk. Hart bouwt er een dusdanig hoog aangeschreven zaak op dat hij kan verhuizen naar een groter pand, waar ook zijn drie zonen aan de slag gaan: de oudste zoon, Samuel, als rijtuigmaker, de tweede, David als rijtuigsmid en Jesse, de jongste, als rijtuigschilder. Vader Samuel vraagt patent aan op veren van lancewood. Hij maakt die veren door het lancewood in stroken te zagen en als multiplex op elkaar te leggen, precies zoals stalen bladveren. Lancewood is aanmerkelijk goedkoper dan staal, vanwege de hoge belasting die stalen veren duur maakt. Het enige nadeel is dat de houten veerpakketten een stuk dikker zijn dan stalen. Uiteindelijk slaat de houten vering niet aan, maar het getuigt wel van de vindingrijkheid van Samuel Hart senior. Samuel is naar verluidt niet zuinig op zijn personeel. De knechten staan er urenlang achter de draaibank en zijn soms  wekenlang aan het werk met een nieuw idee.[i] Mogelijk kost hem dat de kop, want in juni 1842 sluit het ouderlijk bedrijf in Framlingham de deuren met een gedwongen verkoop van vier phaetons, 21 gigs, twee smidsvuren, half afgewerkte rijtuigen en alles wat er maar bij een rijtuigfabriek te bedenken is aan materialen en gereedschap, inclusief de huisraad.[ii] Vader Samuel verhuist naar Ipswich, waar zoon Samuel werk heeft gevonden als voorman in de rijtuigfabriek van Catt.
In 1845 opent junior zijn eigen werkplaats aan de Londense Bond Street. Hij blijkt net zo inventief te zijn als zijn vader, maar heeft de boel zakelijk beter op orde.

IJzerwerk
Een redacteur van The Queen roemt in 1869 een eigen ontwerp van Hart: “Een blik op de bijgaande afbeelding, waarop een geheel nieuw type damesrijtuig is afgebeeld dat door de fabrikanten de ‘Empress Phaeton’ wordt genoemd, maakt onmiddellijk duidelijk hoeveel elegantie in de vorm kan worden bereikt door de verschillende onderdelen vakkundig en zorgvuldig in de juiste verhoudingen uit te voeren. Het ijzerwerk van dit bijzonder fraaie staaltje van rijtuigbouw is, ondanks zijn geringe gewicht, wat betreft de constructieve opbouw te vergelijken met een reeks kleine ijzeren knieën zoals scheepsbouwers die gebruiken om de houten wanden van een schip te versterken en stevig met elkaar te verbinden. Wat wij al lange tijd in een rijtuig zoeken, is een zo volmaakt mogelijke combinatie van lichtheid en sterkte. Wie, net als wij, bewondering heeft voor de geslaagde resultaten van vakmanschap, kunnen wij dan ook van harte een bezoek aan de showroom van de heer Hart aanbevelen.”[iii]


The Queen, 6 juni 1869.

Ook de voorliefde voor hickoryhout heeft Samuel van zijn vader overgenomen. Zo bouwt hij voor de Amerikaanse exportmarkt een model ‘Royal Stanhope Phaeton’ op wielen van hickoryhout, wielbanden van gecoat staal en bladveren van slechts 2,54 cm (een inch) breed.[iv] Het zal niet lang duren of de export gaat omgekeerd plaatsvinden: dat er volledige rijtuigen, halffabricaten of rijtuigen als bouwpakket tegen marginale prijzen op de Europese markt komen.
Samuel Harts zwager, John Marks, werkt mee in de fabriek en na diens overlijden in 1881 ontstaat er een geschil over de aandelen. De weduwe stelt dat er sprake was van een vennootschap tussen Hart en Marks en maakt aanspraak op diens aandeel. Harts vrouw verklaart voor de rechter dat haar broer haar altijd financiële moeilijkheden had en enige tijd het land uit was geweest. Bij zijn terugkeer had Hart hem in een onderneming in Long Acre geplaatst en die zaak ging failliet. Vervolgens had Samuel Hart de zaak aan New Bond Street overgenomen en Marks daar als bedrijfsleider aangesteld. Hij betaalde hem een salaris van £3 per week. Dat sommige cheques waren ondertekend met de naam John Marks verklaarde Hart doordat hij zelf vaak dagenlang niet in de zaak kwam. Hij had zijn bank opdracht gegeven cheques met die handtekening te honoreren. Harts bankrekening staat echter uitsluitend op zijn eigen naam. De rechtbank stelt de weduwe in het ongelijk.[v]

Zachte winter
In maart 1884 laat Hart een aantal opvallende modellen zien op de Third Annual Sportman’s Exhibition in Londen, met name de ‘Thauma’ wagonette die eenvoudig om te bouwen is naar een Stanhope phaeton. In de stand zijn beide variaties te zien, naast een victoria op C-veren, een ‘Bond Street’ victoria en een country landauer. Een nieuwigheid is de elektrische bel die in een schuitjeslandauer is gemonteerd, voor de communicatie tussen de passagiers in het rijtuig – als de kappen omhoog zijn – en de koetsier buiten op de bok.[vi] Samuel Hart vraagt in 1885 het patent aan op de, wat hij noemt, Nikêma vering, een constructie met C-veren, zonder gebruik te maken van een ‘perch’, een stijve verbinding tussen voor- en achteronderstel. Hart bouwt onder andere een landauer met dit systeem.


The Field, 10 oktober 1885.

Op ieder rijtuig geeft hij vijf jaar garantie, een service die hij echter afbouwt naar drie jaar.
In 1895 verhuist Hart naar 25 Baker Street, Portman Square[vii] en adverteert dan met de leverantie van rijtuigen aan de Engelse koninklijke familie, de koninklijke stallen van Pruisen, Spanje, Rusland, Perzië, Noorwegen, Portugal, Nederland, Zweden, China en de Japanse keizer. Een uitverkoop in de eerstvolgende winter geeft een idee van de omvang: vanwege een ‘erg slecht winterseizoen’ en daardoor te veel in voorraad, biedt Hart tien tweedehands broughams (waarvan acht uit eigen fabriek) aan voor een speciale prijs. Het was een zachte winter zonder sneeuw en een van de droogste in de Britse geschiedenis. Dat maakte de markt voor een typisch winterrijtuig als de gesloten brougham zo slecht: als het veel regent wil iedereen binnen zitten.
Nog drie jaar houdt de firma het dan nog vol, waarna Hart ‘positively retiring from business’ uitverkoop houdt en met pensioen gaat.[viii]

Terug op het kasteel
De brougham of coupé, zoals we hem in Nederland noemen, in de collectie van SHE komt oorspronkelijk van Kasteel Middachten in De Steeg en is vanuit Londen meegebracht door diplomaat Willem graaf van Aldenburg Bentinck en zijn echtgenote Marie barones van Heeckeren van Wassenaer. Zij woonden vanaf 1875 in Londen. Tot de rijtuigen die ze mee terugnamen behoort deze coupé en twee wagonettes van hart, die zijn om te bouwen tot phaeton; dat moet welhaast het gepatenteerde model ‘Thauma’ zijn. De brougham heeft op zijn as het getal 1877 gestempeld en dat is aannemelijk het bouwjaar.

Het rijtuig heeft tot in de Tweede Wereldoorlog dienst gedaan op kasteel Middachten, op het laatst vanwege gebrek aan benzine. Rijtuigmaker Donderwinkel versneed stroken autoband (zogenaamd oorlogsrubber) voor op de wielbanden en huisschilder Van den Burg voorzag toen de coupé van nieuwe wapentjes van de graven Bentinck. Die wapentjes waren als transfer onder een nieuwe laklaag aangebracht: Van den Burg had ze in zijn atelier gespiegeld geschilderd en pas daarna op de deuren aangebracht. In 1977 kreeg SHE (toen nog onder de naam St.Paard & Karos) de coupé geschonken en sindsdien stond hij afwisselend in het depot of in een expositie in het Nationaal Rijtuigmuseum. Na de oorlog waren de rijtuigen vooral onhandige dingen die in de weg stonden, inmiddels is er op Middachten weer interesse om de rijtuigen onderdeel te laten zijn van het verhaal dat het kasteel te vertellen heeft. Vandaar dat SHE er in 2022 voor koos om de coupé en andere rijtuigen terug in bruikleen te geven, om ze afwisselend te exposeren in het koetshuis van Middachten of in het Nationaal Rijtuigmuseum in Leek.

 

  
De ‘C-spring Brougham by Hart, London’ op kasteel Middachten, De Steeg. Met medewerking van team Engbers, Saasveld. (foto’s Arthur en Joyce van der Vlies)

[i] Framlingham Weekly News, 21 April 1894; [ii] Suffolk Chronicle, 21 May 1842; [iii] The Queen, 5 June 1869; [iv] Anglo American Times, 12 June 1869; [v] Mid-Surrey Gazette, 29 Jan 1881; [vi] Colonies and India, 11 April 1884; [vii] Morning Post, 25 Nov 1895; [viii] London Evening Standard, 10 Oct 1898