Het moet een heerlijke, lome zomerdag zijn geweest, ergens na 1900, in het Limburgse heuvelland. Terwijl de koetsier over zijn schouder meekijkt en de paarden braaf staan te wachten, is een van de heren zo galant om de dames in het rijtuig een borreltje in te schenken. Het kan bijna niet anders of ze zijn met twee rijtuigen, of een deel van het gezelschap is te voet om de veldleeuwerik hoog in de lucht te spotten en de patrijzen weg te zien rennen tussen het boekweit dat rijpt op de akkers. Vader Eugène Regout, die op de bok naast de koetsier is gaan zitten, voelt zich een tevreden mens met zijn kinderen zo om hem heen. Onderweg met de familie Regout.

In de fotoalbums van de familie Regout, die worden bewaard in het Regionaal Historisch Centrum Limburg, zitten verscheidene kiekjes die een indruk geven van hoe een gegoede familie in het autoloze tijdperk gebruikmaakte van paarden en rijtuigen. In plaats van een garage was er een koetshuis, een stalling voor paarden en een woning voor de koetsier. Zo’n equipage was noodzaak om op een fatsoenlijke manier ergens te komen.
Het verhaal van de familie Regout begint onmiskenbaar bij Petrus Regout (1801-1878), een kleurrijke figuur in de industrialisatie van Nederland. In Maastricht bouwde hij een aardewerkimperium op dat bijna twee eeuwen lang werk zou bieden aan vele duizenden arbeiders, en hij kocht in 1841 het landgoed Vaeshartelt als gevolmachtigde van koning Willem II om dienst te doen als koninklijk jachtslot. Maar de koning zou slechts tweemaal twee weken op bezoek komen. In 1842 vergezelde Petrus de koning op zijn rit van Vaals naar Aken, als commandant van de eregarde. En terwijl zelfs de paarden voor het rijtuig van de koning wisselden, was er die dag één die meende dat zijn paard nog vers genoeg was, namelijk Petrus Regout die in het zadel zat alsof hij persoonlijk de zege bij Waterloo kon vieren. Na het overlijden van Willem II in 1851 kocht Petrus op een openbare verkoping Vaeshartelt voor zichzelf, om het eerst als buitenverblijf en vanaf 1863 als vaste verblijfplaats te gebruiken.
In de jaren 1860 liet Petrus een album maken met prenten van zijn prestaties om weg te geven aan vrienden, vreemden en verwanten. In dat album zit een foto van een calèche met vierspan, gemaakt voor Vaeshartelt en met als passagier Regout in vol gala. Op de equipage is wel wat aan te merken. Eén lakei zit achterop een knechtenbankje en eentje zit naast de koetsier; een ‘echte’ exclusieve calèche is achtvoudig geveerd – deze niet – en heeft een knechtenbank achterop voor twee lakeien. Het rijtuig zakt bovendien aan de achterkant tamelijk door: de vering is klaarblijkelijk niet berekend op zo’n, misschien later eraan geknutselde, knechtenbank. En wat niet strookt met die tijd is de houding van het personeel, want beide lakeien kijken iets te vrolijk in de cameralens.
Deze equipage kwam niet alleen op de weg voor die ene foto. In zijn memoires (Oet Mestreech in 1850-1882) beschrijft plaats- en tijdgenoot Jean Henri Schumacher hoe Petrus in het rijtuig met vier paarden door Luik reed om een schietwedstrijd te bezoeken. “Menier Regoo heel van prach en prónk, mer presteerde ouch enorm väöl en is veur Mestreech ongetwiefeld ‘ne groete maan gewees, dee door ’t naogeslach in iere gehawwe moot weurde”, sprak Schumacher vol lof.

Opvallende handel
De koetsiers die ergens halverwege de negentiende eeuw voor Petrus in de stallen werkten zijn mannen als Reinier Gerardus Rosier (1819-1877) uit Limmel en Jan Nicolaas Gregoire. Het koetshuis was ruim genoeg voor meerdere rijtuigen en een tiental paarden, maar in 1866 had Regout tien jonge, Hannoveraans-Engelse paarden te koop. Het was een opvallende en eenmalige handel in paarden die eigenlijk alleen konden dienen als rijpaarden voor het leger. Het toeval (of juist niet) wilde dat in die periode de Pruisen, na hun overwinning op Oostenrijk, onder aanvoering van Bismarck klaarstonden om met geweld een deel van Limburg te annexeren.
Als lid van de Eerste Kamer moest Petrus Regout regelmatig naar Den Haag reizen, maar hij weigerde zijn leven lang gebruik te maken van de spoorlijn Maastricht-Sittard, omdat hij de spoordijk bij Geulle niet vertrouwde. Hier stroomde namelijk een van de Snijdersberg komende bergbeek uit in een plas tegen de dijk. Regout liet zich liever per rijtuig naar het station Beek-Elsloo brengen. De grote verzakking van 1892 – Petrus Regout kreeg gelijk, veertien jaar na zijn dood – vond plaats vlak na het passeren van de eerste personentrein richting Maastricht, die daar om 7.59 uur moest aankomen. Een onbekende rijmelaar verzon er een aardig gedicht op:

‘Een groot industrieel in porselein,
Moest o zo vaak in Holland zijn.
Met een koets kwam hij dan naar Beek,
Soms wel twee maal in de week.
De oude Demandt moest hem rijden,
Maar Renkens zou hij nooit vermijden.
Een flinke borrel deed hem goed,
Dan ging het weer met flinke spoed.
Door wind of regen of door zon,
Naar het Beeker spoorlijn-station.
Demandt kreeg dan 2 stuks 5-franken,
Meneer Regout, ik moet je danken.’

Geen pluspunt
Petrus achtte zichzelf wel een adellijke titel waardig en richtte het verzoek aan koning Willem III om verheven te worden tot ‘graaf of zodanige titel als Z.M. passend zal vinden’. De Hoge Raad van Adel die het oordeel moest vellen erkende zijn industriële verdiensten en dat kon een opname in de adelstand rechtvaardigen; geen graaf, maar wel een lagere titel. Dat hij zo veel investeerde in de stad en de gemeenschap woog positief mee. Maar de Raad wees hem toch af. De reden? Goeddeels zijn ijdelheid. Het opzichtig rond laten rijden in een calèche met vierspan is in ieder geval géén pluspunt geweest. Al in de Zeven Provinciën van de zestiende eeuw stond bij officiële gelegenheden het aantal paarden voor de koets symbool voor de titel van de eigenaar. Het waren in de negentiende eeuw ongeschreven regels. Een achtspan was voor een gekroond vorst, een prins of groothertog kwam met zes, een graaf met vier paarden en een burger… een tweespan was zijn deel. Petrus mocht gerust als sport met een vierspan rondrijden, maar zodra hij zijn officiële tenue aantrok en zich zo liet vervoeren, wist hij zeker dat men in bepaalde kringen zijn wenkbrauwen optrok.

Door de bank genomen zat de liefde voor paarden er niet zo sterk in, of de familie zag dat paardengedoe niet als de manier om zich te profileren, zoals de adel en andere families dat wel deden. De naam Regout is bijvoorbeeld afwezig op het concours hippique in Maastricht 1895, waarbij de beide koninginnen te gast waren. Mogelijk waren de Regouts tijdens de diners van de partij, maar het had de familie niet misstaan een koetsier in te laten schrijven met de fraaiste rijtuigpaarden. Alleen de naam van Clara Regout-Polis komt voor als jurylid op het concours in 1895, terwijl haar neven Maxime Regout en Fernand Weustenraad een jaar eerder een eervolle vermelding kregen met een enkelspan.
Het omgaan met dieren hoorde wel bij de opvoeding van de kinderen. Dat begon al met de bokkenwagen die zo ongeveer standaard tot het speelgoed hoorde. En in de meeste gevallen volgde een pony. Ernest Regout had een springpaard waarmee hij een kleine succesje op zuidelijke concoursen behaalde en andere nazaten van Petrus schuwden het niet om zelf de leidsels op de bok te nemen, van een enkelspan althans. Zoon Eugène, kleinzoons Arthur, Maxime, Arnold en Gustave en kleindochter Leonie reden met een paard voor het rijtuig. Het is gezellig huis-tuin-en-keukenwerk. Neem Leonie, getrouwd met een Bonhomme, die een kleine duc stuurde en haar dochtertje Marie Louise op de knechtenbank liet zitten.

Een span volstond
Maar paardenliefde of niet, het rijtuig was voor de Regouts in ieder geval een noodzakelijke kostenpost om korte reizen te maken en van kasteel naar station te komen. Daarbij had de komst van de stoomtrein al een vooruitgang gebracht. Vader Petrus had bijvoorbeeld nog meegewerkt aan de aanleg van de treinverbinding Maastricht-Aken, net als Matthijs Gerard Bonhomme, de postvervoerder en diligenceverhuurder in Maastricht, met wie de familie Regout goede zakelijke en familiaire banden onderhield. Met de trein hield het paardenvervoer in de contreien niet op, Bonhomme had met het agentschap van Van Gend & Loos nog genoeg te vervoeren, maar reizigers hoefden niet langer opeengepakt in diligences of in een benauwde slaapkoets van herberg naar herberg te reizen, met onderweg wisselingen van paarden en de kans op een gebroken wiel. Voor een kasteel als Vaeshartelt scheelde dit al een reisrijtuig en een bagagewagen.
Wat er overbleef aan rijtuigen voor een welgestelde familie was functioneel: minstens een dicht rijtuig voor de winter, een open modelletje voor de zomer, een gezinsrijtuig en iets groots om bagage of een gezelschapje te vervoeren. Ziedaar in volgorde een coupé, een victoria, een landauer en een omnibus. Loopt rijkdom in menig geval uit op de aanschaf van exorbitant dure voertuigen, bij de nazaten van Petrus Regout is dat qua rijtuigen en aantallen paarden nooit het geval geweest. Meestal volstond een span. En dan geen deftige oldenburgers of elegante Engelse hackney’s, maar bij voorkeur nette paarden die met hetzelfde gemak de camion (goederenwagen) konden trekken of landbouwwerk deden.

Tuigen van Bouhon
In september 1893 kwam ‘wegens vertrek en afschaffing van equipage’ de stalinventaris van Gustaaf Stevens op het kasteel Bethlehem in Limmel in een publieke verkoping. De dochters van Stevens trouwden met een Regout en zo kwam het kasteel in de familie. Op de verkooplijst stonden twee bruine rijtuigpaarden van 1,70 meter hoog, een landauer, een victoria, een coupé-clarence en een break-omnibus, twee spantuigen van fabrikant Bouhon in Luik en een enkelspantuig. In dezelfde verkoping kwam ook het biljart; het was vrij gebruikelijk om een biljartkamer in het koetshuis in te richten, als de plek voor mannen om even buitenshuis te ontspannen.
Op villa Klein-Vaeshartelt, een ander huis van de familie, stond een vergelijkbare boedel te koop in de Limburger Koerier van 11 april 1904 vanwege de aanschaf van automobielen (let op het meervoud): twee zesjarige vossen, een grote break, een vis-à-vis, een phaeton en drie spantuigen.
De oudste dochter van Petrus Regout, Mimi Weustenraad-Regout (1826-1898), liet zich in een landauer rondrijden naar visites en zakelijke afspraken. Bijvoorbeeld naar het café Mesters aan de Steenstraat om mee te maken aan wie de notaris haar graslanden ging verpachten. De kranige dame – op 33-jarige leeftijd weduwe met vier kinderen en een actieve rol in de onderneming – woonde op de grote villa Kanjel en koos haar eigen vervoer. Het koetshuis van Kanjel bood netjes ruimte aan vier rijtuigen, een drietal paarden en een dienstwoning voor de koetsier.

Koetshuis van Canne
Van de koetshuizen bij de villa’s en kastelen van de familie is dat van Jules Regout, bij Villa Canne, aan de Nekummerweg, bijzonder door zijn grootte en omdat het interieur nog grotendeels ongewijzigd is gebleven: in de linkervleugel bevinden zich achter de dubbele houten poorten van de binnenplaats de stalruimten voor de rijtuigen. In de rechtervleugel, nu ingericht als woonruimte, bevinden zich achter de boogvormige toegangsdeuren onder meer de paardenboxen (vervaardigd door de Brusselse constructeur Adolph Charlet & Cie), de ruiven en de blauwwitte tegellambrisering. De oorspronkelijke klinkerbestrating, inclusief de gietijzeren putdeksels, is zowel op de binnenplaats als in beide stallingen nog aanwezig. Het was een luxe en groot koetshuis, relatief laat gebouwd (1905) omdat het oude en grotere koetshuis aan de Mergelweg in gebruik kwam als woning. Een van de nazaten van Jules Regout memoreert in een brief (1999) de laatste paarden: Roxane, Snos, Cyrano, Fox en Manola, die in twee boxen en drie stands stonden. Hun namen stonden op bordjes geschreven, terwijl aan de tussenschotten van de stands ‘ruige matten’ hingen om het hout te beschermen tegen het slaan met de achterbenen. Verder in de brief: “Aan de linkerkant van deze stal was een hele mooie houten kast van waaruit met één beweging een hoeveelheid haver per paard kon worden afgetapt, uit een hele grote kist op zolder van waaruit de haver als water naar beneden kon vloeien. Dan de tuigenkamer, eens een lust voor het oog, in mijn tijd zelfs nog voorzien van allerlei soorten zadels, zwepen, laden vol met trenzen en stangen.”

Rijtuigfabrikanten
De familie was van oorsprong Franstalig en gericht op Luik. Het was Luik waar de oude Petrus zijn pakken liet maken en waar ze hun voornaamste bestellingen deden. Het ligt voor de hand dat zijn rijtuigen uit Luik van bijvoorbeeld Gamette of misschien nog beter uit de Brusselse rijtuigfabrieken kwamen; alleen straalde de calèche als fraaiste in het koetshuis dat niet uit. De benaming van de rijtuigen zullen ook Franstalig zijn geweest: een ‘charrette anglaise’ in plaats van het vernederlandste dogcart. De rijtuigmakers die in Luik de toon aangaven waren Closset, Albert Gamette, Rongé, Verschueren, Vogt en Nicolas Walch. Aan de andere kant reed een deel van de elite van Maastricht rond met Duitse rijtuigen, van bijvoorbeeld Mengelbeer uit Aken. De vis-à-vis die Eugène en zijn familie gebruikte voor een plezierritje over de landerijen, en de landauer van Mimi Weustenraad-Regout zijn herkenbaar van Duitse makelij.
Was Jos Consten met zijn Rijtuig- en Zadelfabriek in Heerlen de grootste in Zuid-Limburg, Maastricht had zelf geen rijtuigfabrikanten van enige betekenis. In de houten loodsen van Eugène Regout op het Wyckerveld zat tot 1895 de zadel- en rijtuigmakerij van Joseph Ramakers. In 1895 brandden die loodsen door blikseminslag af, maar ‘een aantal rijtuigen’ werd gered. Ramakers ging daarna nog twee jaar verder aan de Akersteenweg om in 1897 zijn gereedschap en de laatste nieuwe rijtuigen te verkopen: een landauer, een calèche, een break, een tilbury, een camion en een hondenkar. Ook ‘carrossier’ Fr. Pelzer aan de Gr. Looijerstraat 13 bouwde en handelde wat, terwijl Ad Fremgens aan de Stationsstraat 4 zich het vak van rijtuigverlakker aanleerde. Het was niet de enige in de omgeving die een rijtuig kon lakken, want ook de Duitser Nic. Pelzer aan de Maastrichterlaan 35 in Vaals bood die dienst aan en zo liep er F.v.H., ‘rijtuigverlakker te Maastricht’ rond die voor dronkenschap voor het gerecht kwam, met vijftig cent boete of een dag hechtenis als resultaat. Verlakken of opnieuw lakken kwam van tijd tot tijd van pas voor ieder net onderhouden rijtuig. Redelijke kans dat Fremgens dit voor de Regouts mocht doen. Fremgens, die naast lakken en spuiten tot 1936 doorging met de carrosseriebouw, handelde ook in fietsen, repareerde karren en wagens, en verkocht tweedehandsrijtuigen. Hij hielp menig Maastrichtenaar van zijn rijtuigen af in de overgangsfase naar de auto en bood bijvoorbeeld in 1900 in de Limburger Koerier een ‘zo goed als nieuwe en lichte coureuse (zelfvaarder m. voor- en achterstelbare kap)’, een landauer en een victoria, en een nieuwe derby-cart op kogelassen aan.

Onvermijdelijke ongelukken
De trein had niet alleen gemak voor reizen op lange afstanden gebracht. Gustave Regout (1839-1923) haalde het Rotterdamsch Nieuwsblad op 13 februari 1892: “Men schrijft uit Meersen van 8 Febr.: Gisteren is de heer uit Maastricht met zijne drie zonen, Adolphe, Alphonse en Edouard, door de tegenwoordigheid van geest van zijn koetsier aan een vreeselijk ongeluk ontsnapt. Op het oogenblik, dat de sneltrein van Venloo, die te 10 uur te Maastricht aankomt, den overweg aan Vaeshartelt passeert, — de barrière was niet gesloten — geraakte het rijtuig dienzelfden overweg. Door het wenken en roepen van twee aan de overzijde zich bevindende personen attent gemaakt, dat er onraad was op de lijn, rukte de koetsier zijn paard achteruit, juist op het oogenblik, dat de sneltrein in vliegende vaart den overweg passeerde. Het paard schrok, doch de heer Regout was snel uit het rijtuig aan het hoofd van het paard, zoodat dit tot staan gebracht werd. De schrik slaat iemand om het hart, die bedenkt, dat enkele seconden later al die personen hadden verbrijzeld kunnen zijn. Het ware wenschelijk, dat dergelijke voorvallen voortaan onmogelijk gemaakt werden voor een verscherpt toezicht op de wachters, die voor de sluiting van de barriéren moeten zorgen: anders is het verkeer zoo onveilig, dat men bij een overweg, waar de wachter niet op zijn post is, eerst een kijkje moet gaan nemen, of geen trein in aantocht is, voordat men met paard en rijtuig den overtocht aandurft.”
In een grote familie met tal van landhuizen en kastelen is de statistische kans groot dat er wel ergens een ongeluk is geweest met een op hol geslagen span. Dat ongeluk trof Anna Maria Sophia Brouwers-Bauduin van Klein Vaeshartelt op een maandagnamiddag in december 1898. “De koetsier werd van den bok geslingerd; ter hoogte van het kerkhof wilde mevrouw B. uit het rijtuig springen met ongelukkig gevolg dat zij met het hoofd op een steen terecht kwam en een zware verwonding aan het hoofd en innerlijke wonden bekwam, zodat zij den volgende dag overleed. De koetsier kwam met den schrik vrij. Mevrouw B. was 26 jaren oud en laat drie kinderen achter.” (Venloosche Courant 10-12-1898.) Zij overleed doordat de haarspel zich in het hoofd boorde.
Even noodlottig liep dit af: “Zondagmiddag had nabij Maastricht het volgende ongeluk plaats. Het rijtuig van den heer Eugène Regout, waarin zijne twee zonen zaten met den koetsier, reed langs het kanaal van Maastricht naar Luik toen het paard, schrikkende voor een hondje, een zijsprong maakten en van den kanaaldijk, welke aldaar zeer smal was, met het rijtuig te water geraakte. De koetsier redde zich door tijdig van het rijtuig te springen; door spoedige hulp slaagde men er in den jongsten zoon te redden, maar de oudste was reeds een lijk toen men hem op konde halen. Ook het paard is verdronken.” (Tilburgsche Courant 2-6-1881.)
Wat de foto’s in het archief aantonen is wat de kranten niet berichten. Een ongeluk met een rijtuig haalt de krant, de ontelbare ritjes die vooral plezierig waren doen dat nooit. Maar ook in deze familie zijn er momenten geweest van een stralend jong gezinnetje op de dogcart en proostend in de vis-à-vis met de koetsier op de bok, ergens in de velden. We moeten er alleen wat fantasie voor gebruiken, omdat het niet in woorden is vastgelegd.

Fraaie types in dienst
Het aantal koetsiers en paardenknechten van ‘Regout in Maastricht’ liep in een tijdbestek van vijftig jaar in de tientallen – het begrip palfrenier was in Limburg niet al te gangbaar. In de koetsiers die te achterhalen zijn is een patroon te ontdekken. Diende elders in een deftige stal een koetsier beslist van hetzelfde geloof te zijn als de werkgever, bij de toch overtuigd katholieke Regouts woog dat niet zo zwaar. Geloof stond niet in de vacatures vermeld en een protestant was welkom. Een koetsier kwam elders alleen aan de slag met een goede kruiwagen uit een vergelijkbaar milieu, waardoor er landelijke netwerkjes van vader op zoon en van personeelsleden van voorname familie naar voorname familie ontstonden. De Regouts kozen buitenstaanders op praktische criteria: boerenknechten of net afgezwaaide dienstplichtigen die met een paard overweg konden. Dat leverde van het Wyckerveld tot villa Kanjel een gezelschap op dat niet al te veel kennis had van protocol. Op foto’s staat de zweep in de zweepkoker, in plaats van recht in de hand. En de kans dat ze zich bij een kleermaker mochten melden voor het aanmeten van een strak gesneden zomer- en winterlivrei was niet zo groot: een jas ging waarschijnlijk van de een naar de ander, waardoor een beetje het beeld ontstond van de equipages van een stalhouderij.
Met name Eugène – getrouwd met een dochter van ‘postvervoerder’ Bonhomme – was structureel op zoek naar een betrouwbare koetsier, en zette van 1877 tot in 1904 bijna jaarlijks een oproep in de krant. Sterker nog, in 1903 zet een koetsier ‘thans in dienst op Wyckerveld’ een advertentie op zoek naar een nieuwe betrekking. Hij wilde of moest er weg. Mogelijk was het een kostenkwestie en gaf deze Regout niet te veel geld uit aan huispersoneel. Ter vergelijking: toen Eugène een keukenmeid op de Groote Staat in Maastricht zocht, bood hij een salaris van honderd gulden, de helft van wat een dienster op een buitenplaats elders in Nederland verdiende. Normaalgesproken was koetsier een baan voor lange tijd. Eugène zocht een bekwaam koetsier, gehuwd en liefst zonder kinderen. Vanaf 1907 vervulde de besnorde Toussaint Gilissen (1857-1945), beter bekend als Tossing, die rol. Tossing verpacht zijn eigen boerderij in Keer en verhuist met zijn gezin naar het Wyckerveld, om een boerderij te pachten van Eugène Regout. Waarom Tossing het dorpje Keer verliet om drie jaar elders te gaan wonen is niet bekend. Was zijn eigen boerderij in een te slechte staat? Het zal geen weelde zijn geweest; de oudste kinderen liepen dagelijks naar Maastricht om melk te venten. Tossing kon het goed kon vinden met zijn pachtheer op de villa Wyckerveld, en reed hem rond om de landerijen in de buurt te bezichtigen. Ook als Regout naar de stad moest fungeerde Tossing als koetsier. Maar wanneer in 1908 Eugène Regout overlijdt, willen diens kinderen de erfenis verzilveren en in november 1910 keert het gezin van Tossing terug naar Keer.

De Bastings
Een andere koetsier in dienst van de familie was Hendrik ‘Hein’ van Vugt (1884-1944) die er na zijn diensttijd, waarin hij met paarden had leren omgaan, als protestante boerenzoon uit Dubbeldam aan de slag kon. Daar was Maria Barbera Henrietta ‘Berta’ van Wijnen in dienst als kindermeisje. Berta had een onbekende vader en vanwege die schande groeide ze op in het klooster bij Franstalige nonnen. Arm, katholiek en Franssprekend was Berta een geschikt kindermeisje naar in die tijd geldende normen. Koetsier Hein werd verliefd op Berta en het verhaal loopt uit op een protestants huwelijk in 1909, waarna ze vertrokken naar Dubbeldam op het Eiland van Dordrecht. Zijn loopbaan als koetsier kwam toen ten einde: Hein werkte er als landarbeider en liet eigen vee op de dijken grazen. Toen dat niet meer kon, verhuisde het gezin op 3 april 1922 per schip naar Nuenen met medeneming van twee paarden, vijf koeien en enkele schapen. Van 1.500 gulden spaargeld kochten zij er ruim vijf hectare woeste grond om te ontginnen, aldus de geschiedenis die schoonzoon Dick Kooijman in 2020 opschreef.
Twee zonen van Anton Bastings uit Itteren, zelf paardenknecht op de kasteelboerderij Haertelstein in Itteren, werkten voor Regout. De oudste, Leonardus Huberts ‘Leo’ (1865-1955), was koetsier van Jules Regout op villa Canne, waar hij met zijn gezin een dienstwoning betrok. Middelste zoon Pierre Hubert ‘Pierke’ (1874-1958) woonde in Itteren en werkte na vijf jaar bij de veldartillerie vanaf 1900 voor Gustave Regout op kasteel Vaeshartelt.

Sander Bastings (1942) kan nog lachen om zijn grootvader: “Pierke was in het dorp wel bekend om zijn streken. We zeggen nu nog ‘dat zijn Pierke-streken’. Pierke moest op zeker moment een vracht afleveren bij Adolphe Regout, zoon van Gustaaf, in Val-Dieu in België. Hij zei tegen Regout dat hij de weg niet wist. Regout zei, dat hoeft niet, het paard weet de weg, en dat was ook zo. Regout kocht een auto en Pierke kon chauffeur worden, maar wilde dat niet en nam ontslag. Van Regout en twee van zijn zonen kreeg hij toen van ieder 25 gulden. Pierke werd vrachtrijder met paard en wagen. Iedere vrijdag bracht hij de boerenvrouwen met hun kippen, konijnen en groente naar de markt in Maastricht. Halverwege de rit moest hij altijd stoppen, de vrouwen moesten plassen. Dat ging gemakkelijk, ze droegen toen zogenaamde snelzeikerds; ze gingen wijdbeens staan, trokken aan een lint, de lap die de edele delen bedekte liet los en ze konden plassen. Of mijn grootvader daarbij moest assisteren is mij niet bekend.” In de stamboom van de familie Bastings komen al vanaf de eerste helft van de negentiende eeuw zadelmakers en paardenknechten voor en dit loopt door tot dressuurruiter Remy Bastings, een achterkleinzoon van Pierke.

Laatste ‘kótsjeer’
Sjang Giesberts, beter bekend als ‘Fengers Sjang’, was de laatste ‘kótsjeer’ van de familie Regout. Hij stierf op 12 april 1970 op 94-jarige leeftijd; hij was op dat moment oudste inwoner van Kessel. “Ik heb me nooit moe gemaakt, daar was ik veel te slim voor”, zegt Sjang aan het einde van zijn leven nog tegen een journalist van de krant, genietend van een sigaar en zijn dagelijkse cognacje. Als jongeman reed hij op een vrachtkar om vervolgens dertig jaar koetsier te zijn bij Regout en, na de aanschaf van een auto, in de stallen van freule Michiels van Kessenich te Roermond. Met het rijtuig van die laatste verdiende Fengers Sjang nog weleens bij met een klusje. “Ja, bij deftige lijken en deftige bruiloften mocht ik nog wel eens rijden, dat bracht goed op, vertel ik je.” Om die reden zorgde hij dat de tuigenkamer er altijd spic en span uitzag. “Want tuigen poetsen deed ik graag, daar was ik niet te lui voor.”

De Limburgse Koerier doet in 1905 verslag van de historische optocht in Maastricht: “Ongeveer iedere eeuw was door een karakteristieke groep vertegenwoordigd, van af het bouwen der brug, waaraan de stad haar naam ontleende, onder Tungeri Bethasiers & Romeinen in de eerste eeuw onzer jaartelling, tot en met 1834, de stichting der wijdvermaarde glas- en aardewerkfabrieken door Petrus Regout, welke fabrieken thans alle worden aangeduid met den naam de Sphinx, terwijl een praalwagen de apotheose van den stichter voorstelt. Deze wagen, een pronkjuweel van architectuur, hoog 9 meter, zal door twaalf paarden getrokken worden. Het beeld van Petrus Regout, meer dan levensgroot, zal door allegorische figuren omringd worden.” Uiteindelijk trokken acht paarden Petrus’ praalwagen voort, gelijk het aantal van een koning.

Foto’s: Regionaal Historisch Centrum Limburg, Collectie Familie Regout
Met dank aan Catherine Rommelaere, Remy Bastings, Wouter Kooijman, Eric Scheepers, Carl Andreas


Op de bok naast de koetsier zit Eugène Regout, industrieel, terwijl zijn kinderen zich
vermaken tijdens een ritje door de velden.


Petrus Regout in het galakostuum als lid van de Eerste Kamer, in een calèche voor Vaeshartelt, in de jaren 1860.


Petrus Regout (1801-1878), een kleurrijke figuur
in de industrialisatie van Nederland.


De kleinkinderen van Petrus Regout en Gonneke Hoeberechts (1798-1878)
groeiden op Vaeshartelt op met ezel- en ponywagen.

Links de jongens, rechts de meisjes.


Een gelegenheidshandeltje in het Venloosch Weekblad 14-4-1866.


De oudste dochter van Petrus Regout, Mimi Weustenraad-Regout (1826-1898),
laat zich in een landauer rondrijden.


Ook een koetspaard bij Regout moest functioneel zijn. Limburger Koerier 5-5-1898.


Juweeltje van een ezelbreak uit het koetshuis van Regout, voor het plezier van de kinderen.


Met een bok leren de kinderen Regout spelenderwijs de
verantwoordelijkheid voor de verzorging van een dier.


Alfons, zoon van Gustaaf en Louise Petry, te paard op Villa Kanjel.


Arnold en Leonie Bonhomme-Regout in de dogcart
voor Villa Wyckerveld.


Arthur Regout en zijn echtgenote Loulou Thibaut de Maisieres
in dogcart voor Villa Wijckerveld.


Louis en Willy Regout op Meerssen, Kruisdonk.


Arthur, zoon van Eugène en Leonie, en zijn prille gezinnetje.


Arthur laat een prachtig koetspaard zien voor het
koetshuis en stalgebouw van Villa Wyckerveld, dat aan
de hoge glazen deuren te zien royaal en licht is uitgevoerd.


Gustave Regout, getrouwd met Melanie Stevens,
op de Meerssenerweg in Maastricht.

 
Eugène zocht van 1877 tot 1904 jaarlijks een koetsier
(Venloosch Weekblad 3-3-1877; Limburger Koerier 16-2-1904).


Leonie Bonhomme-Regout op stap in de victoria met
dochter Marie-Louise, later gehuwd met Tielens.


Op de bok Max Regout (1864-1906) en een koetsier, achter in de wagonette zitten echtgenote Anna Rutten (1865-1917) en hun drie kinderen. Max is een zoon van Edouard Regout en zij een dochter uit een bierbrouwersfamilie.


Limburger Koerier 11-4-1904.


Uiteindelijk trokken in 1905 acht paarden Petrus’
praalwagen voort, gelijk het aantal van een koning.


Koetshuis van Villa Kanjel.