Gerrit Sinck opende op de Marnixstraat 194 -nu het adres van een coffeeshop- de eerste paardenslagerij van Amsterdam. Hij betaalde honderd gulden voor ‘vette, gezonde, voor den dienst onbruikbare paarden’. Als sterke zoon van die slager hielp Johan Christoph (1837-1923) vaak bij het redden van paarden uit de gracht. Zo kwam hij op de uitvinding van een mobiele driepoot met takel, het ‘toestel van Sinck’ of in de volksmond het ‘zinktoestel’. Zo takelde hij jaarlijks een vijftigtal paarden omhoog. Maar Sinck blééf slager: als het paard niet meer te redden was, dan kocht hij het ter plekke op en al snel lag het vlees in de winkel. Een minder bekend verhaal is dat van Sinck als rijtuigfabrikant.

De paardenslager is niet geboren uit luxe, zo haalt een Jordanees herinnering op in Het Parool (20-3-1969): “Later zijn we naar Amsterdam verhuisd. In de Jordaan. Waar ze al die mooie liedjes van zingen. We gingen er tegen de muur op van de honger. Zaterdags moesten mijn broertje en ik een dubbeltje afsnijdsels gaan halen bij Sinck, de paardenslager in de Marnixstraat. Dan vroeg die vent: is het voor de hond? En dan zei mijn broertje: ja, maar me moeder is de hond en wij zijn de jonkies.”

Gerrit Sinck (1815-1886) komt ter wereld op het bolwerk Nieuwerkerk, een deel van de verdedigingsschans van Amsterdam. In zijn jeugd ziet hij hoe er de stadsmuur tegen de vlakte gaat en er een gasfabriek komt te staan. Zijn vader en moeder staan als leerlooiers te zwoegen op het schoonkrabben van paardenvellen, en het ligt voor de hand dat de jonge Gerrit hetzelfde gaat doen. Die begint in 1852 een zelfstandige leerlooierij ‘Het Zwarte Paard’ op de Schans, bij de Raampoort.
Tegen de tijd dat op deze locatie de Marnixstraat is aangelegd, in 1866 gaat Gerrit op zijn beurt een vennootschap aan met zijn zoon Johan Christoph (1837-1923) als G. Sinck en Zoon, leerlooierij en paardenslagerij. Ze zijn de grootste opkoper op de jaarlijkse paardenmarkten in de stad, van met name werkpaarden. “Het gebruik van paardenvleesch door het behoeftig deel der bevolking te Amsterdam, dagtekent van 1860, toen de heer Sinck zich op de Schans vestigde. Het waren vooral de bewoners der Jordaan, die bij de klimmende prijzen van het rundvleesch, aan een paardenboutje tegen 12 cts. het kilogram de voorkeur gaven boven een legen schotel. Die prijs is langzamerhand verhoogd, daar de slachter zelf nu niet aarzelde om van 10 tot 100 gulden – vroeger 80 à 50 cents! – voor een gezond dier te besteden, dat hij tegen aan die som geëvenredigde prijzen van de hand zette. Het rookvleesch kost thans 90 en de biefstuk 80 cents het kilogram. Dat de smaak en het voedingsgehalte niets te wenschen overlaten, zou menigeen, die achter een ossenschijfje meenende te zitten, zijn maal met een gewezen harddraver doet, kunnen getuigen. Aan de inrigting van den slagter Sinck, waar de paarden – voor zoveel nodig – gemest, geslacht, gedeeltelijk gerookt en hun vellen gelooid worden, bedraagt het gemiddeld jaarlijks cijfer der verhandelde beesten ongeveer duizend. In de laatste jaren heeft hij een paar mededingers gekregen; wel een bewijs, dat de onderneming goed gaat.”(Het Vaderland 3-7-1875).
Bij de slachterij aan de Marnixstraat zijn stallen voor een kleine dertig paarden die er kortstondig staan in afwachting op het voor hen fatale moment. Om die dieren te voeren koopt Sinck twintig tot dertig ton hooi die vanuit het schip wordt gelost. Omgekeerd biedt Sinck ieder voorjaar een ‘beste vaalt molmmest’ te koop aan.

Van molenaar en melkboer
Als sterke zoon van de slager helpt Johan vaak bij het redden van paarden. Dat gebeurt nogal provisorisch door te takelen aan de takken van de bomen langs de grachten. Meestal komt hulp te laat of gebeurt te onhandig. Johan komt zo op de uitvinding van een mobiele driepoot met takel, het ‘toestel van Sinck’ of in de volksmond het ‘zinktoestel’. In 1869 komt het toestel voor het eerst in de publiciteit: “Dezer dagen werd met zodanig werktuig een zeer zware koornmolenaarskar met paard in een betrekkelijk kort tijdsverloop uit de gracht bij do Snoekjesbrug onbeschadigd opgehaald. Wij brengen derhalve gaarne allen lof toe aan de ontwerpers van dit toestel, onze stadgenooten de hr. G. Sinck en Zoon, bij wie, Schans bij de Raam-barrière, FF 150, gelijk wij met genoegen vernemen, steeds een toestel gereed staat, om op de eerste aanvrage, zijne diensten te presteren”, zo meldt het Algemeen Handelsblad op 15 november.
Vanaf dat moment is het aantal keren dat Sinck uitrukt, nadat de brandweer of de politie hem per telegraaf, waarmee hij een rechtstreekse verbinding heeft, oproept schier ontelbaar, net als het aantal lovende berichten in de krant erover. Wekelijks, jaren achtereen. “Hedennamiddag te twee uren is op de Prinsengracht bij de Egelantiersgracht een melkkar met paard en den jongen die er op passen moest, te water geraakt. De jongen werd er door een politieagent uitgehaald en kwam met een nat pak vrij. Het paard volgde ook spoedig, doordien het toestel van Sinck juist bij de hand was. De melk was er echter niet beter op geworden, voor de gebruikers ten minste.”( Nws vd Dg 13-12-1881).

Redeloze dier
“Gisterenavond, ongeveer half acht, is in de Kalverstraat bij de St. Luciensteeg, een voor eene vigilante gespannen paard, hetzij door de gladheid der asphaltbevloering of door andere oorzaak, gevallen. Het was, niettegenstaande alle aangewende ‘paardenmiddelen’ niet tot opstaan te bewegen. (…) Toen eindelijk, na twee uren tobbens en zeulens met het onwillige paard, Sinck met zijn toestel het weer op de beenen kreeg, liep het weg alsof er niets gebeurd was, en toen eindelijk volgde ook het publiek het goede voorbeeld van het redeloze dier.” (Nws vd Dg 16-12-1881)
“Op den hoek van de Leidsche- en Prinsengrachten is vanmorgen een paard, gespannen voor een kar beladen met gips, op de helling der brug achteruit gegleden en in den kelder van een kastelein terecht gekomen. Het paard moest met den toestel van Sinck uit de diepte worden geheschen.” (Nws vd Dg 16-1-1882)
Maar het is maar één aanbieder van die hulp in de stad en het duurt soms een half uur eer de reddende machine ter plekke is. De roep om meer toestellen verspreid in de stad groeit. En ook in andere steden met grachten is de behoefte aan zo’n ding. In 1908 voert de gemeenteraad de discussie of dat ene particuliere toestel voldoende is, maar in de praktijk blijkt het nooit op twee plaatsen tegelijk nodig te zijn. Bovendien heeft ook de gemeentereiniging een toestel dat in een uiterst geval uit kon rukken. In 1917 gaat de reddingstaak over naar de gemeente. Tot in de jaren dertig blijft de uitvinding van Sinck van Amsterdam tot in Groningen in gebruik om paarden uit de sloot te vissen.

Opgeteld in 1883
Op de Wereldtentoonstelling van 1883 in Amsterdam mag een modelletje van het toestel niet ontbreken. De verslaggever van De Grondwet (28-8) omschrijft het daar: “Kent gij den toestel van Sinck? Ik neem het u niet kwalijk, indien gij hier op een ontkennend antwoord geeft, al kent geheel Amsterdam dat apparaat voornamelijk wat rijdt en rost. ’t is nl. ’n toestel om paarden en rijtuigen, wagens, karren, goederen uit het water of zoals de Amsterdammers zouden zeggen “uit te halen, wanneer ze er nl. in gevallen zijn. Het model van dezen toestel is op kunstige wijze hier tentoongesteld. De ‘wallekant’ (ook al weer eene Amsterdamsche expressie) is in natuurlijke steen, graniet en metselwerk, aangebracht. Het geheel is op de schaal van 1:500. Welke diensten het toestel van Sinck reeds aan de rijdende menschheid heeft bewezen, kan uit de volgende statistiek blijken. Gered zijn o.a. 94 paarden, 4 runderen, 2 lijkkoetsen (!), 3 omnibussen, 73 rijtuigen, 3 sproeiwagens, 4 postwagens, 5 aschwagens, 5 bierkaren, 66 vrachtwagens, 2 Liernur-machines (voor faecaliën), 2 stoomketels, 2 veegmachines, 1 ijzeren cilinder, 1 vat margarine, 1 vat stroop, 2 vaten tabak. Dit alles zou zeker geheel of gedeeltelijk verloren geraakt zijn, indien het toestel van Sinks niet tot redding ware toegeschoten. Het is eenvoudig een op een wagen geplaatste bok of hijschtoestel met katrol en ketting.”
Het model is in de verzameling gekomen van het Amsterdam Museum.

Rijtuigmaker Koppe
Op 1 januari 1891 neemt Johan de rijtuigmakerij over van W.A. Koppe aan het Haarlemmerplein 13. Over het waarom mogen we gissen: was Johan hier als leerjongen aan het werk geweest om een ander vak, dan slager, te leren, komt Koppe de eer toe als daadwerkelijke bouwer van Sinck’s toestel of ziet Johan toekomst in het verkopen van de toestellen op grotere schaal? “Hiermede heb ik de eer UEd. kennis te geven, dat ik mijne rijtuigmakerij alsmede handel in rijtuigen heb overgedaan aan den Heer J. Sinck, die al reeds verscheidene jaren in deze zaak is werkzaam geweest. UEd. dankzeggende voor het vertrouwen, een reeks van jaren zoo ruimschoots geschonken, zoo beveel ik mijn opvolger in uwe geachte en voortdurende protectie aan, niet twijfelende of het zal zijn streven zijn dit waardig te maken”, was getekend Koppe.

Wijkmeester
Johan neemt hiermee een voorname en oude rijtuigmakerij over. In 1837 gebruikte mr.wagenmaker Pieter Koppe (1812-) kostbare houtsoorten als mahonie, bouwde luxe rijtuigen als curricles en landauers. Hij was bovendien wijkmeester en had de zorg om zijn buurtgenoten. Dat bracht hem tot het doen van dergelijke oproepen op de dag voor Kerst: “Onze bekendheid van zoo veel betoonde bijstand aan de zich het bedelen schamende armoede, geeft ons vrijmoedigheid uwe krachtdadige hulpbelooning in te roepen voor een diep ongelukkig huisgezin, eenen Vader in sukkelenden toestand, eene hoog zwangere moeder en een zevental jeugdige kinderen, zijn van gezeten burgeren tot de diepste armoede vervallen en lijden in dit strenge jaargetijde aan alles volslagen gebrek. Spoedig en groot zij uwe deelneming, opdat wij ons in staat gesteld mogen zien althans eenigermate in de grootste behoefte te kunnen voorzien. P. Koppe, wijkmeester, Haarlemmerplein” (Alg.Handelsbl. 23-12-1844).
Als voorzitter van De Maatschappij tot Verbetering van den Werkenden Stand zorgde Koppe er voor dat de straatreiniging van Amsterdam in 1858 meer werkelozen aanstelde als veger, dat het loon van de vegers in de hoofdstad omhoog ging en hij gaf de aanzet voor de oprichting van een ambachtsschool voor minvermogenden. Het kan niet anders dan een goed mens zijn geweest. De wijkmeester hoefde zich gelukkig niet alleen de bekommeren over de ellende aan het Haarlemmerplein, want hij was ook degene die bemiddelde bij de verhuur van huizen en werkplaatsen, en daar wat aan verdiende. Zijn zoon Wouter Aalbertus (1837-) volgde hem op en zet de wagenmakerij voort tot die eerste januari 1891.

Handelsvoorraad
In voorraad zijn dan enkele tientallen luxe rijtuigen: coupés, coupé-clarence, landauers, landauer-berlines, landaulettes, victoria’s, napoleons, sociabel, calèche, omnibus-breaks, jachtbreak, hotelomnibus, olie- en tentwagens. Het is een vrij constant aanbod van wisselende modellen. Maar opvallend genoeg niet van reddingstoestellen. De rijtuighandel bestaat naast de slagerij, want de firma Sinck & Zoon heeft nog evengoed zestienduizend kilo gekookte beenderen te koop aan de Marnixstraat, en het draait Johan meer om de handel, dan om het vervaardigen van rijtuigen. Voor een tweedehands ‘nette’ victoria uit de fabriek van Binder Paris, vraagt hij ƒ 325,-, een kwart van de oorspronkelijke aanschafprijs. Een vigilante ‘zijnde een berliner van een heer afkomstig’, bekleed met licht laken ƒ 350,-. Het kunnen koopjes of barrels zijn. Maar het is niet alleen handel, want Sinck adverteert ook met nieuwe rijtuigen en het leggen van rubber ‘zowel kabel als ander systeem’ om wielen.
Dat de naam ‘Sinck’ als rijtuigleverancier geen sprookje is, bewijst het als ‘gala-vigilante’ omschreven rijtuig dat in 2005 bij veilinghuis Hessink in Nijmegen onder de hamer kwam. Op de wieldoppen staat in een dusdanig bescheiden lettertje ‘J. Sinck Amsterdam’ gegrafeerd, dat van een vervalsing eigenlijk geen sprake kan zijn – zoiets verzin je niet. Hooguit is rijtuig het alleen door Sinck verhandeld en daarom van zijn naam voorzien. We laten even de originaliteit en merkwaardige vorm van de ‘glazen’ opbouw in het midden, het houtsnijwerk aan de achterzijde heeft alles van een rouwvolger. Vooralsnog is het de enige bekende Sinck.

Driemaal getrouwd
Johan Sinck is in zijn leven drie maal getrouwd. In 1855 huwt hij met de negentienjarige Margaretha Elisabeth Sander en zij is de moeder van Gerrit, die als opvolger in de slagerij komt. In 1878 met Jeannette Alida Apfeld (1849-1883), weduwe van stalhouder Jan Hendrik Overmeijer Hzn (familie van de gelijknamige rijtuigfabriek) en die het leven schenkt aan een lichamelijk gebrekkige zoon Johan Christoph en een dochter die met een slager trouwt. Maar na vijf jaar overlijdt Jeanette. Johan hertrouwt voor de derde keer met Alida Overmeijer (1853-1925), de zus van Jan Hendrik.
Opvolger Gerrit (1859-), woont om de hoek bij de slagerij, aan de Rozengracht 245, en ontpopt zich als een echte sjacheraar. Hij verkoopt jonge zeugen, profileert zich in navolging van zijn schoonvader als veilingmeester, maakt transportwagens en doet vervoer. Naast veilingen voor de stadsreiniging en voor transportbedrijven, waarbij het voornamelijk om paardengerij gaat, mag deze Sinck in 1924 de inventaris van de wagenmakerij van N.A. van Beurden in de Bloemstraat veilen. Het gaat niet om luxe rijtuigen.
“Mijn tante Perry, een dochter van Gerrit Sinck, was altijd een beetje opschepperig. Ze waren stinkend rijk geworden van de uitvinding van opa. Ze bezat het blok huizen op de hoek van de Marnixstraat/Rozengracht/Groenmarktkade, maar woonde zelf in ’t Gooi. Ze heeft gezorgd dat wij in de jaren ‘60 een woning van haar kregen, waarop ik wekelijks de huur bij een aantal mensen moest ophalen en dan naar haar bank stortte”, vertelt Ger Koreman, over het laatste dat in familiekringen over het Sinck-imperium is bijgebleven.

Foto’s Stadsarchief Amsterdam, veilinghuis Hessink, Zwolle

Foto boven: Johan Sinck met zijn reddingsteam aan de Marnixstraat, bij de Rozengracht.


23 januari 1909, een span luxe rijtuigpaarden te water ter hoogte
van de Hersteld Evangelisch Lutherse Kerk. Sinck schiet te hulp.


Mocht de redding niet slagen (Nieuws van den Dag 18-12-1895).


De ‘gala-vigilante’ die in 2005 bij veilinghuis Hessink in Nijmegen onder de hamer kwam.

  
Het houtsnijwerk aan de achterzijde heeft alles van een rouwvolger; op de
wieldoppen staat in een bescheiden lettertje ‘J. Sinck Amsterdam’ gegrafeerd.

 
Algemeen Handelsblad 13-7-1837, Nieuws van den Dag 10-8-1891.


De derde generatie adverteert in het Nieuws van den Dag 23-9-1918.


Johan (1837-1923) in 1917, de uitvinder bij het model.


De brandweer in 1931 aan het werk met het toestel dat de naam
‘Sinck’ niet snel deed vergeten, aan het Damrak bij de
Guldehandsteeg. Achterkant huizen Warmoesstraat.


Paard te water op de Singel, 1931.


Model van Sinck’s toestel in Museum Amsterdam.