Het zijn onbeduidende rekeningetjes in de administratie van de koninklijke stallen in de jaren van vóór de Eerste Wereldoorlog en zelfs daarna: die van roggebrood. Bijvoorbeeld in voor de maand september 1905 in rekening gebracht door de Apeldoornsche Luxe Broodfabriek 25 stuks keer 28 cent. Dat was voor de paarden van Prins Hendrik en zijn echtgenote, in de stallen van Paleis Het Loo. Die kregen het na een stevige rit voor de jachtwagen over de mulle of modderige zandpaden naar Hoog-Soeren of Gortel. 

Roggebrood was niet het hoofdvoedsel van de paarden, maar waar paardenkenners het al eeuwen over eens zijn is dat roggebrood een uitstekend extraatje is. J. Sasse schrijft in het tijdschrift de Boeren-Goudmijn in september 1858: “Roggebrood is een zeer goed voedsel, op reis b.v., want het werkt dadelijk en krachtig, hetgeen met haver enz. niet het geval is, ook bij zware werkzaamheden bewijst het goede diensten.” De paarden van de diligence die in de 19e eeuw van Arnhem naar Nijmegen reed, kregen bij herberg Erdkamp in Elst ieders een half roggebrood en een emmer water om op krachten te komen.
Op lange-afstandsritten te paard ging het standaard mee als opkikker voor onderweg. In zijn Handleiding tot de Paardenkennis, een lesboek voor kadetten van de cavalerie en artillerie, zegt F. van der Pol: “Het roggebrood heeft eene eigene, door gisting verkregene geestrijke kracht, welke zeer vermogend is om de krachten spoedig op te beuren, waarom het bijzonder nuttig is om op reis te worden gevoederd, als ook na zware vermoeijenissen, zijnde geen ander voedsel in staat om, in geringe hoeveelheid, zozeer de krachten te herstellen dan goed oud roggebrood. Beschimmeld roggebrood wordt zeer nadelig voor het paard gehouden.” Meerdere kranten wijzen vanwege dit laatste in 1883 met het vingertje: “Ede, 11 Sept. Alhier heeft zich een geval van schimmelvergiftiging bij paarden voorgedaan. De landbouwer A. M. had beschimmeld roggebrood gevoerd, tengevolge waarvan één 3- en één 4-jarig paard zijn gestorven. Toen ’t vorige jaar te Lunteren een geval van schimmelvergiftiging voorkwam, is er nog met nadruk tegen gewaarschuwd.”

Neus ophalen
Op 12 juni 1906 verschijnt onder het kopje ‘Lekkere honger’ het volgende bericht in het Nieuwsblad van het Noorden: “Vanwege het Burgerlijk Armbestuur wordt iedere week aan een paar duizend bedeelden van Amsterdam roggebrood uitgereikt. Nu wordt er in Amsterdam in evenredigheid zeer weinig roggebrood gegeten en vooral de volksklasse wil er weinig van weten. Vandaar dat heel wat van die roggebrooden niet gegeten worden door de menschen, maar door paarden. Het is ons, aldus schrijft het N.v.N., gebleken, dat verscheidene stalhouders gaarne deze brooden opkoopen voor hun paarden. Er zijn stalhouders, die wekelijks een 80 brooden voor ver onder den prijs koopen en daardoor op goedkoope wijze hun paarden onderhouden. Intusschen bereikt het roggebrood zijne bestemming niet en beantwoordt de bedeeling dus niet aan haar doel. Het blad geeft in overweging door gewoon brood den honger van die menschen in plaats van die van paarden te stillen — maar die blijkt, gelukkig verschijnsel, dan toch al heel weinig groot, zou men zoo zeggen.”
Nog iemand die zijn neus ophaalde voor roggebrood was Napoleon, wiens kok Dunand, die hem op zijn veldslagen begeleidde, na een lange tocht eens aanklopte bij een boerderij om voor zijn meester wat eten te vragen. De arme bewoners hadden niet veel meer aan te bieden dan zwart brood (roggebrood). Toen Dunand met deze kost kwam aanzetten, zou Napoleon ontzet hebben uitgeroepen: C’est le pain pour Nickel -dat is het brood voor Nickel (Napoleons zilvergrijze Arabische volbloed). Het is een leuk kletsverhaaltje dat dit ‘pain-pour-Nickel’ later is verbasterd tot pompernikkel, een inmiddels vergeten synoniem voor roggebrood.

Olympische voer
Toch is roggebrood in tijden van schaarste ook voor de mens een belangrijke energiebron. In de Eerste Wereldoorlog kwam in de meeste gemeenten vanaf 1915, met het invoeren van broodkaarten, een verbod op het voeren er van aan paarden. Het was gewoonweg te schaars om aan de dieren te geven. In een gemeente als Eelde kon je er zes dagen voor in de gevangenis belanden of een boeten van ƒ25,- voor krijgen. In Anloo kregen inwoners recht om anderhalve kilo per week te kopen en indien ze het aan hun dieren gaven, verviel dat recht. Tegen het einde van de oorlog is het voeren landelijk verboden, alhoewel er natuurlijk ontheffing mogelijk was voor bijvoorbeeld het leger, waar de paarden juist af en toe een opkikker nodig hadden.
Pas begin jaren twintig van de vorige eeuw zakte de prijs van rogge terug naar 32 cent per brood en was het weer voor slepers- en stalhouderpaarden beschikbaar. En terwijl in 1926 de gemeente Hengelo het verbod nog niet heeft opgeheven, nemen de officieren die in dat jaar met zes paarden afreizen naar het internationale concours hippique als foerage naast slobber, wortelen, turf, haver, stro en hooi, ook een kist met roggebrood mee. Wanneer twee jaar later luitenant Pahud de Mortagnes terugkeert in Amersfoort na zijn voor ons land legendarische optreden op de Olympische Spelen, vinden de kranten die hiervan verslag doen het de moeite om te vermelden dat een ingezetene roggebroden aanbiedt voor de paarden van de luitenant.
Maar niet alleen luxe paarden krijgen roggebrood. “De paarden van de bewoners van het woonwagenkamp hebben het goed; in de eerste plaats daarvoor veel dank aan den leider voor de moeite, die hij zich getroost, en aan het Gemeentebestuur voor de verleende subsidie, alsmede aan de geefster, die wekelijks roggebrood laat verstrekken”, meldt de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant op 28 maart 1928.
En zo is het nog tot op de dag van vandaag niets mis met een sneetje roggebrood als lekker hapje voor het paard, of als extra energiegift na een pittige rit.

foto boven: olieverfschilderij door Ernst Hugo Freiherr von Stenglin, 1901, van de Güstrower jachtwagen met Prins Hendrik op de Soerense hei.  


Uit de boekhouding van de koninklijke stallen.


Vlaardingsche Courant 8-12-1886.


Provinciale Drentsche en Asser Courant 20-4-1916.