Monumentale stallen en koetshuizen zijn zeldzaam. Omdat de oorspronkelijke functie verloren is gegaan zijn ze veelal afgebroken of verbouwd tot woonruimte of kantoor. En een enkel oud stalgebouw waar nog paarden staan, vraagt om aanpassingen op het gebied van dierenwelzijn: de originele stands worden royale boxen. Op het landgoed Vollenhoven is het stalinterieur voor acht paarden intact gebleven. Hier stonden zwarte merries van De Smeth, volbloeden van Baron van der Capellen en koetspaarden van de heren Kluppel.

In 1810 ontwierp de Utrechtse tuinarchitect Hendrik van Lunteren een zogenaamd ‘paardenwed’, een doorwaadbare plaats om paarden te drenken en te wassen, in het park van de buitenplaats Vollenhoven in De Bilt. De niervormige waterpartij en de gebogen laan die in het ontwerp langs het wed lopen, passen in de Engelse landschapstijl die een architect als Van Lunteren nastreefde, en vormen een tegenstelling met de strakke, formele ontwerpen van de achttiende  eeuw. Het zicht op wadende paarden droeg bij aan de romantiek van het park.
Een paardenwed kwam veelvuldig voor bij de poorten van een grote stad; het was een plek waar runderen en de paarden van handelsreizigers en postwagens konden drinken en herstellen van de reis. Zelfs de hofvijver in Den Haag had een doorwaardbare drinkplaats en Jacob Cats schilderde in 1784 het paardenwed bij de Amstel bij Amsterdam. Die functie komt nog terug in straatnamen als Om ’t Wedde in Montfoort en Paardenwed in Amersfoort. Op landgoederen is een paardenwed een redelijk zeldzame verschijning. Bij baggerwerkzaamheden rond de Martenastate bij Cornjum kwam een waadplaats tevoorschijn die dateert van voor 1899. De Spiegelvijver op Woestduin, Vogelenzang, was bedoeld voor paarden, net als een deel van de gracht op kasteel Middachten in het Gelderse De Steeg, dat bekend stond als ‘grand canal’ of in de volksmond de ‘paardengracht’. In dat laatste geval was sprake van een bestaande waterpartij, waarbij een verlaging in het talud het mogelijk maakte om paarden aan de hand in en uit het water te geleiden.
Het is echter de vraag of het paardenwed op Vollenhoven daadwerkelijk is gerealiseerd voor de paarden van de eerste bezitter van de buitenplaats, de Amsterdammer Pieter baron de Smeth van Alphen, aangezien deze in 1810 overleed.

Gebombeerde koets
Pieter de Smeth woonde als bankier en staatsraad van koning Lodewijk Napoleon met zijn gezin in de wintermaanden in Amsterdam en ’s zomers op de buitenplaats. Wanneer de familie van de stad naar buiten trok, reisden het personeel en de paarden met hen mee. Welke paarden en rijtuigen op die zomerse dagen in het koetshuis van Vollenhoven stonden, weten we door een openbare verkoping na het overlijden van De Smeth in 1810. Aan de stal van de overledene op de Keizersgracht, tussen de Vijzelstraat en de Reguliergracht, zijn dan te koop vijf zwarte merries met lange staarten en: “veele ongemeen kostbaar bewerkte rytuigen, alsmede een uitmuntend gefatzoeneerde gebombeerde koets voor vier persoonen, met prachtig wit koperen ornamenten en lantaarnen georneerd, benevens nog een kapitale koets voor vier personen, twee superbe Weense wagens, waarvan een gebombeerd; fraaije kiereboe voor zes, en een dito voor vier persoonen, pretieus bewerkte caricul, mede met wit Chinees koperen ornamenten en lantaarnen.” (Amst. Cour. 6-1-1810.) Een ‘caricul’ of karikel is een licht, tweewielig Engels rijtuig voor één of twee paarden, terwijl de ‘kiereboe’ in vorm aan een op riemen geveerde en overdekte boerenwagen doet denken; raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck gebruikte een soortgelijke kiereboe om door Nederland te reizen in de bescheidenheid die een burger paste. Op Vollenhoven waren de kiereboe en de karikel ongetwijfeld functioneel als zijnde licht en handig op slechte wegen.
Aan de Keizersgracht stond De Smeth echter een royale keuze aan bombastische karossen ter beschikking; het moet de indruk hebben gewekt alsof de revolutie niet had plaatsgevonden. Met een vierspan zwarte merries met lange staarten kon hij zich als een gevierd mens over de grachten laten rijden. In de zeventiende en de achttiende eeuw waren Friese paarden mét staarten zéér populair als karospaard, waarbij merries net zo hoog in aanzien stonden als ruinen of hengsten.

In navolging van Willem II
In 1827 ging de buitenplaats Vollenhoven over in handen van Baron van der Capellen van Berkenwoude, voormalig gouverneur-generaal van Indië, opperkamerheer van koning Willem II en invloedrijk politicus. Hij stichtte er een stoeterij en genoot er van een uitgebreid rariteitenkabinet met opgezette dieren, schelpen, vlinders en souvenirs uit Indië zoals kledingstukken en wapens van Javaanse volksstammen. Van der Capellen was al voor zijn komst op Vollenhoven bezig met de paardenfokkerij, door onder zijn bestuur zijn twee rijksstoeterijen op Java op te richten: in 1820 in Tjiandoer (Preanger) en in 1824 in Tamiadjing (Soerabaja) om betere paarden voor de cavalerie te fokken. Voor dat doel waren er op de eerste stoeterij zes Arabische, zes Perzische en een Engelse volbloedhengst, terwijl er volgens de Beschouwing der Nederlandsche Bezittingen in Oost-Indië in 1827, 179 merries met veulens en 213 dieren jonger dan vier jaar in opfok liepen. De grootschalige paardenfokkerij die Van der Capellen als gouverneur introduceerde werd door zijn opvolgers om bezuinigingsredenen net zo snel weer opgeheven. Over het effect van die inmenging in het inlandse ras vermeldt luitenant der artillerie Stampa in de Militairen Spectator (1846) dat de stoeterij te kort heeft bestaan om tot goede resultaten te leiden en dat volgens sommigen juist het te vroeg staken van de kruisingen heeft geleid tot lelijke, zwakke en boosaardige bastaarden die bekend staan onder de naam koeda-pernakan. Professor Veth (‘Het Paard onder de volken van het Maleische Ras’, 1894) nuanceert dit verhaal: “De waarheid is dat die Preanger paarden werkelijk verbazend uiteenlopen en geen constant ras vormen dat zich gemakkelijk en duidelijk van andere rassen laat onderscheiden.”
Terug in Nederland was baron Van der Capellen lid van de ‘Sociëteit tot aanmoediging der verbetering van het paardenras in het Koninkrijk der Nederlanden’, een exclusief gezelschap dat onder invloed van koning Willem II, zelf een echte paardenman en een uitstekende ruiter, de inlandse paardenfokkerij naar een hoger plan probeerde te krijgen door te kruisen met Engelse volbloeden. De belangrijkste graadmeter zagen ze in de prestaties op de draverijen en het rennen. De koning had de rijksstoeterij in Borculo en een aantal hengsten in privébezit overgenomen en Van der Capellen volgde hem in het stimuleren van fokkers in de regio om hun merries door betere hengsten te laten dekken.

Om contant geld
“Als eene bijdrage tot de paardenfokkerij, meenen wij niet onvermeld te mogen laten, de belangrijke stoeterij van den Baron van der Capellen van Berkenwoude, Lid dezer vergadering, op het landgoed Vollenhoven onder de gemeente de Bilt, alwaar met een gewenscht gevolg de paardenfokkerij wordt uitgeoefend van inlandsch en vreemd ras. Gedurende den laatsten dektijd zijn er ter verdere voortzetting dezer paardenfokkerij aldaar, ten gerieve van degenen, die zulks verlangden, twee Engelsche volbloedhengsten uit ’s Konings stoeterij te Borculo geplaatst”, aldus de Utrechtsche Provinciale Courant op 1 november 1843. Die twee hengsten maakten zich zo verdienstelijk dat in de jaren die volgen verkopingen van hun nazaten en van drie- en vierjarige volbloeden op Vollenhoven plaatsvonden.
“Op maandag 20 mei, voormiddags ten tien ure, zal op het Landgoed Vollenhoven, onder de Bildt, in het openbaar en om kontant geld, worden verkocht: een aantal jonge Engelsche paarden, ten overstaan van den notaris Mr. H.A.R. Vosmaer, te Utrecht, ten wiens kantore, op franco aanvrage, eene naauwkeurige lijst der paarden en nadere inlichtingen nopens de voorwaarden van verkoop zullen verkrijgbaar zijn”, volgens een aankondiging in het Algemeen Handelsblad op 8 mei 1844. Een bekende volbloed die op Vollenhoven het levenslicht zag ‘getrokken uit een hengst van de koninklijke stoeterij’ was Pastille, aangekocht door de Velser Sociëteit en doorverkocht aan de heer Seidler, die de bruine ruin eind jaren 1840 ’s zomers uitbracht op de renbanen en ’s winters in conditie liet houden als rijpaard in de manege te Utrecht.

Goed werkgever
Drie jaar achtereen vonden in het voorjaar verkopingen plaats van de fokproducten van Vollenhoven. De verkoping van 1848 werd echter publiekelijk afgelast, wegens overlijden van de eigenaar Van der Capellen, die met een ‘geschokt gemoed’ terugkwam na het meemaken van de Februarirevolutie in Parijs, kort daarna hersenvliesontsteking opliep en in een vlaag van krankzinnigheid op 10 april een einde aan zijn leven maakte. Van der Capellen moet een goed werkgever zijn geweest voor zijn stalpersoneel op Vollenhoven, net zoals hij als politicus in Indië een sterke sociale kant liet zien, want na zijn overlijden laat hij zijn koetsier Johannes van Schoonhoven het niet geringe bedrag van ƒ 3.000,- na. Tuinbaas Overeem kreeg een weliswaar aanzienlijk lagere, maar toch ook nog vorstelijke 1.200 gulden. Beide bedragen werden aangevuld met een bedrag voor iedere tien jaar dat ze in dienst waren. Na het overlijden zijn ‘alle paarden naar Engeland vervoerd’, aldus het Tijdschrift ter Bevordering van de Nijverheid in 1849.
Van de rijtuigen en de equipage die Godert van der Capellen gebruikte is alleen een schets te maken. Als politicus reisde hij frequent heen en weer tussen de Utrechtse buitenplaats en zijn huis aan het Lange Voorhout 14 in ’s-Gravenhage. Bij dit laatste huis behoorden een stal en koetshuis aan de Casuariestraat 19, waar uit de nalatenschap van de douairière Baronesse van der Capellen van Berkwout, geboren Barones Van Tuijl van Serooskerken, in 1867 een ‘soliede’ coupé voor twee personen en een coupé voor vier personen, alsmede enige tuigen te koop kwamen. Het was een zeer bescheiden rijtuigpark voor stadsgebruik.

Ouderwets reisrijtuig
Van der Capellen zelf maakte echter frequent buitenlandse reizen en had daarbij een status die de publieke diligence oversteeg. Het kan niet anders of er zijn op Vollenhoven en in de hofstad één of meerdere zware reisrijtuigen geweest, beladen met koffers en bij slecht weer te sluiten; rijtuigen die na de komst van de stoomtrein overbodig raakten. Mogelijk is zo’n ouderwets reisrijtuig op Vollenhoven blijven staan na het overlijden van Van der Capellen: in november 1861 had de koetsier er te verkopen een gebruikte calèche ‘met tabelier en voorkap, met glazen’ voor driehonderd gulden, een spotprijsje. Naast die reiscalèche verkocht de koetsier een chais op patentassen voor honderd gulden: een lichte tweewieler waarmee de eigenaar met of zonder koetsier met een behoorlijke snelheid een dagreis kon maken. Beide rijtuigen waren ‘in der tijd’ gemaakt door de Amsterdamse wagenmaker Fromberg; dat moet dan voor 1848 zijn geweest, wanneer Peter Fromberg naar Indië vertrekt.
Een andere optie is dat de rijtuigen ‘oudjes’ zijn van de nieuwe bewoner van het huis Vollenhoven, dat met een deel van het landgoed, na het overlijden van Van der Capellen, in bezit komt van de Amsterdammer Johannes Jacob Kluppel en na 1862 diens gelijknamige zoon. Vollenhoven is opnieuw een buitenplaats voor in de zomerdagen, naast de stadswoning voor in de wintertijd, het huis aan de Herengracht 544 in Amsterdam. Wanneer de jonge mevrouw Kluppel een keukenmeid voor de Herengracht zoekt, moet dat er een zijn die ‘genegen is om des zomers mede naar buiten te gaan’. Evengoed geldt dat voor de koetsier en de palfrenier.

Koetshuis brandt af
De naam Kluppel klinkt niet aanzienlijk. Toch zijn de Kluppels van grote invloed geweest op de admiraliteit en als schepenen van Amsterdam; vanuit die positie trouwden ze met dames uit de meer salonfähige families. Kluppel junior was een consciëntieus eigenaar die het landgoed met zorg beheerde en vooral interesse had in oranjeboompjes, palmen en wolfsklauwen, planten die tuinbaas J.H. Kottmann instuurde naar tentoonstellingen door het land. Qua equipage kreeg Kluppel te maken met de brand op 21 juni 1868 waarbij het koetshuis en de koetsierswoning uitbrandden. Paarden en rijtuigen werden gered, aldus een bericht in het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad.
In de tweede helft van de negentiende eeuw gingen de rijtuigen technisch met sprongen vooruit ten opzichte van die in de tijd van Van der Capellen: ze werden lichter en beter geveerd. Ook de behoefte aan koetspaarden veranderde, in plaats van de zwarte merries die vooral uit Friesland kwamen, wilde de moderne mens liefst Gelderse ruinen en dan gecoupeerd; lange staarten waren uit de mode. Zo was dat ongetwijfeld ook op Vollenhoven. Na het overlijden van de laatste Kluppel in 1889 ruimde diens weduwe, geboren Van Hasselt, het koetshuis een beetje op, waarbij de phaeton, het sportrijtuig waarmee hijzelf ter ontspanning en inspectie over het landgoed rondstuurde, plaats moest maken, evenals de berline die als groot stadsrijtuig voor vier personen geen rol meer had te vervullen. Een dame alleen kon het prima af met een coupé en een victoria. Koetsier Martinus Johannes van den Ende (1844-1915) mocht de verkoop regelen. Die koetsier kwam als zoon van een gistkoper uit Den Haag, waar hij als 25-jarige reeds als koetsier werkte. Tot 1912 bleef Van den Ende op Vollenhove om de laatste jaren van zijn leven door te brengen bij zijn dochter in Utrecht. Mevrouw de weduwe zocht onderwijl een palfrenier, die zich, naast het assisteren van de koetsier, in de avonduren verdienstelijk kon maken door als huisknecht het eten te serveren en klusjes in de huishouding uit te voeren.

Zeldzaam stalinterieur
In 1922 overleed de weduwe Kluppel-Van Hasselt en kwam het landgoed Vollenhoven in bezit van de familie Van Marwijk Kooy, die met name het interieur van het stalgebouw tot op heden onaangetast heeft gelaten. De eerste steen van het koetshuis is gelegd door de zoon van Piet de Smeth van Alphen en heeft de inscriptie ‘T.P. de Smeth, 21 Aug.1801’, van het interieur mogen we uitgaan dat geheel of ten dele van na de brand in 1868 dateert. Vollenhoven heeft daarmee een belangrijk monumentaal stalgebouw, vooral ook door het zeldzame stalinterieur met acht stands. De paarden stonden er aangebonden met hun hoofden naar de muur, van elkaar gescheiden door hardhouten schotten. De ‘gecanneleerde stijlen’ aan de achterkant van de tussenschotten zijn versierd met pijnappels en voorzien van haken om een hoofdstel of halster op te hangen, terwijl aan de goten en putjes in de klinkervloer precies is te zien hoe vroeger de urine van de paarden onder en achter hen aan de gangpadzijde wegliep naar de kelder. De klinkers liggen gestrekt en aflopend in de stands om de urineafvoer te bevorderen, en in het gangpad in visgraatmotief om meer grip te geven. De dieren kregen hun haver in hardstenen voerbakken, waarbij de keuze voor hardsteen niet is gemaakt uit esthetische overwegingen, maar omdat dit in tegenstelling tot hout of metselwerk bestand is tegen de vernielzucht van de paarden en bovendien eenvoudig was te reinigen. Sierlijk ijzerwerk op de tussenschotten ter hoogte van hun hoofden zorgde ervoor dat de dieren niet naar elkaar konden uithalen tijdens het eten. Boven de voerbakken hangen ruiven, die de koetsier of stalknecht kon vullen vanaf de zolder waar het hooi lag opgeslagen: door stortkokers viel het hooi naar beneden.
Het is met dank aan de huidige eigenaren dat op Vollenhoven een paardengeschiedenis, die loopt van de Bataafse tijd tot aan het begin van de twintigste eeuw, nog voelbaar is; een eeuw waarin de rol van het rijtuig veranderde, de mode in het livrei van het stalpersoneel veranderde, net als de vraag naar specifieke koetspaard en zelfs de tuigen van de paarden een totaal andere vorm kregen. Voor wie de kans krijgt om een stap in de stallen te zetten, komt dat verhaal tot leven.


Vollenhoven door A. Verhoesen, tekenaar/graficus,
1828-1829 (collectie Utrechts Archief).


Schetsontwerp van het paardenwed,
uit 1810 door tuinarchitect Hendrik
van Lunteren (klik om te vergroten).


Paardenwed aan de Amstel, in
1784 geschilderd door Jacob Cats.


Kiereboe van raadspensionaris
Rutger Jan Schimmelpenninck.


Baron van der Capellen van Berkenwoude
(1778-1848).


Utrechtsche Provinciale en Stads-courant.


Utrechtsche Provinciale en Stads-courant
23-5-1851.


Utrechtsche Provinciale en Stads-courant
22-10-1861.


Johannes Jacob Kluppel (1825-1889).


Dagblad van Zuidholland en
’s-Gravenhave 13-10-1867.


Algemeen Handelsblad 18-3-1890.


Nieuws van den Dag 27-9-1905.


Het koetshuis van de buitenzijde, met drie uitrijpoorten groot genoeg
om de rijtuigen naar buiten te halen, zonder interne manoeuvres
(foto Rijksdienst Cultureel Erfgoed).