Spijt dat hij de boerderij van zijn grootouders niet overnam heeft Roel de Vries (73) niet. In plaats daarvan werkte hij zijn leven in loondienst, eerst als gemeentetimmerman, later bij de brandweer, en hij woont in een klein keuterboerderijtje aan de weg van Siddeburen naar Noordbroek. “Als ik op het rijtuig zit voel ik me toch nog als de herenboer die mijn grootvader was.” Want hij houdt één deel van de erfenis levend: het gerij en de kleding waarmee zijn grootouders ’s zondags naar de kerk gingen. Als Roel ‘uit rijden gaat’ loopt er een klassiek Gronings paard voor de wagen.

“Schrijf dit maar niet op, maar mijn grootvader had het niet zo op katholieken.” Zo verklaart Roel de Vries het feit dat het paard dat van stal komt Marina als roepnaam heeft, terwijl ze officieel Maria heet. “Marina bekt in het Gronings ook beter dan Maria”, excuseert hij zich verder. Hij is niet meer van de verzuiling, wel van de tradities. En zo komt het dat hij het rijtuig van zijn grootouders van moederskant, het echtpaar Corzaan-Hoving, koestert en voor de gelegenheid aanspant. “De familie Corzaan was enorm naamziek. Omdat ik was vernoemd naar mijn grootvader, was ik het lievelingetje en kreeg ik alles voor elkaar, terwijl ze mijn oudste broer niet zagen staan. Vandaar dat ze alle hoop erop hadden gevestigd dat ik de boerderij over zou nemen. Maar ik had niets met boeren. Ze waren echt boos op mij dat ik liever iets anders met mijn handen wilde doen.”
Die grootouders waren Roelf Corzaan (1870-1922) en Trijntje Hoving (1879-1950), in 1902 getrouwd. Hun rijtuig is de honderd allang gepasseerd en heeft in die tijd weleens een likje verf en nieuw lapje stof gekregen, maar is verder nog klokgaaf. Alhoewel kleinzoon Roel toch wat bedenkelijk naar een paar kleine scheurtjes in de naaf van een houten wiel kijkt. Iets te droog gestaan. Het is een zogenaamde prins albert, een typisch Gronings model, waarmee de herenboer en zijn vrouw op stap gingen. De boer reed zelf. Hij en zij zaten comfortabel, zeker bij slecht weer, wanneer er een vaste kap op het rijtuig werd gezet. Die luxe had de knecht achter op het knechtenbankje zeker niet. Die keek in weer en wind tegen de kap aan. Het was een feodale toestand. Zat het echtpaar in de kerk, dan stond de knecht bij het paard. “Zo is de markt ontstaan, wist je dat? Die knechten die op zondag hun tijd stonden te verdoen, verhandelden met elkaar sigaretten of een flesje drank.”
Het is een gelukje dat de prins albert er nog is, na in de oorlog te zijn gevorderd door de Duitse bezetter. “Echt toevallig dat ik hem ergens weer tegenkwam. Ik weet vrijwel honderd procent zeker dat dit de prins albert van mijn grootouders is”, is Roel overtuigd.

Slipjas en vest
Als Roel het rijtuig aanspant om ‘uit rijden te gaan’, wat zo lekker deftig klinkt, doet hij dat niet alleen. Zijn vrouw blijft liever thuis, maar een goede vriendin, Janneke Smalbil, gaat in haar plaats mee om de rol van ‘echtgenote’ te spelen. Zij kleedt zich voor die gelegenheid in het oude Groningse kostuum, inclusief ‘gouden’ oorijzers en chatelaine. Dat laatste is een sierketting met daaraan een rijkelijk versierde schaar en een bewerkte naaldenkoker. Alles zwaar verzilverd. “Er hoort ook nog een speldenkussen aan, maar dat is weg en ze zijn erg zeldzaam, dus een nieuwe is er niet gekomen”, legt Janneke uit. De grootste kunst is het aanbrengen van de hoofdtooi, de haren in een band en bedekt met de grote ‘gouden’ oorijzers. Twee spelden met een rijk versierde knop houden de boel op hun plaats. “Normaal doe ik die spelden niet snel in, want je raakt ze zo kwijt.”
Dat Janneke zo zuinig is op die spullen heeft alles te maken met de emotionele waarde voor Roel. Want als gevolg van hooibroei is de herenboerderij van zijn grootouders afgebrand, op zondag terwijl de familie naar de kerk was. In de smeulende resten is nog één waardevol kistje teruggevonden, met sieraden van grootmoeder Trijntje. Niet de dure gouden oorijzers, want die waren verloren gegaan, wel het zilverwerk en de geelkoperen oorijzers. Nog een gelukje voor Roel dat zijn grootvader op zondag zijn beste pak aanhad, want daar loopt Roel op zijn beurt nu in rond. Niet zonder enige trots zet hij grootvaders hoge hoed op, die hem weliswaar iets te groot is en langzaamaan tot op de oren zakt. In postuur waren grootvader en kleinzoon niet zo verschillend, want de slipjas en het vest knellen iets, maar passen in de lengte goed. “Kijk, ook van grootvader”, haalt Roel het zakhorloge uit zijn vest.

Nerveus door gezoem
Rijtuig en kleding mogen dan een eeuw geleden van de grootouders zijn geweest, het paard uiteraard niet. “Het is een echt Gronings paard, dat kan niet anders. Andere paarden zijn mij te hittepetitterig en dan word ik ook hittepetitterig, dat werkt niet. Ja, deze Groninger en een Groninger paard hebben hetzelfde karakter”, weet Roel. Marina is een paard dat zich niet snel van de wijs laat brengen. Wanneer de fotograaf een drone op laat stijgen, is koetsier Roel duidelijk wat nerveuzer door het gezoem van dit ding dan het paard, dat vooral geïnteresseerd de oortjes naar voren richt. Ze is zelfs wat flegmatiek, al is ze dat tijdens optochten en toertochten niet: “Dan wil ze niet altijd even best stilstaan. Ze is een volger, wil vooral graag achter een ander rijtuig aanlopen.” De vader van Marina is de oud-Oldenburger hengst Experiment en de moeder een zuivere Groningse merrie. Die kruising maakt Marina nog altijd Gronings: “Het Groninger paard is altijd al een smeltkroes met Oldenburger en Oost-Fries geweest. Het is een zwaarder type landbouwpaard.”
Terwijl Roel aanspant, is een beetje stilletjes op de achtergrond Gerda Olthof aanwezig. Ze is verkleed als kerel, heeft een arbeidersjasje aan en een pet op. Ze speelt de rol van knecht met verve, helpt Janneke bij het fatsoeneren van het haar en de oorijzers, staat voor het paard wanneer nodig en kent haar plaats achterop het rijtuig. En toch is er een groot verschil met de knecht uit grootvaders tijd. Die zat zich echt te verbijten als de kap op het rijtuig zat. Janneke niet, zelfs al heeft ze dan geen contact meer met Roel en Janneke, en kan ze het paard alleen nog zien door een klein, ovaal vensterglaasje in de kap. “Het gebeurt vaak genoeg dat het publiek in de gaten heeft dat ik een dutje doe. Het is heerlijk ontspannend, je zo te laten meevoeren achterop het rijtuig.” Ze geniet en komt, ook nu de kap er vanwege het zonnige weer niet op is gezet, tot rust. “Ik ben van snel, snel, snel en dat kan op het rijtuig niet. Dan zie je de wereld van een heel andere kant.”
Het drietal heeft in de afgelopen jaren een flink deel van Nederland zo voorbij zien komen. Ze reden tochtjes van de Nederlandse Vereniging Traditioneel Gerij door het hele land, al is daar nu een einde aangekomen, want Marina heeft met 26 jaar een respectabele leeftijd bereikt. Ze wordt wat stijf. Maar vandaag herleeft nog één keer die oude traditie van het Groningse ‘echtpaar’ dat met de ‘knecht’ achterop uit rijden gaat. En Roel voelt zich eventjes de herenboer die zijn grootvader zo graag in hem had gezien.

Tekst uit het tijdschrift Landleven, door Mario Broekhuis Fotografie Lode Greven


Janneke (rechts) speelt de rol van ‘echtgenote’, Gerda is de ‘knecht’.


Aan de chatelaine hangen een rijkelijk versierde schaar en een bewerkte naaldenkoker.


De hoed is hem wat te groot, zijn jas en vest knellen iets.


Gerda helpt Janneke bij het fatsoeneren van het haar en de oorijzers.


De knecht kan het zitje aan de achterzijde wegdraaien om op te stappen.


Op de achtergrond het keuterboerderijtje waar Roel woont.