Een van de meest charmante rijtuigjes in het Nationaal Rijtuigmuseum is misschien wel het coupeetje van Geesink. Het in de collectie als ‘parkwagentje’ omschreven rijtuigje mist een bokzitting en is met een pony of ezel aan de hand door een park gereden, met mogelijk een hoogbejaarde freule als passagier. De koetsier liep er dus naast. Dat kon ook zonder ezel, daarvoor was een trekstok meegeleverd. In alles is het klein, fijn en luxe. Van de vroegere bezitter weten we eigenlijk niets. Meer is bekend over de bouwer, een bedrijf dat nog bekendheid heeft als fabrikant van -uitgerekend- vuilniswagens.

Jakobus Geesink (1805-1870) is meesterwagenmaker aan de Kamperpoort in Zwolle. En na zijn overlijden is het de bedoeling dat zijn oudste zoon Jacobus junior, roepnaam Koos, de wagenmakerij overneemt. Maar bepaald gelukkig is die opvolging niet, want al na een half jaar gaat de wagenmakerij, die nog op naam van de weduwe staat, failliet. Het is blijkbaar een flinke last die de 57-jarige Mecheltje van Bruggen voor haar kiezen krijgt, want twee jaar later is de schuld nog niet vereffend en gaat ze opnieuw failliet, waarbij ze haar huis aan de Kamperstraat kwijtraakt. Het is de vraag of Koos al wel ervaring genoeg had om zijn moeder te helpen.
De jongen heeft meer geluk na zijn kennismaking met het meiske Catharina van Gijn. Zij woont in Weesp, waar hij werk vindt als knecht bij de in 1870 opgerichte Stoom-wielenfabriek van Dixon & Scheltema. Daar maken ze alleen wielen in alle soorten en maten voor kruiwagens tot en met rijtuigen, met gebogen of gezaagde velgdelen. Het maakt Koos wijzer. Maar goed en wel aan het werk gaat de wielenfabriek na twee jaar weer dicht. Geluk bij een ongeluk is dat Catharina’s vader, timmerman van beroep, zijn toekomstige schoonzoon wel aan het werk wil houden en regelt een jaar na hun trouwen in 1874 een pand waarin Koos zijn eigen bedrijf kan beginnen. Het is mogelijk dat ze het vroegere machinepark van Dixon & Scheltema, die in buitenlandse zaken zijn gegaan, overnemen, al is het complete machinepark en de locomobiel van 10 pk waar Koos over kan beschikken voor hem dan nog te veel. Hij moet de zware stoommachine en machines voor een deel weer (door)verkopen.

Veiligheid
Al weet Koos amper hoe hij de namen moet schrijven, hij handelt in en repareert luxe rijtuigen als Landauers, Victoria’s, Berlines en Napoleons. Hij bekleedt ze met laken, zijde en leer. Koos’ zaak loopt zo voortvarend dat er al snel werk is voor twee wagenmakerknechten. Ze bouwen bovendien nieuw: drie tilbury’s in 1880. Een jaar later mogen er een bankwerker en een rijtuigsmid bijkomen. Soms loopt een handeltje voorspoedig, soms blijft een rijtuig wat erg lang in voorraad staan, zoals een tweedehands calèche met blauw laken bekleding. Koos gaat met zijn tijd mee door uit een partij hickory-hout sulky’s naar ‘echt Amerikaansch model’ te maken voor wedren en harddraverij. Een jaar of tien na de start bouwt Geesink ook de meer complexe rijtuigen als een Landauer.
In december 1885 haalt dit aardige bericht meerdere kranten: “Volgens eene mededeeling, onlangs in onderscheidene buitenlandsche bladen voorkomende, zou een rijtuigmaker te Meldorf het middel gevonden hebben om hij het op hol gaan van de aangespannen paarden het leven van hen, die in het rijtuig zitten, buiten gevaar te brengen. Door slechts even roet den voet op een veer te drukken, zou men het voertuig geheel los van de paarden maken. In het belang onzer Nederlandsche industrie vestigt men er de aandacht op, dat deze vinding reeds vóór vier jaren hier te lande is gedaan, en wel door den rijtuigfabrikant J. Geesink te Weesp, bij wie rijtuigen te bezichtigen zijn, waarbij volgens gelijk systeem tegen ongelukken wordt gewaakt. De rijtuigen, gemaakt volgens Geesink’s stelsel, zijn zoo ingericht, dat met het losmaken der paarden het rijtuig zonder schok in rechte lijn blijft voortgaan, tot de beweegkracht is uitgeput. Het gevaar, door eventueel slingeren ontstaande, wordt daardoor voorkomen.” Succes heeft altijd meerdere vaders. In ieder geval brengt Koos zijn uitvinding pas na het verschijnen van dit krantenbericht actief op de markt. En curieus is dat hij er ook mee adverteert in zijn geboorteplaats, in de Zwolsche Courant, waar zijn moeder, broer en zussen nog woonden. Was het signaal om te laten zien dat het deze Geesink goed ging? Koos blijft evenwel uitvinden, want later in 1886 zijn het ‘rails-wielbanden’ die hij om rijtuigwielen kan leggen, plat rubber dat in tegen stelling tot rond rubber niet in de tramrails beklemd kan raken. De rijtuigfabriek loopt op stoom en met enige regelmaat is er een grotere stoomketel nodig om de groei van het machinepark bij te benen.

Puibewaschersladder
In 1895 heeft Geesink een inzending op de wereldtentoonstelling in Amsterdam, samen met bijvoorbeeld Bastiaan Veth uit Arnhem, maar wat hij instuurt is onbekend. Of het fietsen zijn of een schip van 70 ton, als Koos een handeltje ziet is hij de man. Ook in een ‘mechanische brandweer- of puibewaschersladder’ van twaalf meter ziet hij brood. Zo krijgt rond 1900 de rijtuigfabriek een neventak in brandweermaterieel. Daar is behoefte aan. Zo sterk dat de gemeente Enschede in 1908 nog uit gaat van zo’n ladder voor ƒ 390,- en als ze hem twee jaar later daadwerkelijk bestellen er bij Geesink ƒ 1.415,- voor moet betalen. Nog ‘ns twee jaar later, in 1912, legt Groningen ƒ 2.925,- neer voor een brandladder, alhoewel we niet weten of het om vergelijkbare modellen gaat, zal het grote prijsverschil nu zitten in de omschakeling van een paardentractie naar het automobiel. Wanneer de grote oorlog uitbreekt is de vroegere rijtuigbouwer Geesink geheel om als fabrikant van mechanische ladders en brandweermaterieel.
Bij het overlijden van Koos Geesink (1847-1919) als ‘industrieel’ heeft het bedrijf tot over de grens een toonaangevende naam in brandweermaterieel. Zijn twee zoons zetten het bedrijf voort. Zij maken ook reinigingsmaterieel en krijgen het importeur-schap van Magirus vrachtwagens. De onderneming floreert nog steeds met de constructie van vuilniswagens.

Dat laatste staat in ogenschijnlijk haaks op de fijnheid van het parkrijtuigje in Leek. Dat is met zijn leren voorschild, de luxe stoffering en afwerking in zilver een hoogtepunt van de Nederlandse rijtuigbouw, anders dan een doorsnee coupé of Landauer. De gecapitonneerde bekleding is van zijden damast met ‘gezaaide roosjes’. Daarom is het jammer dat dit pareltje in een extreem slechte staat verkeerd. De verf bladdert er af. Omdat het niet zo maar ‘een rijtuig van Geesink’ is zou het een prachtige uitdaging zijn voor het huidige Geesink Norba om de restauratie te adopteren.

foto boven: het parkwagentje in Leek.


21 februari 1840, Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant


29 april 1853, Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant


12 april 1870, Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant


13 december 1870, Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant


9 november 1870, Het Nieuws van den Dag; Kleine Courant


7 augustus 1875, Het Nieuws van den Dag; Kleine Courant


Geesink bracht een uitvinding op de markt om op hol geslagen paarden los te koppelen. Vergelijkbare systemen taan beschreven in Quadekker’s driedelige Het Paardenboek (1903), zoals dit Kimmich.


1886, Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant


Deze dos-à-dos gemaakt door Geesink heeft al even bijzondere lijnen als het parkwagentje.