Negenhonderd uur neemt de restauratie van een vierspantuig van kasteel Middachten in beslag, gokt tuigenmaker Jan van Rijs. Het is geen klus waar hij en zijn team voortdurend mee bezig zijn. Dat kan niet. Want werken aan een antiek tuig vergt een grotere concentratie dan het maken van nieuw werk. “Je bent continu bezig met het maken van keuzes, wat doe je wel, wat niet.” Deze unieke opdracht geeft nieuwe inzichten over het vraagstuk hoe om te gaan met oude tuigen.

Leer vergaat. Het is organisch materiaal dat, als het niet goed geconserveerd is, in de loop van de tijd langzaam uit elkaar valt. Het moment komt dus dat een tuig onbruikbaar is en te zwak om de krachten op te vangen die een paard van zevenhonderd kilo er in kan gooien. Toch is het tuig een wezenlijk onderdeel van onze rijtuiggeschiedenis. En wanneer het rijtuig tot het erfgoed behoort, dan horen de oorspronkelijke tuigen dat evengoed, omwille van de modellen, het ambacht en de materialen. Maar die tuigen zijn door hun kwetsbaarheid zeldzamer. Domweg weggegooid, op een hoop geraakt en verder vergaan. Een waardevol rijtuig is toonbaar te maken, museaal te conserveren en zelfs geschikt om er een enkele keer mee te rijden. Maar wat te doen met een antiek tuig? Nederland telt nog een paar tuigenmakers, maar Van Rijs in Zevenhuizen is de enige firma die ervaring heeft met restauraties op museaal niveau.

“Ik kijk vooral naar hoe het is gemaakt”, zegt Hans Peter van den Haak (50), tuigenmaker van de firma Van Rijs, die het belangrijkste deel van het project uitvoert. “Daar trek ik lering uit. Na al die jaren verbaas ik mij nog telkens weer hoe ze dat vroeger gemaakt hebben. Superknap in de tijd dat er nog geen naaimachines bestonden, en met gereedschappen die wij voor een deel niet eens meer kennen. Ja, dat leverde absoluut een ander tuig op dan wij tegenwoordig maken. De factor tijd speelde geen rol. De punt er in genaaid, mooie krullen, er was meer aandacht voor het uiterlijk.”

“Dit is een tuig met uitstraling, het heeft historische waarde en je kunt er aan zien hoe het vroeger was”, vindt Van den Haak van het tuig van Middachten. Hij wijst naar de schoftjes: “Op het oog zo simpel gemaakt, maar als je het echt gaat zien, is het dat helemaal niet. Zo veel verfijnder en gedetailleerder dan een modern tuig. De tand des tijds heeft zich er wel mee bemoeid, maar ergens ook niet. Dat het tuig na anderhalve eeuw nog zo bestaat is mede dankzij de kwaliteit van het leer, wat meteen aangeeft waarom het waardevol is om juist dat leer niet te vervangen. Het is namelijk anders dan nieuw. Jan van Rijs (57) verklaart: “Dat begon al met het groeien van de huid van de koe. De huidige koeien groeien sneller en leven korter, hun huid is losser. Vroeger gooiden ze de huid een jaar onder de grond, in een vat met looizuur. Nu is het met zes weken snel-looien klaar. Daardoor konden ze vroeger met veel dunner leer werken, dat veel sterker was. De verfijning komt daar vandaan.”

Allerfijnste els
Na het leer is het stiksel datgene wat een antiek van een nieuw tuig onderscheidt. Een tuigenmaker heeft een stempel waarmee hij kleine puntjes in de riem slaat, waar hij met zijn els de gaatjes moet prikken. Voor het restauratiewerk liet Van Rijs speciale fijnere stempels maken, want in de ‘moderne tijd’ vraagt niemand om zulk fijn werk. “Hoe fijner de steek, hoe duurder het tuig was. Tot 21 steken per inch (2,54 cm), zoals we dat tegenkwamen bij een spantuig van de familie Van Pallandt, van kasteel Rosendael. Dan werk je met de allerfijnste els en naalden die bijna breken. De fijnheid hangt af van het onderdeel. Een neusriem telt zestien steken per inch. Op het zware leerwerk waar veel kracht op komt te staan, zoals de strengen, kan dit niet. Dan perforeer je het leer als een postzegel. Maar bij oogkleppen en het bovenblad van een schoftje kun je het fijnst werken, tenminste als het leer dun en sterk genoeg is.” Hier zit de moeilijkheid: nieuw leer is niet zo dun en sterk, het oude breekt in stukjes tijdens het stikken. En telkens maakt de restaurator de lastige keuze tussen nieuw maken, niets doen of een compromis in het werk.

Verreweg het meest opvallende van een antiek tuig is het craquelé op de plaatsen waar voorheen het lakleer, letterlijk gelakt leer, glom. Door het rekken en krimpen door de tijd is de schellak dof uitgeslagen en gebarsten, en is hij op gaan krullen of zelfs weer uit gaan lopen. Het patina heeft een zekere charme, geeft het gevoel van authenticiteit, maar is niet wat de tuigenmakers een eeuw geleden bedoelden. Een tuig moest toen schitteren. En toch koestert de restaurator het oude. “In de schellak van toen zaten bijvoorbeeld parelmoer en ivoor, in verhoudingen die we niet meer weten en gemaakt volgens een procedé dat verloren is gegaan. Je kunt dat lakleer van toen niet meer maken”, geeft Jan van Rijs aan. Modern lakleer uit synthetische lakken of juist door middel van een craquelé-print ‘oud gemaakt’ lakleer zijn leuk voor de liefhebber, maar niet bruikbaar in de erfgoedsector; het is nep.

Latoenkoper
In het beslag van de tuigen zit een subtiele boodschap. Door de grote of juist bescheiden heraldische tekens of initialen kon een omstander zien van wie de aanspanning was, terwijl het gouden of zilveren ‘veld’ in het familiewapen de keuze bepaalde voor zilver of messing beslag. Het aantal bolletjes van een kroontje of een vorstelijke beugelkroon op het tuig geeft de adellijke titel aan. Met grote wapens diende het voor groot vertoon, met alleen een helmteken voor de huishoudelijke ritjes. Het vroegere beslag is ‘plated’, oftewel het zilver of messing is er in een dikke laag opgelegd, bij messing ook wel bekend onder de naam ‘latoenkoper’. Latoenkoper of opgelegd zilver geeft een diepere glans, behoudt zijn glans langer en is er niet vanaf te poetsen, in tegenstelling tot het nieuwerwetse verzilveren of verkoperen. Er is één probleem: “Qua vakmanschap is het eigenlijk niet meer te maken”, klinkt het opnieuw.

Als het oude onvervangbaar is, wat dan? “Gebruiken is niet verantwoord”, zijn zowel Van den Haak als zijn werkgever Jan van Rijs resoluut over antieke tuigen. “Als je het wilt etaleren kun je het laten zoals het is, wil je rijden, dan moet je constructief aanpassingen doen, anders is het gevaarlijk. Weet je hoeveel kracht een paard van zevenhonderd kilo kan zetten? Als je het tuig vol in bedrijf kapot trekt, dat kun je niet verantwoorden.” Bij de tuigen van Middachten is de opdracht om ze museaal te conserveren, met de mogelijkheid voor incidenteel gebruik. Conservator Claas Conijn maakt hiervoor de keuze om een aantal essentiële onderdelen te vervangen, bijvoorbeeld de strengen of leidsels die er nieuw bijgemaakt worden, zonder de oude weg te gooien. De stoten aan de schoftjes zijn vergaan en sommige delen ontbreken. De regel van Conijn is 85% oud en 15% nieuw, wil het tuig nog voldoende historische waarde houden. “De verhouding moet goed blijven. Als je het leer vrijwel geheel vervangt en alleen nog oud beslag overhoudt, is het een nieuw tuig”, zegt ook Jan van Rijs. “De tuigen op Paleis Het Loo waren voor ons de beste leerschool om te ontdekken hoe je hiermee om moet gaan.”

Met de stikmachine
Aan de nieuwe strengen komt een stikmachine te pas, anders dan bij Bouman die volledig met de hand werkte. “Je kunt zien dat het in deze tijd is gemaakt. We verstoppen het niet”, zegt conservator Conijn over het machinale werk, dat hij vergelijkt met de restauratie van een oud gebouw, waarbij duidelijk moet blijven wat uit welke periode dateert om latere generaties niet op een vals spoor te zetten. “Bij de tuigen voor de schimmels van prins Hendrik die indertijd voor Paleis Het Loo zijn gerestaureerd, is wel alles met de hand gedaan, maar dan heb je het over een andere portemonnee.” Een streng stikken kost met de hand acht uur, met de stikmachine twintig minuten.

Jan van Rijs relativeert de machine, inmiddels ook een honderdjarig ding, een beetje: “Het is geen naai- maar een stikmachine en doet hetzelfde als met de hand, hij slingert de draad er omheen. Iedere steek heeft een knoop, net als wij op een krukje doen.” Voor het werken aan de oude delen blijft het handmatig stikken de enige oplossing, met linnendraad. “Dat vult het gaatje en valt het mooist”, zegt Jan. Voor een enkel cruciaal stukje grof stikwerk is het pekgaren, een hennepdraad die door de pek is getrokken. Maar dat is duidelijk niet voor fijn werk.

Kennis doorgeven
“Voor sommige aspecten is het nog steeds een raadsel hoe het is gemaakt.” Het maken van harde, rechte en lange kokerpassanten bijvoorbeeld. Van Rijs heeft dat opnieuw uit moeten vinden, simpelweg omdat dit deel van het ambacht verloren was gegaan. Hoe? “Ja, hè hè, dat gaan we niet zeggen”, klinkt het met een lach en uit zelfbescherming: “Twintig jaar geleden hadden we nog werk voor negen tuigenmakers, maar nu neemt de consument genoegen met een andere kwaliteit werk uit lagelonenlanden. Daarom zijn we zuinig op het laatste beetje dat we hebben, de specialistische kennis. Die geven we niet weg.” Toch realiseert ook Jan van Rijs zich terdege dat het een morele plicht is om de kennis door te geven. Vandaar dat met Rionne de Kooker (33) ook een jongere generatie aan het Middachten-project meewerkt. “Voor elkaar hebben we geen geheimen”, stelt Van Rijs gerust.

Het ambacht gaat dankzij Middachten en de ondersteunende fondsen dus nog eventjes door en het Bouman-tuig krijgt opnieuw waardering. Maar het neemt de zorg voor het erfgoed niet weg. “Nee, hobbyisten moeten geen oud tuig kopen”, vindt Van Rijs. “We hebben klanten die echt hele mooie oude tuigen dagelijks gebruiken, dat vind ik zonde”, ziet Van den Haak het werk van zijn verre voorgangers alsnog verslijten. Een veiliger oplossing is het gebruiken van oud craquelé leer op een verder nieuw tuig. “Het heeft dan de looks, maar je verruïneert daarvoor het oude tuig. Het is een afweging, want op de weg gaat veiligheid voor alles, de historische waarde is een ander verhaal.”

“Ik denk dat we met z’n allen wel wat zorgvuldiger om mogen springen met wat er aan antieke tuigen is. Als het niet in musea terechtkomt, verdwijnt het gegarandeerd. En als het verdwenen is, weten we niks meer”, vat Jan van Rijs het belang samen.

In navolging van Hare Majesteit
De tuigen van de grafelijke familie Van Aldenburg Bentinck van kasteel Middachten in het Gelderse plaatsje De Steeg zijn bijna anderhalve eeuw geleden gemaakt door Bouman, een zadel- en tuigenmakerij aan de Denneweg in Den Haag. De firma Bouman voerde terug tot 1844 en bestond als Jonas-Bouman tot 1979. In de glorietijd waren er zeker twintig ‘koperen en zwarte’ gareel- en borsttuigen op voorraad. Niet alleen de familie Van Aldenburg Bentinck schafte er tuigen aan, ook stalmeester Bentinck deed dat in opdracht van de latere koningin Wilhelmina, haar moeder Emma en prins Hendrik. In navolging daarvan waren de tuigen van Bouman gewild bij tal van Nederlandse adellijke families. Bouman leverde het achtspantuig voor de Gouden Koets, voor de inhuldiging van Wilhelmina als koningin in 1898.

Juiste condities
Het klimaat in de tuigenkamer is allesbepalend voor hoe lang een tuig mee kan: anderhalve eeuw of tien jaar. 55-65% luchtvochtigheid heeft het nodig, anders gaat het ‘leven’ er letterlijk uit. “Het is net als turf, als het eenmaal droog is, krijg je het nooit meer in leven. Op uitgedroogd leer kun je olie smeren wat je wil, het heeft geen zin”, weet tuigenmaker Hans Peter van den Haak uit ervaring. Jan van Rijs, over degene van wie hij het vak leerde: “Mijn vader zei altijd klauwolie, Prestolin van dierlijke klauwen gemaakt, en dan in een mix met vet. Vet legt een laagje, de olie voedt. Als je een tuig beetpakt moet het soepel aanvoelen, maar niet vet.”

 

 

 

De restauratie van de tuigen is onderdeel van een project om het koetshuis van kasteel Middachten opnieuw zijn ‘verhaal’ te laten vertellen. Tijdens openstellingen van het koetshuis, de tuigenkamer en de stallen van het kasteel krijgt het publiek een goede indruk van de equipage van weleer. Vrijwilligers geven er rondleidingen. De restauraties hiervoor zijn mede mogelijk gemaakt door Prins Bernhard CultuurfondsMondriaan Fonds, Frans Mortelmans Stichting, Ludovica StichtingRDO Balije van Utrecht en Kasteel Middachten. De Stichting Hippomobiel Erfgoed begeleidt de uitvoering en verzorgt de communicatie. Kijk voor actuele openstelling op www.middachten.nl