Villa Velperoord lag aan de doorgaande weg van Arnhem naar Velp, precies op de plaats waar tegenwoordig de snelweg A12 loopt. Van de villa is niets meer over, behalve drie foto’s van de prachtige equipages van de opeenvolgende bewoners in een tijdbestek van pakweg 35 jaar. En met allerlei losse puzzelstukjes is het verhaal achter die foto’s te reconstrueren.

In de jaren zeventig van de 19e eeuw woont het gezin Melvill van Carnbée aan de Arnhemsche Straatweg 48. Jonkvrouw Louisa Johanna Gijsbertina Fabricius (1828-1898) is afkomstig van Huize Houdringe in De Bilt en Andrew Robert William baron Melvill van Carnbee (1832-1891) is als luitenant ter zee en achterkleinzoon in de voetsporen getreden van de zeeheld Pieter baron Melvill van Carnbée. Maar zijn leven is niet zo spannend, als hulpje van viceadmiraal Van den Bosch die het bevel voert over de zeemacht in Oost-Indië. Na een paar verre reizen is het vooral kantoorwerk. Tijd dus om een gezin te stichten. Na hun huwelijk in 1861 is het nog even lastig om een geschikte woonplaats te vinden: ze verhuizen van Huize den Oorsprong in Oosterbeek naar Belmonte in Wageningen, waar ze tijdelijk bij Baron Constant de Rebecque mogen intrekken. In 1870 vinden ze in de nieuwe Villa Velperoord op de weg van Arnhem naar Velp hun ideale stek om hun inmiddels drie kindjes te laten opgroeien. De grootste zorg in het leven van de drie koters is wanneer hun bonte hondje Dina wegloopt – degene die haar terugbrengt wacht een royale beloning. Het gezin is in goeden doen. Dat blijkt ook uit de stallen: er is ruimte voor acht paarden. Grote paarden ook, merries van het bovenlandse ras en met een stokmaat van boven de 1,70 meter, zeer groot voor die tijd. Uit die periode op Velperoord is een foto van een exclusief vierspan voor een break: helemaal perfect volgens de mode. De koetsier mag dan nog gezichtsbeharing dragen. Het is een sportieve aanspanning, waar de heer des huizes mogelijk zelf mee uit rijden gaat, om te laten zien hoe handig hij is met vier leidsels in één hand.

Betje, Neltje en Tetje
Na de Melvill’s komt de villa in handen van Betje, Neltje, Tetje Dorhout, twee zusters en een schoonzuster uit een oud Fries geslacht. Ze onderhouden een innig contact met Friesland, al was het al omdat ze er eigenaar zijn van ‘ene zathe en landen’ te Jislum, Ferwerderadeel. Tuinbaas K. Sikking mag voor hen de moeite doen om planten in te sturen voor de jaarlijkse tentoonstelling in Leeuwarden. Wanneer Betje (Elisabeth Catharina) in 1888 overlijdt laat zij forse legaten na aan het stadweeshuis en diaconessenhuis in Leeuwarden, en blijkbaar is dit het signaal voor Neltje en Tetje om volop te gaan investeren in aandelen van een accumulatorenfabriek, de Friese hypotheekbank en door de aankoop van meer Friese landerijen: in de Hempensemeerpolder bij Warga en hooiland op de ‘Hond’ bij Goutum. De dames houden net als de vorige bewoners er een voltallige personele staf op na: voor het linnengoed en in de keuken, tuin en stal. Op een foto poseert de -gladgeschoren- koetsier die dan de scepter in de koetshuis zwaait op de bok van een glaslandauer. De paarden zijn vossen van rond de 1,65 meter. Voor de paarden staat een palfrenier, bij het rijtuig staat de huisknecht klaar om de dames te helpen bij het in- en uitstijgen. Zij rijden niet zelf, maar laten zich rijden. Het valt op dat de tuigen sober zijn: met zogenaamde ‘doorlopende’ strengen en zonder heraldische wapens, want de Dorhouts zijn van goede komaf, maar niet van adel.
In 1895 zetten de dames hun villa te koop. Het komt in handen van Hermanus Tjeenk Willink, uitgever te Haarlem. Die vindt het koetshuis te groot en gaat het verbouwen. Van acht paarden gaat de stal naar vier paarden, nog altijd genoeg voor een nette herenstal. De vrijkomende ruimte is voor een extra knechtenwoning en twee stookplaatsen. Veel plezier heeft de uitgever er niet aan gehad, want na drie jaar staat de villa opnieuw te koop of te huur.

Geurt Versteeg
Jonkheer Hans Willem de Blocq van Scheltinga, gehuwd met Wilhelmina Louisa de Bergh, neemt er zijn intrek – niet geheel toevallig is de familie Blocq van Scheltinga verweven met die van de eerdere bewoonsters, de familie Dorhout. Hij is ontvanger, gemeenteraadslid en vervolgens wethouder van de gemeente Rheden. Niet alleen de stal is ingekrompen, ook het huispersoneel; in 1904 zoekt de jonkheer met een huisknecht-palfrenier iemand die overal inzetbaar is. Maar van armoede is bepaald geen sprake, mevrouw zwaait er de scepter over een huishoudelijke staf met tenminste een ‘derde’ meisje. Een foto uit dit tijdperk laat zien dat De Blocq van Scheltinga waarde hecht aan zijn adellijke titel: op de tuigen prijkt zijn heraldische wapen. De paarden zijn zwart van kleur en zo 1,60 meter hoog zijn, dat we weten dankzij een kleine advertentie om er één te verkopen.
Deze foto is de enige waarvan we de naam van de koetsier kennen, namelijk Geurt Versteeg (1867-1946). Hij is, na kortstondige betrekkingen als koetsier in Lochem en Voorst, vanaf 1900 aan het werk op Velperoord. Geurt komt uit een koetsiersfamilie, want zijn grootvader Hendrik Versteeg (1801-1876) had een bescheiden stalhouderij aan de Bakkerstraat, respectievelijk Vijzelstraat en Kerkstraat in Arnhem. Grootvader handelde voor de gelegenheid wat, al in 1833 biedt hij een ‘melkgevende ezelin’ aan in de Arnhemsche Courant, soms een ‘Engelsch paardje’, dan weer een ‘Litthauer raspaard’. De stalhouderij is tot 1908 voortgezet door Peter Versteeg (1830-?), een oom van Geurt. Bij de opheffing van de stalhouderij in 1908 zijn er acht paarden en een dertigtal voertuigen.

Ook Velperoord gaat de ontwikkeling verder. In de lijn met zo’n beetje alle bewoners van de villa’s aan de Arnhemsche Straatweg gaat de jonkheer mee in de trend om van rijtuig over te stappen naar het automobiel, twaalf jaar na de komst van de eerste auto in Nederland laat De Blocq van Scheltinga een garage bouwen. En de gaslamp boven de entree van de villa maakt plaats voor elektrisch licht. Een paar maand nadat de dochter des huizes is getrouwd met een baron Van Pallandt, in 1922, veilt het Venduhuis der Notarissen in Arnhem ‘de gedeeltelijke equipage’ van Villa Velperoord, waaronder een elegante coupé van het fabricaat Teulings ’s-Hertogenbosch, een break met zomerkap en drie spantuigen. Koetsier Geurt blijft evenwel tot 1927, mogelijk nog een paar jaar als chauffeur op Velperoord en verhuist dan naar Driebergen-Rijsenburg. Misschien heeft hij daar opnieuw op een buitenplaats gewerkt.

Meer lezen? Aan dezelfde weg van Arnhem naar Velp lagen ook de villa’s Raaphorst en Daalhuizen.

Foto’s en bouwtekening: Gelders Archief

foto boven: rond 1870, de tijd van baron Melvill van Carnbée. Luxe ten top in een stal met acht paarden.


Opregte Haarlemsche Courant, 2-10-1868.


Arnhemsche Courant, 18-9-1867.


Arnhemsche Courant, 15-8-1868: waar kinderen zijn, zijn ook pony’s als speelkameraad.


Rond 1885, de tijd van de dames Dorhout. Welvarend, maar ingetogen.


Bouwtekening van de verbouwing van de stal in opdracht van Tjeenk Willink, 1896:
links de toekomstige situatie met knechtenverblijf, rechts de oude situatie met acht paarden.


Rond 1900, de tijd van jonkheer De Blocq van Scheltinga. Op de bok van deze kleine, sportieve break zit koetsier Geurt Versteeg (1867-1946).


Arnhemsche Courant, 8-11-1904.


Het Nieuws van den Dag; Kleine Courant, 19-7-1904.


Arnhemsche Courant, 12-4-1922.


De grootvader en later een oom van koetsier Geurt Versteeg
had een stalhouderij. Arnhemsche Courant, 10-10-1861.


Arnhemsche Courant, 28-11-1908.