Als rijtuigfabrikant is de firma Gebr. Mijnhardt in Arnhem misschien te laat begonnen, in de carrosseriebouw maakten de broers Willem en Theo echter furore. Met dank aan hun start in de rijtuigen. De witte bruidscoupé en een parkwagen getuigen van het vakmanschap uit die beginperiode.

De broers Willem (1872-1960) en Theo Mijnhardt (1875-1954), zonen van een kuiper uit Dodewaard, starten in maart 1901 een wagenmakerij in de Eerste Spijkerdwarsstraat in Arnhem. Dat is dapper omdat ze er letterlijk onder de rook van rijtuigfabriek Veth zitten, een gerespecteerde firma die al bijna een eeuw de markt beheerst. Theo is de smid, Willem de zakenman van het stel. Van het maken van rijtuigen komt aanvankelijk nog niet veel terecht, het is eerder handel in een enkele tentwagen en onderstellen. Na drie jaar verhuizen de broers naar de Vlijtstraat 7 en gaan ze zichzelf rijtuigfabriek noemen. Mijnhardt biedt doorlopend een tiental rijtuigen aan, variërend van panier tot brik met winter- en zomerkap.
Het zijn vooralsnog geen ingewikkelde karrosseriën als van landauer en coupé. Kwamen de meeste rijtuigfabrikanten voort uit het ‘hout’ en konden in aanvang al goed uit de voeten met het buigen van hout en het verzagen van grote panelen, bij Mijnhardt begint de kwaliteit in het smeedwerk. Tegen 1905 komt daar verandering in en lopen er in de fabriek bakwerkers, vuurwerkers een schilder en bekleder die een compleet ‘luxe rijtuig’ en voor het eerst, de opbouw voor auto’s afleveren. Het is maar een korte periode dat de fabriek daadwerkelijk rijtuigen fabriceert, want in kort tijdbestek zijn het vrijwel alleen nog koetswerken voor automobielen. Wat resteert zijn al de tweedehandsrijtuigen, vaak van befaamde merken als Ingenhoes en Hermans, die Mijnhardt als inruil terugkrijgt op de nieuw verkochte automobielen. Mijnhardt construeert onder andere de opbouw van de auto’s voor Machine- en Motorenfabriek Gelria, met een verkooppunt in de Arnhemse Steenstraat, alleen vliegt menig Gelria-motor in de brand tijdens een proefrit, waarbij het koetswerk tot as vergaat.

Bijbelwagen
De Mijnhardts zijn een streng gelovige familie; in 1909 schrijft Willem Mijnhardt het boekje ‘De Noodzakelijkheid der Wedergeboorte’, ten voordele van de zending te verkrijgen; de fabriek levert een bijbelwagen aan de gereformeerde kerk van Amsterdam, ten behoeve van de colportage. “De wagen is gemaakt van iepenhout en gelakt met blanke lak, zoodat de oorspronkelijke houtkleur zichtbaar blijft. Aan het dikke spiegelglas zijn geslepen randen. Hij is voorzien van een uitzetbare constructie met waterdicht grijs kaplinnen, zoodat hij tevens als kraam dienst kan doen. De kosten voor dezen wagen worden betaald uit een fonds, dat daarvoor reeds verleden jaar gesticht is, als vrucht van een gift van ƒ 500,-” (De Standaard 3-3-1917)
De klanten mogen kiezen uit twee variaties van caoutchouc (zeg maar rubber) om de rijtuigwielen: een rubber band in een ijzeren profiel geperst of een band samengetrokken met twee staalkabels die door de kern van het rubber lopen. Voor beide technieken heeft Mijnhardt de machines in huis.
Aardig is de vermelding in een advertentie van de afkorting ‘break k.o.d.k.’. Wagenmaker Gerard Ipenburg (1985) noemt dit bij zijn omschrijving van de brik: “In vakkringen en ook in de rekeningboeken van voor de eeuwwisseling, die zich in mijn familiedocumentatie bevinden, sprak men van k.o.d.k. (koetsierszitting onder de kap) of k.b.d.k. (koetsierszitting buiten de kap).”
Door de uitstekende kwaliteit van de koetswerken bouwt Mijnhardt een goede naam op en veel auto-importeurs komen naar Arnhem om een carrosserie te laten maken. De zaken gaan zo goed, dat het bedrijf
in 1910 de aanbesteding uitschrijft voor de bouw van een nieuwe rijtuig- en carrosseriefabriek met twee bovenhuizen. Van Vlijtstraat 7 komt de nieuwe fabriek op 21 t/m 27. Theo en zijn gezin komen in de bovenwoning op 21 te wonen, Willem verhuist een jaar later naar Voorburg om daar een filiaal te openen.

Hulde als eersteling
“Nu, Mr. Mijnhardt, vroeger een degelijke, maar overigens doodgewone, rijtuigmaker, is thans een der pioniers in ons carrosseriebedrijf, werkte, jaren, jaren lang, en smijt daar plots iets op de markt, waar iedereen versteld van staat”, is het tijdschrift Revue der Sporten (nr.6, 1912) enthousiast over een automobiel, “zeggen we te veel, indien we hier van een grote bijzonderheid in onze inheemsche carrosserie-industrie spreken, indien wij de Gebr. Mijnhardt als pioniers in het bedrijf aanduiden? ’n Goed voorbeeld doet goed volgen. Allo dan, landgenooten, niet alleen beroemd om versche kaas en Volendammer pofbroeken. Laten we ook eens in het buitenland doen spreken over iets, waarbij meer vernuft te pas komt. Aan de firma Mijnhardt alle hulde als eersteling op dit gebied! Een kranig stuk werk voorwaar!”
Al de roem met auto’s te na, aan het einde van de Eerste Wereldoorlog is Mijnhardt blij nog iets in rijtuigen te doen. In 1917 gaat het filiaal in Voorburg dicht bij gebrek aan bestellingen, terwijl de zaak in Arnhem moet inkrimpen. In 1918 komen de inkomsten nog uit de verkoop van een gebruikte coupé ‘op zware gummi (kabelbanden), gebogen voorruit en blauw satijnen bekleding’ en andere tweedehandsjes als dog- en dresseerkarren, tonneaux, victoria’s en landauers. De prijzen liggen zo ongeveer op een kwart van de nieuwwaarde: ƒ 375,- voor een coupé ‘direct van den heerenstal’ met bruin laken, ƒ 275,- voor een vigilant.
Na de oorlog leeft de autohandel weer op en maakt de naam Mijnhardt opnieuw furore als carrosseriebouwer van luxe automobielen, waarvan twee Winton Six voor koningin-moeder Emma. De naam blijft tot in de jaren ‘60 doorklinken als Arnhems autobedrijf.

Originele van binnen
Van de rijtuiggeschiedenis van Mijnhardt en daarmee het begin van een belangrijk bedrijf in de Nederlandse autogeschiedenis is weinig overgebleven. Een witte trouwcoupé van de vroegere stalhouderij Middelkoop-Kraaij in Velp en een blank gelakt parkrijtuig van Kasteel Heeze. Het is met dank aan de Velpse rijtuigliefhebber Bart Veltkamp dat we dit weten. Hij fotografeerde de coupé nog op de stalhouderij en met name de waardevolle, originele binnenbekleding: het stoffeerwerk van Mijnhardt. En de parkwagen of beter gezegd ‘drowsky’ van Heeze is door hem herontdekt. Het rijtuigje is nu in afwachting van terugkeer naar het kasteel.

Bron: o.a. Rutger Booy/Conam


Nieuws van den Dag 3-6-1902.


Nieuws van den Dag 4-9-1905.


Arnhemsche Courant 6-1-1906.


Nieuws van den Dag 23-12-1907.


Twee typen rubber
(Arnhemsche Courant 19-3-1907).


K.o.d.k. = koetsierszitting onder de kap
(Nieuws van den Dag 27-6-1908).


De drie firmanten, circa 1928. Links Willem,
rechts zijn broer Theo en in het midden
Frederik, zoon van Willem Mijnhardt.


Buggy geproduceerd door Mijnhardt.


De witte trouwcoupé van Middelkoop-Kraaij met originele
binnenbekleding (foto’s Bart Veltkamp).


Drowsky van Kasteel Heeze
(foto’s Firma van den Heuvel, Valkenswaard)