In het koetshuis van kasteel Weldam in het Overijsselse Markelo staat een grote wagonette-break, zo een waarmee jagers zich op een winterdag in het jachtveld lieten vervoeren. Het rijtuig oogt groen, maar het zal onder een donkere vernislaag ongetwijfeld donkerblauw zijn met witte biezen: de heraldische kleuren van de grafelijke familie Van Aldenburg Bentinck, tot wie het kasteel behoort. Nadat een wiel van de as is gehaald, is zichtbaar wie de break heeft gemaakt: G. ten Cate & Zoon in Zutphen, een minder bekende rijtuigfabriek die desalniettemin de titel van ‘hofrijtuigenfabriek’ mocht voeren.

In 1871 springt Gerret ten Cate, huis- en rijtuigschilder te Zutphen, van boosheid bijna uit z’n vel bij het zien van de IJsselbrug in zijn woonplaats. Een concurrent die de klus van het schilderen vergund heeft gekregen, doet dat zo abominabel slecht dat Ten Cate een publiekelijke oproep doet aan de stadsbouwmeester en hem vraagt of er volgens het bestek is gewerkt. In plaats van bijgronden, overgronden en opverven is de brug maar eenmaal geverfd en op die manier verbaast het Ten Cate niets dat de betreffende concurrent onder de begroting kan blijven (Zutph. Cour. 9-5-1871).
Gerret (1822-1903) is getrouwd met daglonersdochter Willemina Aleida Ophoff, maar zij sterft in 1884, waarna hij achterblijft met hun enige kind, de zeventienjarige Henk (Hendrik Jan). Twee alleenstaande kerels die lange dagen werken vragen om een huishoudelijke hand: “De ondergeteekende verlangt tegen 1 febr. ter bestiering van zijne huishouding, bestaande uit twee personen, eene fatsoenlijke Huishoudster of weduwe, tusschen de 35 a 45 jaar, P.G., zacht humeur, helder en ordentlijk. Loon f 100. Wasch buitenshuis en werkzaamheden verrichten binnenshuis. Aanbieding liefst in persoon of met franco brieven aan den Heer G. ten Cate, rijtuigschilder, Zutphen.” (Zutp. Cour. 24-12-1885).
Zeven jaar na het overlijden van zijn moeder treedt Henk (1867-1955) als vijfde generatie toe tot de rijtuig- en wapenschilders-affaire. De Ten Cates zijn al vanaf 1766 werkzaam als schilders te Zutphen. Henk trouwt met slagersdochter Margrietha Hendrika Meerstadt en ze krijgen in 1893 een zoon.

Van schilder naar fabrikant
Zakelijk gaat het voor de wind: vader Gerret en zoon Henk verschaffen werk aan drie of vier schildersknechten, doen in toenemende mate herstelklussen aan rijtuigen en gaan zich profileren als rijtuigfabriek Firma G. ten Cate & Zoon aan de Laarstraat. De grote omslag komt later, in januari 1895 met een feestelijke opening: “Nieuw ingericht atelier. Door deze hebben wij de eer te berichten, dat wij speciaal zijn ingericht tot het fabriceren en repareren van rijtuigen. Belastten wij ons sedert jaren met de uitvoering bovengenoemd, thans hebben wij voor eigen rekening een fabriek opgericht, en kunnen zoodoende de nieuwe werkzaamheden en reparatiën veel netter, solieder en vlugger uitgevoerd worden dan voorheen, daar wij thans met eigen personeel, werktuig en materialen werkzaam zijn. Onze nieuwe ingerichte lakkamer voldoet aan de strengste eischen des tijds. Wij vestigen vooral de aandacht op onze wielen met Amerikaansche naven, Hickory spaken en Hickory gebogen velgen, velgen uit één stuk, eigen fabrikaat eenig adres, alsook in essenhout met rail- of gewoon beslag. Deze wielen zijn oneindig veel solieder, fraaier en vlugger gebouwd dan de gewone wielen, thans in gebruik van iepen naven en stukvelgen, doch laatstgenoemde worden ook door ons gefabriceerd.” Op de Amerikaanse wielen uit één stuk uit de eigen werkplaats geven de Ten Cate’s twee jaar garantie. Om ze te maken moet er een grote stoomketel en pers zijn.

Koningin-moeder Emma
Wanneer twee weken na de opening de paardentram naar Warnsveld vastloopt in de bevroren rails, mag Ten Cate het probleem oplossen: “Wij hebben met het tram- en ons eigen personeel ongeveer twee uren gemarteld met stootijzer, schoppen, bezems en ander materiaal, om het eindje lijn van de remise naar onze fabriek schoon te maken, doch we konden het niet verder brengen dan eenige meters over den wissel in de Laarstraat, vervolgens moest de tram over de straatstenen vervoerd worden.” (Zutph. Cour. 11-2-1895). Het is een voorbeeld van een toevallige klus, terwijl het gewone werk bestaat uit het maken en onderhouden van rijtuigen voor de buitenplaatsen, villa’s en kastelen in de omgeving van Zutphen, Warnsveld en Vorden. De bekendste en grootste rijtuigenfabriek, die van Veth,  zit in Arnhem. Dat is vanuit Zutphen toch nog een redelijk eind weg en daardoor ontstaat een kans voor Ten Cate.
Een vacature voor ‘vuurwerkers’ geeft aan dat er naast een houtwerkplaats en een lakkamer ook een smederij is ingericht om tot een volwaardige rijtuigfabriek te komen. Met toch minstens acht rijtuigen op voorraad, waaronder een Burlington cart, een rally-cart, een omnibus- en een pony-break, doet Henk, die het geleidelijk aan alleen moet gaan redden, mee op de Geldersche Tentoonstelling van Handel en Nijverheid in juni 1897. Hij staat er zij aan zij met serieuze concurrenten. Zonder in details te treden merken de kranten op dat op die tentoonstelling Bastiaan Veth, Buitenweg & Co, Kees Bij ’t Vuur en Hendrik Jan ten Cate Gzn veel werk van hun inzendingen hebben gemaakt. Zowel koningin Wilhelmina als koningin-moeder Emma brengen in augustus een officieel bezoek aan Arnhem en de tentoonstelling in het park Sonsbeek, en doen dan mogelijk een terloopse aankoop bij Ten Cate. Die voert daarna namelijk het predicaat ‘koninklijk’ en het wapen van de koningin-moeder. Als ‘Hofrijtuigenfabriek’ – de enige fabrikant die zich zo noemt – durft Ten Cate het aan om in het Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (24-6-1898) te adverteren met ‘het laatste model Fransche’ mylord met diepe, ronde bak en op C-veren. Het luxe rijtuig is bedoeld voor een exclusieve klantenkring.

Scholtenboeren
Toch zijn het de ‘dogcarren’ die een erediploma krijgen op de landbouwtentoonstelling in Winterswijk een jaar later; de scholtenboeren van de Achterhoek zijn gemakkelijker door een ‘provinciaalse’ rijtuigmaker te overtuigen dan het establishment in Den Haag. Ten Cate hoopt natuurlijk te profiteren van zijn voordracht door de koningin-moeder; het is echter lastig te zeggen in hoeverre zij tot zijn klandizie behoort. Paleis het Loo ligt op afzienbare afstand van Zutphen en dat de relatie met het koningshuis er is, zal ook later nog blijken. Mogelijk heeft Ten Cate voor de koningin-moeder op persoonlijke titel werk geleverd en is zijn naam daarom niet in de boekhouding van het Koninklijk Huisarchief terug te vinden; het reguliere rijtuigwerk op Het Loo doet Schimmel uit Apeldoorn.
In 1901 biedt Ten Cate een ‘jachtbreack’ aan, zonder die verder te omschrijven. Het kan de break zijn die op kasteel Weldam in Markelo staat, in die periode aangeschaft door de grafelijke familie Van Aldenburg Bentinck. De vermelding ‘G. ten Cate & Zn’ op de wielas betekent dat het rijtuig te dateren is voor 1905. Het merkteken ‘AG’ op de as is van de in 1890 opgerichte staalfabriek van August Thyssen in het Duitse Hamborn. In de tussenliggende vijftien jaar zijn assen van de break gemaakt. Ten Cate bouwt dan ook zijn eerste carrosserieën voor auto’s.

Romeinse strijdwagens
Na het overlijden van Gerret zoekt Henk financiële steun bij de smid Henri Christiaan Köhler. In 1904 stappen de twee naar de notaris voor oprichting van de Nederlandsche Hofrijtuigenfabriek G. ten Cate & Zoon, gevestigd aan de Laarstraat. Ten Cate junior heeft blijkbaar wel het kunstzinnige van zijn vader geërfd maar niet diens zakelijkheid, want een jaar later is zijn naam al volledig gewist in de bedrijfsvoering en vervangen door die van Köhler.
Henri Christiaan Köhler (1868-1943) is de zoon van een Amsterdamse meubelmaker. Hij is in 1892 te Arnhem getrouwd met Gertruda Willemina Starrenburg (1875-1949). Onder zijn leiding maakt de Hofrijtuigenfabriek strijdwagens voor de Romeinse wagenrennen in het ‘Circus Maximus’ ter gelegenheid van de Utrechtse maskeradefeesten in 1906. Koningin-moeder Emma en prins Hendrik zien die strijdwagens in volle vaart door de arena vliegen. Maar de fabriek gaat in 1909 failliet, waarbij eerst het pand aan de Laarstraat 28 inclusief machines en gereedschappen onder de hamer komt en vervolgens de rijtuigvoorraad: gedeeltelijk nieuw, gedeeltelijk tweedehands, waaronder een nieuw model victoria, een nieuw model buggy met gummibanden, een zespersoons break, een berliner-vigilante, een brikje, victoria’s, een calèche,een  landauer, een tilbury, Utrechtse wagentjes en dogcarts. Pikant detail van het faillissement: dan is het plots weer Hofrijtuigenfabriek Ten Cate & Zoon, zonder Köhler. Het faillissement eindigt in 1911.

Van fabrikant naar schilder
Ten tijde van het faillissement heeft Henk ten Cate een goede uitlaatklep gevonden in de schilderkunst. In die jaren trekt hij eropuit met de schildersezel om landelijke plaatjes in de omgeving van Zutphen en Apeldoorn in olieverf te vereeuwigen. Het is niet zo verwonderlijk, want dit is precies wat ook zijn gelijknamige grootvader deed – de ambachten van rijtuigschilder en landschapsschilder liepen bij de Ten Cate’s altijd al door elkaar. Henk doet het zelfs zo verdienstelijk dat koningin Wilhelmina hem in 1911 opdracht geeft om het eerste kunstwerk voor prinses Juliana op Paleis Het Loo te schilderen. Zijn werk geeft hem de financiële ruimte om te gaan reizen: naar China, Roemenië, Duitsland, Spanje, Amerika en Italië. In 1913 verhuist Ten Cate met zijn gezin naar Den Haag om daar als decorateur-kunstschilder verder de kost te verdienen.

Köhler gaat op zijn beurt na het faillissement verder als directeur van de NV Zutphense Rijtuig- en Automobielenfabriek. Köhlers zoon Gerrit Frederik is ten tijde van zijn huwelijk in 1918 rijtuigschilder in de fabriek. In 1924 plaatst Köhler de laatste advertentie; in de tussentijd is hij het wapen van hofleverancier gaan voeren. Zonen Henri Christiaan Köhler en Johan George Köhler, aanvankelijk onderwijzer, richten op 20 juli 1925 de NV H.C. Köhlers Automobielhandel en Carrosseriefabriek op in Dieren; de tijd van het rijtuig is dan definitief voorbij.

Foto boven: wagonette-break, gebouwd in de periode van Ten Cate & Zoon, 1891-1905, voor de grafelijke familie Van Aldenburg Bentinck.


Op de wielas van de wagonette-break staat ‘G. ten
Cate & Zn’; dat betekent dat deze dateert van voor
1905. Het merkteken ‘AG’ is van de in 1890 opge-
richte staalfabriek van August Thyssen in het
Duitse Hamborn.


Dogcart van Ten Cate Zutphen op Martkplaats.


Henk ten Cate op 85-jarige leeftijd als kunstschilder
in Den Haag (foto Gemeentearchief Den Haag).


Zutphensche Courant 3-12-1862.


Zutphensche Courant 24-12-1885.


Zutphensche Courant 6-1-1891.


Zutphensche Courant 21-1-1895.


Prov. Overijsselsche en Zwolsche Courant 17-8-1897.


Dagblad van Zuidh. en ’s Gravenhage 24-6-1898.


Zutphensche Courant 28-12-1905.


Romeinse strijdwagen in Kathol. Illustratie 1906.


Voor de fabriek in 1909. De foto is van Wim
Kemp, kleinzoon van werknemer Johan Kemp
die recht onder het huisnummer 28 staat.


De Maasbode 19-9-1913.


Nederlandsche Staatscourant 28-4-1923.