Nederlandse lijkkoetsen zijn best zeldzaam. Want wie wil zo’n ding in de schuur? Alleen een excentriekeling heeft er een voor eigen gebruik. Maar van de lijkkoetsen die met name bij stalhouders bewaard zijn gebleven is zeker een tiental gebouwd door Huiskamp in Winterswijk. Dat is vanaf 1925 een klinkende naam in het zwarte werk.

In 1910 zoekt Hendrik Huiskamp in het buurtschap Henxel bij Winterswijk werk als radmaker. Hij is ambitieus en wil zich bekwamen in het bouwen van complete boerenwagens. Huiskamp is niet de enige in de omgeving van Winterswijk die houten wielen maakt voor onder andere kruiwagens. Tientallen keuterboertjes als Te Selle, Roerdink, Stemerdink, Schepers, Oonk en Reuselink en meerdere Huiskamps klussen hiermee bij. Ze werken voor boeren in de omgeving en voor groothandelaren uit Deventer. Huiskamp doet dat zo goed dat hij een knecht en een melkmeid in de kost kan nemen, en een stoommachine kan aanschaffen om de draaibank aan te drijven. ‘Stoomwielenmakerij’ heet het bedrijfje in 1912 dat tot in de jaren veertig actief zal blijven in het maken van wielen voor boerengerij in Nederlands en Duits model. Maar van complete boerenwagens is het nooit echt gekomen.

Rijtuigmaker
Terwijl in het buitengebied al zo drie Huiskamps bezig zijn met het maken van kruiwagen- en karrenwielen, is er ééntje die de kans grijpt om het verder te schoppen. Gerrit Bernard Huiskamp (1887-1974), geboren op de boerderij Esselinkharkel in het Woold, gaat als vijftienjarige aan het werk bij een rijtuigmaker in Zutphen. Daar leert hij de basisprincipes van het vak. En wanneer zijn broer Willem, die goed kan leren, in 1912 aan de slag gaat in Amsterdam trekt Bernard een jaar bij hem in. Waarom weten we niet precies, maar mogelijk is hij er verder in de leer gegaan als rijtuigbouwer. Want als Bernard in 1913 in het huwelijk treedt met zijn eerste vrouw, Janna Debbink, begint hij aan de Goudvinkenstraat 35 in ‘het dorp’, Winterswijk dus, een stoomrijtuigmakerij voor de bouw van complete carrosserieën. Dat is luxer dan een kruiwagen. Toch werkt ook deze Huiskamp voor de boeren en kleine zelfstandigen in het oosten van het land. Van groentekar tot kerkbrik. “De brikken en Utrechtsche wagen van den heer Huiskamp te Winterswijk maken een zeer soliden indruk”, aldus het oordeel op de landbouwtentoonstelling in Zelhem van 1924. In dat jaar is Huiskamp fier op het feit dat er rijtuigen rondrijden die hij in 1914 maakte en inmiddels tien jaar zonder enige mankement rondlopen. Degelijk werk dus. Tegelijkertijd werkt hij dan aan de opbouw van vrachtauto’s en autobussen.

Specialisatie
In mei 1925 komt de eerste bestelling van een lijkkoets binnen: voor de Begrafenis Vereniging Zelhem. In september is de wagen afgeleverd aan de diaconie. In de jaren die volgen gaat Huiskamp zich meer profileren als de specialist in lijkwagens, volgkoetsen en toebehoren als dekkleden, baarkleden, laken, pluimen, tressen en lampen. En heeft dan zo veel werk om tot in de Tweede Wereldoorlog een beeldhouwer -voor hout- in vaste dienst te hebben. De lijkkoetsen die Huiskamp bouwt dateren zo ongeveer uit die periode: 1925-1942. De variatie is groot: van indrukwekkende zijladers, waarbij de kist er aan de zijkant in gaat, achterladers tot ‘glaswagens’, die met glazen ruiten in plaats van alleen draperieën zijn uitgevoerd. Het houtsnijwerk varieert net zo sterk van een eenvoudige guirlande langs de zijkant tot gebeeldhouwde engelen – een engel met een bazuin, verwijst naar het Laatste Oordeel uit het Boek Openbaringen van Johannes. Alles heeft zo z’n symboliek: een kruis op het dak voor de katholieken, te verwisselen met een urn voor de protestanten. En niet te vergeten is er verschil in begraven in eerste, tweede of derde klas. Het meeste verdient Huiskamp aan de eersteklasuitvoering, waarvoor luxere spullen nodig zijn. Maar iedere lijkkoets die Huiskamp bouwt is een rijdend kunstwerk.
Hij ruilt ook in en groeit uit tot de onbetwiste marktleider op dit gebied. Het is een flinke onderneming. Ondanks die specialisatie blijft Huiskamp alle carrosserie- en rijtuigwerk aanpakken.
In 1944 wil Huiskamp nog een ‘1ste klas’ landauer inruilen tegen een ‘goede statiekoets’, en in 1950 zet hij een dos-à-dos te koop. In Emmen 1950 schaft begrafenisvereniging De Laatste Eer nog een lijkkoets aan, want: “De tegenwoordige lijkwagen, die reeds dertig jaren dienst heeft gedaan, vertoont verschillende gebreken en verkeert in slechte conditie, zodat maatregelen getroffen moeten worden. Van de firma Huiskamp te Winterswijk kan een zo goed als nieuwe lijkwagen met vier nieuwe lantaarns, paardenkleden enz. worden aangekocht voor ƒ 3.450,-”
Maar daarmee is wel het laatste paardending verhandeld, want het gaat in de zaak dan alleen nog om het ombouwen van Amerikaanse auto’s tot lijkwagen. En ondanks een flinke brand –‘het dak vloog er met een knal vanaf’- in 1965 doet het Winterswijkse bedrijf, inmiddels in andere handen, dat nog steeds met veel succes.

De allereerste lijkkoets van Huiskamp deed tot 1960 dienst in Zelhem en is daarna verkocht voor ƒ 20,- aan stalhouder Gert Kraay in Velp. Het is onbekend wie de wagen nu heeft. Waar tegenwoordig nog wel met regelmaat een ‘Huiskamp’ uit het koetshuis komt is Stalhouderij De Zadelhoff in Breukelen, die de beschikking heeft over een zijlader en een kapitale achterlader.

En van de radmakerijen die zo typerend waren voor het buitengebied van Winterswijk is er een uit Woold in 1942 verhuisd naar het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, waarin tot op heden demonstraties van het ambacht plaatsvinden.

Foto boven: exclusieve zijlader van Stalhouderij De Zadelhoff.

1910

Huiskamp in Henxel was één van de meest professionele radmakers, al bleef het onderdeel van het boerenbedrijf.

1913


1924

De eerste lijkkoets in 1925 voor de Begrafenis Vereniging Zelhem.

Zijlader met engel achterop.

Zelfs een ‘eenvoudige’ achterlader is imposant door de gala-bok, draperieën en het houtsnijwerk.

Achterlader van Stalhouderij De Zadelhoff.