Bij een ‘stoomrijtuigfabriek’ kun je je van alles voortellen. Van stoomtreinen tot indrukwekkende industrieën met ratelende machines en lopende banden. Maar in Alkmaar was het een klein ambachtsbedrijf dat een stoomketel had om de draaibank en de boormachine aan te drijven. Twee stoomrijtuigfabrieken telde de stad van de kaaskoppen: van Jacob Met en Jan Asjes. En die twee produceerden aan het einde van de negentiende, begin twintigste eeuw toch ettelijke honderden tilbury’s, lijk- en tentwagens, driewielkarren en natuurlijk kaaswagens.

J.G. Miedema uit Sint Jansklooster bood in juni 2017 een Noord-Hollandse tilbury te koop aan op marktplaats. Eentje van het fabricaat Jac. Met, Alkmaar. “Een mooi stukje cultuurgoed voor de liefhebber”, zoals de verkoper het zegt. Het is een wereld van verschil met precies 124 jaar geleden toen Jacob Met zelf in ‘Het nieuws van den dag: kleine courant’ adverteerde met misschien wel dezelfde tilbury, toen nog gloednieuw.

In veel families krijgen de zonen generatie na generatie dezelfde voornaam. In de familie Met in Heerhugowaard is dat niet anders. De kerels heten allemaal Jan of Jacob, en ze zijn allemaal grofsmid of wagenmaker van beroep. Ze werken aan kaasbrikken, rijtuigen en postwagens.
Op 19 april 1806 koopt grootvader Jacob Met een huis met erf aan de Middenweg in de polder Heerhugowaard, waar een smederij en wagenmakerij zijn gevestigd. Twee generaties later is er Jan Met (1863-1953) die de smederij voortzet, al loopt zijn leven aanvankelijk niet zo voorspoedig. In 1888 sterft het twee maand oude zoontje van Jan en zijn vrouw Dieuwertje. Kenmerkend voor de gemoedelijkheid van de smederij is dat één van de vaste klanten, de postiljon Willem Habbets, meegaat met Jan om aangifte te doen van dit overlijden. Naast dit verdriet kampt Dieuwertje met een slechte gezondheid. Op 11 januari 1903 is er een lichtpuntje, als zij in De Tijd getuigt over de wonderbaarlijke ‘pink pillen’ van dr. Williams: “Wij laten hier het voorbeeld volgen van Mejuffrouw J. Met, wier echtgenoot het beroep uitoefent van smid, en wonende te Heerhugowaard, provincie Noord-Holland, die aan onzen verslaggever bij zijn bezoek vertelde, dat zij sedert een jaar lijdende was geweest aan een groote algemeene zwakte, gepaard gaande met ondragelijke pijnen in den rug. Dit was van lieverlede toegenomen, de eetlust verminderde, de spijsvertering werd ongeregeld, maagkrampen en steken in de zijde deden zich voor; zij was kortademig, duizelig, de slaap gaf’ haar hoegenaamd geen verkwikking door de akelige droomen, en tot overmaat van ramp werd zij dagelijks geplaagd door hevige hoofdpijn.”
Ondanks de wonderpillen is ze vier jaar later dood.

Alkmaar lonkt
Het leven zal voor Jacob (1864-1931) een andere wending nemen, een broer die de wagenmakerij voor zijn rekening neemt en het tot rijtuigfabrikant gaat schoppen. Hij bouwt en handelt in boerengerij en rijtuigen, van soliede lijkwagens tot zo goed als nieuwe victoria’s. Jacob vindt zijn clientèle vooral onder de Noord-Hollandse boeren en staat daarom ter promotie op de landbouwtentoonstellingen in Alkmaar, Heerhugowaard en Purmerend. Op die laatste laat hij in 1900 boerenwagens, bakwagens, driewielwagens en een gierkar zien. “Men houdt in deze omgeving van nette rijtuigen”, schrijft De Kleine Courant over Purmerend, als reden dat de wagenmaker naast het boerengerij ook een tilbury, een buggy en een Utrechtse wagen (met zij-instap) laat zien.
In de Hoornsche Courant 19 september 1902: “Beemster. Zondag j.l. was hier een zeer elegant rijtuigje te bezichtigen, dat deze week op de tentoonstelling te Alkmaar geëxposeerd zal worden. Het voertuig, een breack, vervaardigd door den heer Jac. Met, rijtuigfabrikant te Heerhugowaard, getuigt van uiterst soliede afwerking en is geschilderd door den heer F. Schmidt, huis- en rijtuigschilder alhier, die zeker een woord van lof toekomt voor de met zorg behandelde werkzaamheden aan deze keurige breack. Men kan, om onze Noord-Hollandsche uitdrukking te gebruiken, ‘de kap er wel in op zetten’, zoo spiegelt alles u tegen. Ook de kleuren zijn zeer gelukkig gekozen.”
Jacob – die telkens de afkorting Jac. gebruikt om verwarring met zijn broer Jan te voorkomen – werkt nog zo kleinschalig, dat er geen schilder in dienst kan komen, maar kijkt al wel met een scheef oog naar het naburige Alkmaar om daar iets grootser te beginnen. Alkmaar is namelijk het middelpunt waar alle kaasmakende boeren uit de verre omtrek minstens een keer in de week naar toe rijden voor de markt, en daar vindt op 2 november 1902 een veiling plaats van ‘de rijtuigfabriek’ aan de Achterweg. Dat klinkt Jacob als muziek in de oren. Een fabriek, magazijn en woonhuis komen weliswaar in handen van drie verschillende kopers, maar het zijn deze aaneengeschakelde gebouwen die Jacob in gebruik gaat nemen als zijn nieuwe Alkmaarse vestiging. De keuze voor Alkmaar is in meer opzichten een verstandige, want in Heerhugowaard is de concurrentie groot: van Jacob Masclé bij de kerk en Jan Oosterwijk aan de Spoorstraat, maar ook in de polder waar kleine wagenmakers als Driesen, Pannekeet, Mammen en wagenmakerij De Valk voor lage tarieven aan mestkarren en kruiwagenwielen werken.

Spreekuur op Texel
In 1903 wint Jacob nog een tientje als prijs voor het beste rijtuig op de tentoonstelling in Schagen, maar krijgt ook een fikse tegenvaller te verwerken, wanneer de barak waarin hij in Heerhugowaard werkt en het woonhuis tot op de grond toe afbranden. Alleen het rijtuigmagazijn blijft overeind staan. In plaats van neer te zitten bij de verkoolde resten, ziet Jacob vooral een nieuwe kans en laat 32 aannemers een offerte uitbrengen voor het herbouwen van de stoomrijtuigfabriek, een boerderij en het woonhuis. In die nieuwe stoomfabriek gaat de productie plaatsvinden, in Alkmaar de reparaties en de verkoop. Dat gaat voortvarend. Een voornaam deel van Noord-Holland weet de weg naar Alkmaar te vinden voor een nieuwe wagen. Boeren en gegoede burgers. Tot op Texel toe, waar Jacob Met in de zomers van 1907 en 1908 iedere maandag is ‘te spreken’ in Hotel de Lindenboom in Den Burg.
Het kasboek 1906 geeft een inkijkje in het aantal verkochte wagens, in de eerste drie maanden van dat jaar 35 stuks: 6 bakwagens, 5 tentwagens (als ‘jachtwagen’ omschreven), 5 driewielkarren, 4 kaaswagens, 3 tilbury’s, 2 melkwagens, 2 ponykarren, een pony duc, een omnibus, een dogcart, een speelwagen, een buggy en een lijkwagen met rouwkleden. Het fabriceren van exclusieve rijtuigen is dan in feite al een aflopende zaak, want wie geld genoeg heeft koopt een automobiel of klopt nog als vanouds aan bij Kimman in Haarlem. Maar dat doen stalhouders als bijvoorbeeld Hoed, Overmeijer en Van Dam aan de Breestraat in Alkmaar niet. Zij hebben in Jacob Met een goede rijtuigfabrikant in de buurt die voor schappelijke prijzen kan repareren en een lijkwagen kan bouwen. In 1911 participeert Jacob in de oprichting van een coöperatieve graandorsvereniging in Heerhugowaard, mogelijk om zijn afzet aan driewielkarren en meststrooiers aan de boeren te stimuleren en de benodigde stoommachine voor zijn rekening te nemen. Stoom ligt hem namelijk wel, hij laat al vanaf minstens 1902 zijn rijtuigfabriek op stoomkracht laten werken. Op volle kracht zelfs.

32 op voorraad
In 1911 timmert Jac. Met nog aan de weg als stoomrijtuigfabriek, en twee jaar later komt daar de toevoeging ‘carrosseriefabriek’ bij. Met pakt dan op waar concurrent Asjes al in Alkmaar aan was begonnen: auto’s en dan vooral bedrijfswagens. Het roer is om als vertegenwoordiger van Benz en Overland, en het verhuur van luxe automobielen. Toch bestelt Met in dat jaar nog steeds rijtuigbeslag en niet weinig: onder andere het complete beslag voor vijf dogcarts. Rijtuigen zijn in die periode dus nog belangrijk voor de omzet. Een inventarislijst in 1916 geeft een idee van wat op voorraad is, op een enkel nieuw rijtuig na, vrijwel alleen nog tweedehands: 32 stuks, waarvan acht kaaswagens, zes tentwagens en vijf tilbury’s. Die laatste zijn opgedeeld in ‘gewone’ Hollandse en twee Franse. Die Franse zijn in een kleur geverfd en lager in uitvoering, tegen de blank gelakte Hollandse.
In de jaren twintig is de behoefte aan nieuwe rijtuigen verdwenen en richt de firma Met zich volledig op het garagebedrijf in Alkmaar. De rijtuigfabriek in Heerhugowaard komt te koop.

Jacob Met en zijn echtgenote Pietertje Pijper (1867-1926) kregen twee dochters die al op jonge leeftijd overlijden, een gezonde dochter Cornelia en twee zoons die het vak van wagenmaker en later garagehouder voortzetten, het kan bijna niet anders of het zijn Jacob en Jan. In 1935 heeft Met als dealer van General Motors in Noord-Holland 65 mensen in dienst, het is een jaar waarin A. Rol veertig jaar in dienst is als carrosseriebouwer, alvorens wagenmaker te zijn geweest. Oprichter Jacob is dan al overleden, zijn zoon Jan (1890-1953) spreekt bij de huldiging van de jubilaris over hoe de onderneming er in is geslaagd om te veranderen van rijtuigfabriek naar garage. Chef-werkplaats is dan Evert Dirk Asjes, een vakman die een achtergrond heeft in een andere Alkmaarse rijtuigfabriek, namelijk die van zijn oom op het Heiligland.
Als Opel-dealer bestond Met tot twintig jaar geleden en ging toen op in een grote autodealergroep. Aan een tilbury kan men u er niet meer helpen. In 1977 is het oude pand van Met aan de Achterweg, tegenwoordig Wagenweg, gesloopt.

J. Asjes Ezn.
Jan Asjes Evert’s zoon (1851-1911) is de grootste concurrent die Jacob Met tegenkomt als hij zich wil vestigen in het stedelijke Alkmaar – ouder en groter. Dat gaat met zo veel ophef dat Asjes op 29 mei 1903 ‘wegens plaatsgebrek’ liefst tachtig rijtuigen, waaronder drie nieuwe en vier gebruikte lijkwagens, door een notaris ’s morgens om elf uur precies laat verkopen, althans dat kondigt hij aan. Asjes wil laten weten dat hij de markt beheerst. Of de rijtuigen ook daadwerkelijk zijn gegund is een ander verhaal. Er zal nog iets hebben gespeeld, want de moeder van Jan Asjes is een tante van Jacob. De verhouding tussen de rijtuigfabrikanten Asjes en Met is er een van haat en liefde, enerzijds concurrenten, anderzijds door familie en afkomst aan elkaar gebonden. De twee staan regelmatig naast elkaar op de landbouwtentoonstellingen om hun rijtuigen aan te prijzen. Voor die van Leiden regelen ze zelfs het gezamenlijke vervoer van de tilbury’s en oliewagens (tentwagens). “De rijtuigen, met de boot van den heer L.M. de Fouw van Alkmaar naar Leiden vervoerd, hebben gedurende het vervoer niet in het minst geleden”, zag de Alkmaarsche Courant op 7 september, 1892. Asjes is een serieuze stoomfabriek met bakwerkers en rijtuigbekleders in dienst, en die een flinke voorraad rijtuigen heeft.

Mulder chais
Jan Asjes uit Schermeer, de polder van de Schermer, heeft er bij zijn trouwen in 1874 met Neeltje Smit een wagenmakerij. Die wagenmakerij gaat over naar Volkert Schoen, 28 jaar en net getrouwd, wanneer Asjes na vier jaar de stad Alkmaar verkiest boven een pover bestaan in de polder. Daar, aan het Heiligland, maakt de meesterwagenmaker vanaf 1878 boerengerij, tilbury’s, tentwagens, barouchettes en charettes, en zelfs een nieuwe landauer, naast de handel in tweedehandsrijtuigen. In Het Nieuws van den Dag 27 oktober 1879 heeft hij een ‘sterke en mooie Hollandsche of Mulder Chais’ te koop en daarmee doelt hij mogelijk op de bouwer van deze specifieke sjees. Asjes bouwt de omnibus die vanaf 1892 tweemaal daags tussen Alkmaar en het badhotel in Castricum komt te lopen.
Asjes is vooral goed met hout, want hij handelt ook in hout en doet zijn in 1891 opgerichte smederij in de verhuur aan een meestersmid. Iepen, essen, eiken en beuken zijn de hoofdzaak. Al dat hout kwam over water en vond zijn weg naar de houtzaagmolens en terug.

Eerste Alkmaarse auto
In 1911 vlamt de wedloop tussen Met en Asjes opnieuw op, wanneer de laatste een chassis van automobielfabriek Spyker gaat voorzien van een carrosserie. De eerste Alkmaarse auto is geboren. Maar lang heeft Asjes er zelf geen plezier van, want hij overlijdt in juni dat jaar. De Almaarsche Courant schrijft over de ter aarde bestelling van Asjes in Stompetoren: “Een zeer arbeidzaam man die sinds 1878 te Alkmaar woonde en zijn zaak tot bloei bracht en bekend stond als een vriendelijk en welwillend mensch.” In Ons Blad, het katholieke nieuwsblad voor Noord-Holland noemt hem vooral onder den boerenstand een zeer bekend persoon.
Jan laat weduwe Neeltje Smit (1851-) achter, die op een zoontje dat al na drie maanden was overleden, kinderloos is. Ze krijgt hulp bij het doorzetten van de onderneming van haar neef Willem Smit, tot deze in 1915 een dodelijk ongeval krijgt. “Zij die weten, tot welken grooten steun hij altijd voor mij is geweest, zullen beseffen hoe ontzettend ik door dit overlijden getroffen wordt”, verklaart ze. Dan staat Neeltje er echt alleen voor. Ze hertrouwd in 1919 met de weduwnaar Pieter Anthonie Tiel en geeft dan toestemming aan koopman Tijmen Wortel en timmerman Dirk Hoekmeijer de naam ‘Voorheen J Asjes Ez’ te gebruiken. Voor het gebruik van die naam gaan ze haar betalen. Beide heren gaan officieel een vennootschap aan als ‘D. Hoekmeijer Hzn’ en houden zich bezig met een smederij, rijtuigfabricage, zadelmakerij, timmerbedrijf en houthandel.

Laatste opleving
En prompt maakt de Alkmaarsche Courant op 22 oktober 1919 melding van een succes: “Bij de firma de Wed. J. Asjes is een lijkwagen klaargekomen in opdracht van de heren Keuler en Hasebroek, stalhouders te ’s-Gravenhage, volgens een ontwerp van den heer Hoekmeijer. Deze wagen is door den beeldhouwer P. Born alhier van keurig uitgevoerd snijwerk voorzien, op een wijze, die den beeldhouwer als kunstenaar doen kennen. De firma heeft met deze wagen zo veel succes dat zij nog drie van deze wagens in Rotterdam en Den Haag moet leveren.” In de jaren ’20 blijft Asjes nog fanatiek adverteren met rijtuigen ‘nieuw en gebruikt voor de billijkste prijzen’, ook op Texel. Het is een laatste opleving van de rijtuigbouw. Na vijf jaar vertrekt Wortel als zakenpartner en gaat Dirk Hoekmeijer verder in zijn oude professie: timmerman.

Beeld: Regionaal Archief Alkmaar

Boven: lijkwagen 1ste klas zijlader, gebouwd door Jac. Met Alkmaar, met op de achtergrond het Victoriepark.


Lijkwagen achterlader, gebouwd door Jac. Met Alkmaar, met op de achtergrond het Victoriepark.


De 71-jarige Miedema wilde in 2017, na hem 45 jaar in bezit te hebben,
afscheid nemen van de tilbury, gebouwd door Jacob Met.


Nieuws van de Dag; Kleine Courant 3-10-1896.


De in 1903 herbouwde stoomrijtuigfabriek van
Jac. Met aan de Middenweg in Heerhugowaard.


De vestiging van Jac. Met in Alkmaar in 1921 aan
de Achterweg, tegenwoordig Wagenweg in Alkmaar.


Alkmaarsche Courant 15-11-1903.


Texelsche Courant 7-6-1907.


In 1916 spelen rijtuigen nog altijd een rol bij Jac. Met, al doet de auto zijn intrede.


Het einde van de rijtuigen. Nieuwe Hoornsche Courant 3-11-1924.


Terrein van werf Nicolaas Witsen in de sneeuw. Links achterzijde van het Heiligland
met rijtuigmakerij en houthandel van de Firma Asjes en molen De Wachter.
Rechts de raderboot Zuiderzee. 1905.


Alkmaarsche Courant 10-7-1904.


Na 1911 is de weduwe eigenaar en
laat neef Willem Smit de zaak draaien.

Heiligland 18/20 de voormalig rijtuigfabriek van
J. Asjes Ez. Op de voorgrond de rails van de tramlijn
Alkmaar-Purmerend, 1925.