In Bendigo, Central Victoria, Australië, knapt liefhebster Andrea Stringer een lijkkoets op, gebouwd door Plaum uit Zierikzee. Het is waarschijnlijk het enige rijtuig van Plaum dat nog bestaat, want de kans dat er nog een lijkwagen de Watersnoodramp van ’53 heeft doorstaan is klein. De Stichting Hippomobiel Erfgoed dook voor Andrea Stringer in de archieven.

Vier generaties Plaum, rooms-katholiek van geloof, zijn geboren en als wagenmaker getogen in Zierikzee. Te beginnen met Matthias (geb. 1793), Arnoldus (geb. 1834) en vervolgens Josephus Mattheus Plaum (1865-1947). Telkens hebben zij een grote hoeveelheid iepen voorhanden, een buigzame houtsoort die op Schouwen-Duiveland veel voorkomt en erg gewild is bij rijtuigmakers in heel Nederland. De Plaums handelen er daarom in.

De vierde en laatste generatie wagenmaker is Arnoldus Petrus Plaum (1899-1979). Hij werkt als carrosseriebouwer bij het station in Zierikzee en ziet tijdens de Eerste Wereldoorlog en in de crisisjaren ’30 de vraag naar tweedehandsrijtuigen stijgen. Coupés, landauers, tilbury’s en bedrijfsvoertuigen verkoopt hij, waarbij niet duidelijk is of en in welke mate hij zelf rijtuigen bouwt. Hij bouwt in ieder geval wel lijkwagens en heeft er meerdere uit voorraad leverbaar, zoals blijkt uit een advertentie in het weekblad De Boerderij (19 februari 1941): “Lijkwagens te koop. Het beste en voordeligst adres voor Lijkwagens, uit ruime keuze en verschillende prijzen. Tevens te koop een beste Omnibusbreak met geslepen spiegelglas. Te bevragen bij J.M. Plaum, Zierikzee.” Een ander voorbeeld is: “Een zeer fraaie lijkwagen met veel kroonwerk, alles afneembaar, voor verschillende klassen te gebruiken.” (De Boerderij, 9 juni 1926). De wagens die hij maakt zijn veelal voorzien van kroonwerk, zijn van het type schuitmodel en de kist gaat er aan de achterzijde in. Ze zijn te koop met rouwkleden voor de paarden, ook voor over hun hals.

Dergelijke advertenties maken het mogelijk om de wagen in Australië uit deze periode te dateren. Op de wieldoppen staat ‘J.M. Plaum’ en op de assen ‘Spyker’. Dat duidt erop dat Plaum een ouder onderstel heeft hergebruikt. Waarom de koets in Australië terechtkwam, is onbekend. Volgens de eigenaresse zou dat in 1969 zijn gebeurd; dat is haar zo verteld. Ze zocht tevergeefs contact met Nederlandse musea om meer te weten te komen over de koets en diens maker, tevergeefs. Tot wij haar verder hielpen.


Nieuwe Haarlemsche Courant, 11-2-1886.


De Boerderij, 18-6-1941.


De Boerderij, 20-1-1937.