Hij zat langs de kant van de keuringsbaan en maakte portretjes van de Friese paarden zoals hij ze zag. Aan het einde van de dag had Adema zijn werk al verkocht. Gerhardus Jan Adema (1898-1981) sneed ook houten paardjes als ornament voor op arrensledes. De ‘gouden sjees’ in het Fries Landbouwmuseum is door hem in 1959 voorzien van taferelen met bootjes, molens en ijspret. Zijn werk behoort tot het Fries erfgoed. 

“Het bestuur van het Friesch Paarden-Stamboek heeft de aardige gedachte gehad in een der tenten een viertal calligrafisch zeer fraai uitgevoerde stambomen te exposeren en wel vaneen Friesche merrie, een dito hengst, een in Friesland gefokte merrie van Groninger-Oldenburger type en een in Friesland gestationeerde Groninger hengst, resp. Clementia, Cremer, Bella en Ebino. De aantrekkelijkheid van dezen stand van het FPS wordt zeer verhoogd door het feit, dat de jonge beeldhouwer G. J. Adema zijn beeld ‘Friesche hengst voor een krompanelensjees’ hierbij exposeert. De kunstenaar werd hiertoe geïnspireerd door een afbeelding van den Frieschen hengst Arend. O.i. behoort dit werk tot het allerbeste van wat Adema tot dusverre maakte. De typische stepgang der Friesche paarden, de sterke beharing, de fraaie bocht van den hals, het is alles juist weergegeven en ook de reproductie van het elegante rijtuig, dat de Friesche sjees toch nog altijd is, is zeer geslaagd. Van harte hopen wij, dat de kunstenaar een koper voor zijn beeld vindt, doch ook, dat het zoo mogelijk voor Friesland behouden blijft. Helaas is het Friesche paard voor een sjees een verschijnsel geworden, dat alleen nog maar op een enkel concours gezien wordt en het feit dat een kunstenaar roeping gevoelt die nog eens blijvend vast te leggen, verdient vooral waardering van Friesche zijde”, aldus Paard en Paardenwereld in september 1927.

Sneeuwpoppen
Amper dertig jaar oud deed Adema in dit vakblad van zich spreken, al leerden veehouders en paardenfokkers hem vooral kennen als kunstenaar langs de baan die hun koeien en paarden treffend wist neer te zetten. Hij schilderde ze op fluweel. Gerhardus Jan Adema liet de Friese hogeschoolhengst Othello van Circus Strassburger gebeeldhouwd in hout steigeren (1939) en wanneer in de bittere oorlogs-winter van 1944-1945 een dik pak sneeuw valt, kneedt hij uit de vers gevallen sneeuw een levensgroot paard, net als een manshoge sneeuwleeuw. Het was voor ieders plezier, want de autodidactische kunstenaar was vooral reclameschilder en verdiende met opdrachten. Ook het schilderen en beeldhouwen van paarden kwam voort uit liefde. De Leeuwarder Koerier schreef over de kunst die te zien was op de Friese Dagen van 1946: “De beeldhouwer G. L. Adema is nog zeer ongelijk in zijn werk, al zien we bijvoorbeeld in zijn paarden al een zeer grote vooruitgang, ze zijn natuurlijker en levendiger geworden.” Een jaar later exposeert de Friese kunstkring en schrijft de Leeuwarder Courant: “Terwijl tenslotte de beeldhouwer Adema voor zijn doen een best paard laat zien. Het is fijn rustig en het ademt.” In 1948 reikte het Friese paardenstamboek een beeld van zijn hand uit als wisselprijs aan de kampioenshengst ‘Groninger type’ dat jaar, Truman, en andere organisaties volgden dat voorbeeld: het concours hippique Heerenveen liet bijvoorbeeld een paardenhoofd maken als wisselprijs voor enkelspannen Fries ras.

De Ploeggang
“Nee, van mislukkingen heb ik geen last dat is tot dusver nooit voorgekomen. Natuurlijk is het met bestelwerk uitkijken, omdat het dan vooral aankomt op de volkomen gelijkenis, maar anders… Kijk, ik heb het gehad, dat ik trekkende paarden voor een ploeg maakte. Het ging er vooral om die trekkracht er in te leggen. Laat ik nu met de kop bezig zijn van één van de paarden en laat me daar een stuk hout teveel afgaan. Ik kijk eens en denk goed, dan komt die kop een beetje scheef. Laat dat ongelukje nu juist goed zijn, want paarden hebben dat, als ze zwaar moeten trekken, dan komen de koppen naar elkaar toe”, vertelt Adema in een uitgebreid interview over zijn werk als beeldhouwer en schilder in de Heerenveensche Koerier (15-1-1949). Het betreffende beeld uit 1926 is anderhalve meter lang en uit mahonie gesneden, draagt de naam ‘De Ploeggang’ en staat nu in volle glorie in het Fries Landbouwmuseum. Het museum heeft meer werk van Adema: een beeld van een arrenslede, en een krompanelensjees die door de kunstenaar is beschilderd.

Gouden sjees
In 1959 kreeg Adema als fijnschilder de opdracht om bezig te gaan met de restauratie van een sjees, geschat tweehonderd jaar oud en door de Commissie tot Behoud van de Friese Sjezen opgekocht tijdens een boeldag op het Zeeuwse Tholen. “Naar alle waarschijnlijkheid is deze sjees heel vroeger naar Zeeland verhuisd, toen een Zeeuw met een dochter van het Friese land in het huwelijk trad”, schrijft de Leeuwarder Courant (29-8-1959) zonder dit verder te staven, “Nu is de sjees weer terug in Fries bezit en deze ‘galasjees’ is gister op het paardenfestijn te Joure twee keer gedemonstreerd door de heer W.J. Peenstra, Bartlehiem met de veertienjarige Abeltje, die extra haar best heeft gedaan. De sjees is door de Leeuwarder schilder-beeldhouwer G.J. Adema bijzonder fraai gerestaureerd, waarbij het rijtuig, dat aan alle kanten fraai beschilderd is, de oorspronkelijke kleuren weer heeft gekregen. Het publiek kon een en ander bijzonder waarderen en de berijder en Abeltje kregen bij de eerste keer een bijzonder warm applaus. Het was voor het jubilerende stamboek wel een bijzonder grote eer, dat H.K.H. Prinses Beatrix vlak voor haar vertrek, nadat de heer Peenstra nogmaals de fraaie sjees had voorgereden, de wens te kennen gaf een rondje mee te rijden. Het publiek was met een en ander ten zeerste ingenomen en prinses Beatrix heeft hiermee nog meer de harten van de Friezen gestolen.”
Deze sjees is omwille van het vele bladgoud hernoemd van galasjees naar Gouden Sjees. Om te weten of de bootjes, het molenlandschap en de ijspret die Adema op de panelen schilderde nog iets te maken hebben met een originele beschildering is verder onderzoek nodig: misschien is het een rasechte Zeeuwse sjees die pas door de beschildering van Adema zijn Friese identiteit kreeg.

Kwart meer vet
Het ritje dat Beatrix in de Gouden Sjees maakt was overigens niet de eerste keer dat de koninklijke familie kennismaakte met het werk van Adema. Bij een bezoek van Koningin Juliana aan Friesland in 1952 ontving zij een houten speelgoedpaardje van Adema als cadeautje voor Prinses Irene.
In 1958 schonk Adema een schilderij om te verkopen ten bate van de oprichting van de Fryske Akademy, met afgebeeld de Friese hengst Geart, van Jansma te Akmarijp, voor de arrenslee. “Een prachtig stukje werk, dat voor minstens ƒ 225 naar de liefhebber gaat. Wie biedt er wat?”, vroeg de Akademy.
Ondanks de schamele vijfduizend gulden die hij er aan verdiende, maakte de Friese koe ‘Us Mem’ Adema bekend in 1954. “Inmiddels heeft men het vetpercentage van de melk van de koe vastgesteld op vijf procent. Het gemiddelde vetpercentage van de Friese stamboekkoe is namelijk vier procent, maar aangezien de bronzen koe één en een kwart maal de ware grootte is, is men de overtuiging toegedaan, dat het vetpercentage ook één en een kwart maal zo groot zal zijn”, grapt de Leeuwarder Courant over het veelbesproken beeld op het Zuiderplein in Leeuwarden. Zo fier als de boeren waren op hun stamboekvee om er een standbeeld voor op te richten, een vergelijkbaar Fries paard van Adema is het nooit gekomen.

Boegbeeldjes
Adema was enorm productief. Met regelmaat komt nog altijd werk van zijn hand op marktplaats.nl. Rijtuigrestaurateur Jaap Veenstra heeft zich in de jaren ook al eens gebogen over de Gouden Sjees en wist in 2018 een boegbeeldje te bemachtigen, waarvan de bijbehorende arrenslede niet meer te redden viel: “Slechts het kunstwerk van Gerardus Johannes Adema, heeft met opgeheven hoofd, alert gespitste oortjes en dansend golvende manen de jaren getrotseerd.” Kijkend naar het paardje is het met name lieflijk, een tikje naïef en is ‘kunst’ wellicht een groot woord. Een werkgroep deed van 1988 tot 1990 onderzoek naar het voorkomen van arrensleden in Friesland en daarbij zijn een aantal, met name arrentikkers, met vergelijkbare, oude boegbeeldjes gevonden, waarmee is aangetoond dat Adema het opspringende paardje met zijn trechtervormige oortjes vooral in de lijn heeft gemaakt van de ornamentsnijders die hem voorgingen. Dat maakt het ambacht, eerder dan kunst. Veenstra schat in dat veel meer arrentikkers die in een latere periode zijn gebouwd een authentiek Adema’tje op de boeg hebben staan.

Of het kunst is, kunstig of volkskunst wat Adema maakte is aan de beschouwer om te beoordelen. Hij heeft Friesland in ieder geval verrijkt met kunstige sluitstenen, beelden van een ambachtsschooljongen, dorstige hinde en een chocoladegeit, plaquettes en andere gedenktekens die het waard zijn om te koesteren. En een deel van zijn werk is hippisch erfgoed.

Bronnen o.a.: Arresleden in Friesland, De Haan e.a. (1991); Het Friese Paard, ir. G.J.A. Bouma (1979); Fries Landbouwmuseum.
 
‘Friesche hengst voor een krompanelensjees’ en de foto die Adema in 1927 inspireerde.


De Ploeggang (1926) in het Landbouwmuseum.


Leeuwarder Courant 21-3-1938.


Sneeuwleeuw in de hongerwinter ‘44-‘45.


Othello, Friese hogeschoolhengst van
circus Strassburger (1939).


Houten beeld van arrenslede in het Fries
Landbouwmuseum.


Gouden Sjees met opgezet Fries paard.


Prinses Beatrix maakt een rondje in de
Gouden Sjees in 1959.


Boegbeeldje van slede, coll. Jaap Veenstra, Kollum.


Zelfportret van Adema.