Tegenover museum De Fundatie in Zwolle is het werk van kunstenaar en popartiest Herman Brood te zien in een gebouw waarvan de fundering uit 1444 stamt. Een paardenliefhebber ziet aan de gevel van het karakteristieke pand meteen iets opvallends, namelijk drie paardenhoofden. Die dateren van voor 1900, toen hier stalhouderij Hermanus Bosch was gevestigd. 

Als voormalige Hanzestad had Zwolle verbindingen over het water en over het land. Eeuwenlang was de comfortabelste manier om in Zwolle te komen over het water. De landroute vanuit Amsterdam verliep langs Naarden en vervolgens over de Veluwe over woeste gronden en zanderige karrensporen. De koninklijke diligence maakte in 1829 de omweg van Utrecht naar Amersfoort, Apeldoorn, Zutphen en Deventer naar Zwolle. Een Amsterdammer kon dus beter de stoomboot pakken en in Zwolle overstappen in een ‘overdekte wagen op veeren of riemen’ om het laatste eindje af te leggen.
In de stad zelf was wel het nodige particulier rijtuigverkeer. “Daar staat te Zwolle, een allerbeste koets voor vier personen, hangende in veeren, met ijzeren assen en gegoten bussen in de wielen, van binnen met gekleurd trijp, is na de eerste smaak zo goed als nieuw, te koop, na de waarde voor een geringe prijs, te bevragen te Groningen bij de postiljon Willem Heuving.” (Groninger Courant 1-1-1799)
In de Korte Voorstraat bouwt in het begin van de negentiende eeuw Hendrik de Wilde als meesterzadel- en wagenmaker gebombeerde chaisen en andere rijtuigen naar de laatste smaak. Net buiten de Diezerpoort maakt Godefridus van den Bosch in diezelfde periode een moderne char-à-banc op veren voor negen personen, naast wagens met glazen. En aan de Kamperpoort beoefent Jakobus Geesink het ambacht van meesterwagenmaker. In de tweede helft van de negentiende eeuw verdienen met name Van Deventer, Boezeman (Diezerpoort), Haverink (Diezerpoort), Hoenders, Bouwhuis (buiten de Sassenpoort), Van Tongeren (Ossemarkt), Overmars (Deventerstraat), Westerink (Deventerstraat) en Harms (Praubstraat) er de kost als rijtuigmaker. Zij bouwen niet alleen tilbury’s en Utrechtse wagentjes voor de boeren, maar ook ‘stadse’ rijtuigen als berline-landauers en vigilantes.
Vanouds zijn het de poorten van de stad waar de meeste nering op het gebied van paarden en rijtuigen plaatsvindt. Reizigers komen er aan met reparatiewerk, zoeken er vervoer om weg te komen of een plek om hun paard te stallen. Bijvoorbeeld bij De Pauw naast de Sassenpoort. En op 1 mei 1819 maakt pikeur Jacobus Casparus van den Helm bekend dat hij zijn stalhouderij verplaatst ‘voor de Diezerpoort op de Nieuwstad over de eerste waterput’. Zijn het tot dan toe vooral de logementhouders die er wat stalhouderwerk naast doen, daar komt verandering in door de aanleg van de treinverbinding van Utrecht naar Zwolle in de jaren 1860. In 1863, de spoorlijn is dan gevorderd tot Hattemerbroek, gaan de 22 postpaarden die bij de Kampoort staan gestald van de hand en komt er een einde aan het tijdperk van de diligence.

Dankzij de spoorlijn
Op 30 mei 1866 maakt Hermanus Bosch Hz. (1832-1903) bekend dat hij een nieuwe omnibusdienst gaat verzorgen vanaf het Heeren Logement van en naar alle treinen. Hij is ‘tevens beschikbaar voor alle ingezetenen tot aan en van hunne woning à 25 cents de persoon’. Bagage mag gratis mee. In de volgende winter rijdt de omnibus nog steeds, maar gaat het tarief met vijf cent omlaag. Twee jaar later vindt uitbreiding plaats: “Wij vernemen, dat de stalhouder H. Bosch alhier, op aandrang van vele handelaren en particulieren, concessie heeft aangevraagd voor eene omnibusdienst tusschen deze stad en Kampen, omdat, zoo als genoegzaam bekend is, de uursbepalingen van den Centraalspoorweg voor het reizend publiek hoogst ongeriefelijk zijn. Die omnibus zal vertrekken: van Zwolle des morgens te 7 uren en van Kampen des namiddags te 3 uren.” (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 27-11-1868)
De omnibus rijdt tussen Hotel de Zon in Zwolle en Hotel De Dom van Keulen in Kampen. Met de komst van de trein neemt het aantal reizigers gestaag toe. Het zijn daarmee welvarende tijden voor de stalhouderij. In 1874 verhuist Bosch van de Nieuwstraat naar de Blijmarkt. Daar, op de ‘hoek van de Blijmarkt’, zat al vanouds de stalhouderij van logementhouder Willem Diepenheim van ‘De Koning van Engeland’, maar diens zoon en kleinzoon – beiden een Jan – verlegden in 1872 hun werkterrein van de stad naar de Nieuwe Haven, om van daaruit met tramwagens op het Katerveer te rijden en goederen te laden en te lossen die per boot aankomen. Iedere stalhouder heeft zijn vakgebied. Zo houden Willem Kiers en zijn zoon Klaas Bosch – geen familie van – aan de Hoogstraat pony’s, bokken en vier ezels om ritjes te verzorgen met kinderen. Ze gebruiken er tentwagentjes, ponytilbury’s en een piepkleine victoria voor, maar het is overduidelijk geen vetpot. In 1892 heft Klaas de boel op.

Kwade droes
Beter gaat het met Bosch aan de Blijmarkt, waar na Hermanus ook zoon Hermannus (1860-1910) en kleinzoon Jan Hendrik (1867-1903) in de zaak komen. Niet dat het ze een halve eeuw van een leien dakje zal gaan, want in de jaren 1870 waart er bijvoorbeeld kwade droes rond in de kop van Overijssel, een uiterst besmettelijke paardenziekte met in de meeste gevallen een fatale afloop. Omdat kwade droes een serieus gevaar vormt voor met name de paarden in het leger, en daarmee de weerbaarheid van ons land, treedt de overheid streng op als het ergens uitbreekt. “Heden zijn de drie paarden van den stalhouder Bosch aan de Blijmarkt, die door den districts-veearts verklaard waren te lijden aan kwaden droes, afgemaakt, verbrand en begraven. Zij waren reeds drie weken buiten aanraking gehouden met de andere paarden van Bosch.” (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 22-9-1876)
Vrolijker nieuws is er op 26 januari 1885 wanneer Hermanus Bosch een slederitje met één paard maakt over het bevroren Zwarte Water van de Kamperpoort naar de Rademakerszijl, een sluizencomplex ten westen van Zwolle, en terug. Het is een zeldzame gebeurtenis, die te danken is aan het heerlijke winterweer. Overal staan stadsgenoten op schaatsen en op het ijs nabij de Sassenpoort houden jongens een ‘harddraverij op klompen’. 1885 is ook het jaar waarin Bosch een eersteklaslijkkoets zoekt om het aanbod van zijn bedrijf uit te breiden. De grote handspuit van de gemeente Zwollerkerspel staat bij hem in de stalling, net als een Bijbelwagen waarmee de dominees De Jonge en De Haan hun boodschap verspreiden.

Postritten
Een van de klussen is het verzorgen van postritten naar plaatsen in de omgeving en naar het noorden, waar de trein niet komt. Bosch heeft in 1875 als officiële ‘aanbieder der postritten’ paarden voor dit doel gestald in Meppel. Aan de ene kant is het aantrekkelijk werk door de continuïteit die het geeft, tegelijkertijd brengt het kosten met zich mee, want de posterijen schrijven voor met welk type wagen dit moet gebeuren en in welk uniform de postiljon gekleed dient te gaan. In 1879 vindt verlenging van Bosch’ contract plaats voor de ritten Zwolle-Almelo, Zwolle-Coevorden-Hoogeveen, Zwolle-Blokzijl, Heerenveen-Assen, Heerenveen-Drachten en postkantoor-station Zwolle. Het royale contract van jaarlijks ƒ 22.881,- maakt het meer dan de moeite waard. Het contract heeft telkens een looptijd van vier jaar en daarna dient er opnieuw te worden ingeschreven.
Soms grijpt Bosch mis. Op 26 oktober 1887 vindt bij logement de Hanekamp in opdracht van Bosch een verkoping plaats van tien paarden en “eenige rijtuigen, waaronder 3 postpakketrijtuigen op 4 wielen, geschikt voor reserverijtuigen der posterijen en voor groote bierkarren, zoomede eenige zeer goede postkarren.” In latere jaren krijgt Bosch het werk opnieuw gegund. Met een briefkaart vraagt de stalhouder in 1903 aan de directeur van het postkantoor in Hoogeveen wanneer de kleren van de postiljon klaar zijn. Het komt blijkbaar goed uit dat die kleren nog niet af zijn, want Bosch is ook nog niet ‘klaar’ met de postiljon, waarbij niet helemaal duidelijk is wat hij bedoelt. De bemanning van een postwagen bestond uit een ‘postiljon’ of beter gezegd koetsier van de stalhouderij, en een conducteur van de posterijen. De één verantwoordelijk voor het transport, de andere voor de brieven en pakketjes. In 1905 viert Hendrik Boomkens zijn dertigjarig jubileum als conducteur 1ste klasse op de routes van Zwolle naar Meppel, Assen en Almelo, dus op de postwagens van Bosch. De 66-jarige Boomkens krijgt er de eremedaille in de Orde van Oranje-Nassau voor. “Nergens voelt hij zich dan ook beter thuis dan in den postwagen, waarmede hij al die jaren bij nacht, en dag in weer en wind met den postiljon op den bok lief en leed, gure koude en verschroeiende warmte heeft gedeeld. Sneeuwwit is zijn haar en baard, maar jong en vol levenslust nog zijn hart en zijn persoon, dat zal ieder erkennen die hem uit den wagen ziet stappen of hem opgewekt ‘klaar’ tot den postiljon hoort roepen.” (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 14-1-1905)

Bijtende honden
Lief en leed zijn ook zaken die in het dagelijks leven in de stalhouderij voorbijkomen. “Gisteren middag heeft een paard van den stalhouder Bosch, dat naar den hoefsmid moest gebracht worden, zijn berijder, den zoon van de wed. D., in het Terpelkwijkpark op den grond geworpen en is toen op den loop gegaan. Het werd door een knecht van den heer B. in de Koestraat tot staan gebracht.” (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 18-9-1893) “Hedenmiddag omstreeks 3 uur kantelde een wagen beladen met hooi en bestemd voor den stalhouder H. Bosch op de Blijmarkt ter hoogte van het huis van den heer van Voorst tot Voorst. Daar de straat hier nog al breed is had het verkeer geen vertraging. Een en ander liep zonder ongelukken af.” (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 22-2-1901)
Het zijn ongelukken van alle tijden en waar niet direct een schuldvraag aan de orde is. Anders ligt het wanneer J.v.R., koetsier in dienst van stalhouderij Bosch, in hoger beroep in maart 1902 wordt veroordeeld tot ƒ 25,- of vijf dagen hechtenis wegens onvoldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede zijnde gevaarlijk dier (een foxterriër). Een onderwijzer te Zwolle werd namelijk in januari aangevallen door twee foxterriërs in het bezit van Bosch. Het slachtoffer kwam er bloedend en met een kapotgescheurde broek vanaf. Het verweer van de koetsier dat een van de honden een muilkorf omhad kan hem niet helpen, want de president van de rechtbank merkt op ‘dat de halve stad wel wist, dat er kwade honden in den stal van Bosch waren’ en bevestigt het eerdere vonnis van de kantonrechter. Een eeuw later zal een rechter een ander vonnis wijzen en is de eigenaar van het dier aansprakelijk.
In 1898 krijgt Bosch van fabrikant Derk Buisman opdracht om achter de optocht in Zwartsluis aan te rijden. Wat zo’n ritje kost? Buisman, bekend van zijn gebrande suiker als smaakversterker voor in de koffie, krijgt na afloop een voor die tijd stevige rekening van ƒ 12,10. Eind september 1902 rijden de rijtuigen van Bosch voor het inhalen van Louis Botha en Koos de la Rey die in Nederland zijn om fondsen te werven voor Zuid-Afrikaanse weduwen en kinderen, nadat ze eerder dat jaar een vredesverdrag hebben moeten ondertekenen, gedwongen door de Britse tactiek van de verschroeide aarde en het opsluiten van de boerenbevolking in concentratiekampen. In Zwolle wacht de boerengeneraals een ware zegetocht door het enthousiaste publiek, met horden fietsers en rennende jongens die naast de rijtuigen blijven hangen en het toewerpen van bloemen.

Gestolen tuig
Na het overlijden van zijn vader in 1903 weet Hermannus de zaak voortvarend te houden. Zo adverteert de wasserij Molenbeek uit Heerde van in ieder geval van 1902 tot 1908 dat de dames van Zwolle op maandag hun was kunnen brengen en ophalen bij de stalhouderij. En Bosch houdt de notabelen van de stad te vriend. Zo stelt hij gratis een landauer beschikbaar voor het 25-jarig jubileum van de keurmeester van de veemarkt, Polak, en aan de eveneens jubilerende politiecommissaris Van Nieuwland. Zulke vriendendiensten komen altijd een keer van pas. Bijvoorbeeld voor het oppakken van Abraham P., die in de nacht van 29 op 30 juli 1909 een tuig steelt van Bosch en dat de volgende dag voor 50 cent en twee borrels verkoopt aan ene David de Lange. Abraham kreeg al talrijke veroordelingen wegens landloperij, bedelarij, veediefstal en daarom eist het openbaar ministerie ditmaal vier maand gevangenisstraf. Zijn advocaat wijst erop dat Abraham eigenlijk iemand is die niet misdadig door de omstandigheden tot diefstal gedreven wordt. Hij behoort tot degenen die telkens in Veenbuizen terechtkomen ‘en daar ook wel graag zijn’. Vandaar dat alle partijen vier maanden in het gevang een prima veroordeling vinden.
“Zaterdagmiddag had te Lemele een treurig ongeval plaats, toen een rijtuig van den stalhouder de Wed. H. Bosch te Zwolle den overweg van den locaalspoor aldaar passeerde, werd door den koetsier W. Bos de aankomende trein van 12.12 niet opgemerkt. Het rijtuig werd door de machine gegrepen en grootendeels vernield. De koetsier bleef nog op zijn plaats maar gaf na het ongeval geen teekenen van leven meer. De inzittende, de heer J.V., opzichter der provinciale wegen te Zwolle, kwam er wonderlijk goed af met een lichte verwonding aan den arm. De locomotief trof juist achter het paard het rijtuig en duwde dit wel twintig meter over de rails voort totdat de trein stilstond. Het rijtuig hing aan stukjes in elkaar, onbegrijpelijk is het dat de heer V er zoo goed als ongedeerd is afgekomen. Het lijk van den koetsier werd terstond per trein naar Zwolle vervoerd. Het paard bekwam nagenoeg geen letsel. De machinist moet al het mogelijke gedaan hebben den trein tot stilstand te brengen wat hem wegens den korten afstand niet gelukken mocht.” (Nieuwsblad van het Noorden 19-06-1911)

Watersnood 1916
Na het overlijden van Hermannus in 1910 neemt Jacob van Riel (1855-1940) ‘die sedert jaren in de zaak werkzaam is’ het over. Hij maakt op 13 januari 1916 de watersnood mee. Voor het gereedkomen van de Afsluitdijk in 1933 staat de Zuiderzee nog in open verbinding met de Noordzee en dat maakt het binnenland kwetsbaar voor hoog water. Wanneer op die bewuste dag in 1916 de noordwesterwind aanzwelt tot orkaansterkte, houden de dijken geen stand tegen het opgestuwde water en komt een groot deel van Zwolle onder water te staan. “Men seint ons uit Zwolle; Hier heerscht een ongekende watersnood. De noordwesterstorm heeft het water zoo hoog opgedreven als in geen menschenheugenis is gebeurd. Een zeer groot gedeelte van de binnenstad staat onder water. In enkele straten staat het wel meer dan een halven meter hoog.” (Nieuws van de Dag 14-1-1916). Bij Bosch stroomt het water in het koetshuis en in de stallen. Het zal met name in de maanden daarna nog merkbaar zijn aan het verspochten van de tuigen en aan de rijtuigwielen.
Jacob van Riel werkt door tot 1925, wanneer concurrent Martinus Johannes Diepenheim de firma vh Bosch opheft en verder gaat onder de naam Diepenheim’s stalhouderij vh fa H. Bosch. In december 1937 valt het doek aan de Blijmarkt met de verkoping van het laatste zwarte paard en zes rijtuigen. De laatste stalhouderij die uiteindelijk in Zwolle standhoudt is Gait Mulder, in 1927 vennoot met Diepenheim, Mateboer en Zwartjens in de ‘Zwolsche Stalhouders Begrafenis Onderneming’. Met hun vieren regelden zij onderling het rouwvervoer ‘op deftige wijze en tegen vastgestelde prijzen’.

De laatste van Zwolle
“Denk er niet aan. Alleen wanneer het zoover is, dat u er aan moet denken, denk dan aan Mulder’s stalhouderij. Met de meeste zorg wordt alles door ons geregeld”, adverteert Gait Mulder (1893-1967) in 1937 als begrafenisonderneming voor het werk dat de beste verdiensten oplevert. Mulder was gestart in 1919 met het overnemen van de stalhouderij van Van Til aan de Diezerkade, voor met name het verhuiswerk met tapissières en meubelwagens. Van Til ging zelf een eindje verderop in de Diezerstraat met automobielen en nam afscheid van de paarden. Mulder zag echter nog wel brood in paarden en breidde het werk uit naar trouwpartijen en begrafenissen. In de oorlogsjaren veertig voert zijn ‘Zwolsche Rijtuig Maatschappij’ stadsritten uit die een gulden per rit kosten en bij gladde weggesteldheid een kwartje meer wegens ‘scherp beslag’. Van een grotere luxe is het wanneer het koninklijk staldepartement bij Mulder aan gaat spannen voor het bezoek van prinses Juliana op 4 en 5 september 1945, een half jaar na de bevrijding van Zwolle.
In de rubriek ‘Mensen om ons heen’ beschrijft een journalist onder het pseudoniem Loupe markante Zwollenaren in de provinciale courant. Op 26 maart 1949 is dat de laatste stalhouder: “Stalhouder Gerrit oftewel Gait Mulder is de populairste man van Zwolle. Noem me een tweede zo bekend als hij! Die roem heeft natuurlijk zijn redenen, waarvan ik de bruiloften voorop wil noemen. In de laatste dertig jaar zat Mulder vierduizend maal op de bok van het feestelijke trouwcoupé-tje, terwijl zijn schimmels twee jonge mensen via Stadhuis en Kerk naar de huwelijkse staat voerden. Die coupé en landauers, de schimmels Tello en Rinko en de zwarte, schoon getoiletteerde Gelderse paarden geven fleur en kleur aan zo’n gebeurtenis, maar Mulder hoort toch in zijn volle omvang op de bok van het galarijtuig te tronen om het feest werkelijk compleet te doen zijn. Dat ‘in zijn volle omvang’ wil zeggen, dat er dan 274 pond op de bok zit, maar de sporadisch voorkomende Zwollenaren, voor wie Mulder een onbekende is, moeten niet denken, dat dit machtige gewicht hem maakt tot een trage, amechtige, oude man. Verre van dat. Je zou hem beslist geen 55 geven, zeker niet wanneer hij op een concours-hippique in actie is en in zijn karretje, achter zijn showpaarden Hans en Egon gezeten, prijzen in de wacht sleept. Mulder en zijn paarden zijn één. Plechtstatig gezegd: Gerrit Mulder’s leven staat in het teken van het paard. Om te beginnen heette zijn geboortehuis in de Thomas a Kempisstraat al ‘Het Zwarte Paard’, een stalhouderij-café, in ’39 opgeheven.”

Je zwemt door
“Als kleine jongen leerde Gait bij het ouderlijk huis rijden, mennen, poetsen, toiletteren en al die andere dingen, die nodig zijn om in een stalhouderij je brood te kunnen verdienen. En zo was Mulder in 1919 in staat zijn eigen zaak op poten – of laat me in dit geval maar liever zeggen, op benen te zetten. Hij begon met twee paarden in een tijd, dat onze stad nog zeven stalhouderijen had, werkte hard en vooral met animo, van ’s ochtends half zeven tot ’s avonds, kocht de herenstal van baron van Pallandt aan het Klein Grachtje, breidde zijn bedrijf steeds uit en heeft nu dertig jaar later 17 paarden. De enige honderd procent-stalhouder in Zwolle, die de concurrentie van de auto overleefd heeft. ‘Wanneer een stalhouder zijn spullen goed verzorgt, dan kan hij zich handhaven’, zegt Mulder. Maar meevallen doet het in deze tijd niet. ‘M’n paarden vreten een kapitaal aan voer op, 1.000 kg hooi en 700 kg fijn paardenmeel in de week en verder is er haast niet aan materiaal te komen. Zover ik weet, is er in ons hele land geen speciale rijtuigenfabriek meer te vinden. Je moet dus steeds de oude bullen op laten knappen en vraag niet wat dat kost! Met de paarden gaat het nu weer iets gemakkelijker. In de oorlog ben ik er 22 aan de Duitsers kwijt geraakt. Je kreeg er dan wel ƒ 1.200 per stuk voor, maar wanneer ik weer een nieuwe moest kopen, had ik toch altijd een strop van een paar honderd gulden. Om rijk te worden, moet je de stalhouderij niet als je beroep kiezen. M’n vrouw en ik zijn blij als we heel gewoon rond kunnen komen en dan hebben we nog niet eens kinderen. Maar ja, je zwemt door, als je van je werk houdt.’ En dat doet Mulder. Praat over paarden en hij begint te glimmen van genoegen, vooral als je hem vraagt of hij er wel eens last mee heeft. ‘Nooit’, zegt Mulder en hij gaat er eens rechtop voor zitten, voor het raam van zijn bovenhuis op het Diezerplein. ‘De meesten schreeuwen te veel en zijn in hun hart bang. Je moet je nergens iets van aantrekken. Doorlopen met de hand in de zak. Niet dat benauwde! Als zijn ze nog zo ondeugend, ik span ze in. Alles span ik in, al is het ook een leeuw.’ ‘Opschepper’, zegt zijn vrouw en dan is het haar beurt om te vertellen, wat ze op haar hart heeft. ‘Ik houd van paarden. Zelf ben ik op een boerderij groot gebracht, waar nu Dijk zit bij de Vrolijkheid, maar misschien juist, omdat ik buiten opgegroeid ben, verlang ik er soms zo naar dit bovenhuisje om te ruilen voor een huisje buitenaf. Maar mijn man kan de zaak niet loslaten. Hij leeft erin en wat doe je dan als vrouw. Toegeven.’ Mulder lacht maar eens en vertelt dan verder over zijn omgang met paarden. ‘Het is allemaal een kwestie van aanvoelen. Ook het mennen. Zo kost het me niets geen moeite om met vier paarden te rijden. Vorig jaar, toen kardinaal de Jong hier was, heb ik het nog voor het laatst gedaan.’ ‘Liefhebberijen? Zondags met de brik er op uit. Wanneer het een beetje behoorlijk weer is, gaan mijn vrouw en ik op stap. En dan verder de landelijke rijsport. Van ‘Rijden is Kunst’ uit Ittersum ben ik bestuurslid.’ En zo ziet ge lezers, dat het me niet lukte hem van het paarden-chapiter af te brengen. Het kostte me zelfs moeite na twee uur luisteren het gezellig paarden-gepraat af te breken, want Gait Mulder is op dit gebied een goed en prettig verteller.” (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 26-3-1949)
Mulder was in 1928 getrouwd met de zeven jaar oudere Hendrika Westerhof, de dochter van een paardenscheerder uit Zwollerkerspel.

Kostelijke antwoorden
In oktober 1949 komt er opnieuw hoog bezoek aan het Diezerplein, wanneer het koninklijk staldepartement er een landauer à la d’Aumont aanspant voor het eerste officiële bezoek van koningin Juliana en prins Bernhard aan Overijssel. Mulder krijgt het paar niet in een van zijn rijtuigen, maar mag wel aan kop van de koninklijke stoet rijden met andere prominenten. Voor de schimmels Rinko en Tello, die jaarrond talloze bruidspaartjes naar het stadhuis brengen, is met name december een drukke maand. Dan halen ze overal in de omgeving, van Dalfsen tot in Zwolle, Sinterklaas binnen. Een curieus bericht, maar voor paardenmensen herkenbaar, is dit voorval uit het Overijsselsch Dagblad (13-10-1953): “In alle sierlijkheid reed een koets van Gait Mulder door de Diezerstraat. De zwarte paarden draafden geconcentreerd met geheven koppen. De koets vervoerde een stralend bruidspaar, zij in smetteloos wit, hij in correct zwart. Wreed werden de rossinanten uit hun concentratie gesleurd door het spatten van water, dat een dienstmaagd over het trottoir gooide. De paarden schrokken, sprongen opzij en de koets reed een geparkeerd staande bestelauto aan. Zenuwachtig bruidspaar, zenuwachtige paarden en een rustige Gait Mulder namen tijd en schade op. Tien minuten vertraging en een spatbord en wieldop beschadigd.”
Voor zover zijn stadsgenoten hem al niet kennen, wordt Gait helemaal beroemd wanneer hij in 1955 bij de Vara op de radio komt en ‘op z’n Zwols’ antwoord geeft op de vragen die de presentator van ‘Leert uw landgenoten kennen!’ op hem afvuurt. Het zijn ‘kostelijke antwoorden die het door de luidspreker best zullen doen’, kondigt de krant aan.
In 1956 doet Gait Mulder de deuren dicht met een opheffingsverkoop. Daags ervoor rijdt hij met zes rijtuigen zijn laatste bruiloft, zelf voorop met een bloem in het knoopsgat en de zweep opgefleurd met narcissen.

Onder de hamer
“„Niemand meer dan acht gulden…. niemand …. verkocht!” In honderden stukjes is zo vanochtend en vanmiddag de stalhouderij van Galt Mulder onder de hamer gegaan. Veilingmeester M. van Delden uit Amsterdam heeft zich er schor bij geschreeuwd, omdat de honderden kopers en kijkers een nogal rumoerig geheel vormden. Notaris G. M. Meppelink deed dan ook enige malen een dringend beroep om meer stilte te betrachten, maar dit sorteerde slechts voor korte tijd effect. En eigenlijk hoort het ook bij een veiling dat opgewonden gepraat, de bespiegelingen over kwaliteit en prijs, het commentaar op het spel van het bieden.

Er viel op heel wat te bieden, te beginnen bij een hooivork, greep en schop en tenslotte als nummer 330 een partij diversen. Die catalogus was voor de buitenstaander een stuk geheimschrift. Twee gummisnaffels, een trouwspiegel, keelband voor windzuiger, staatsieberliner en meer geheim spul dat alleen een man uit het vak iets te zeggen had. Wel, er waren vaklui genoeg en zelfs de kleinste partijtjes vonden vlug een koper, of het nu om een mat ging of om een zweetmes en brandpan. Gait Mulder, in een kaki jas en met een forse sigaar in zijn mond, zag deze uitverkoop aan vanaf ’n stoel op het podium. Uiterlijk onbewogen, maar het is ongetwijfeld een zware dag voor hem geweest al die spullen, waarop hij trots was en die hij zoveel jaren met liefde heeft laten poetsen en verzorgen, in vreemde handen te zien overgaan. Het waren herinneringsstukken ook denken we aan een doornen dameszweep, een boogzweep en luszweep.
Het ging allemaal onder de hamer, na door ’n hulp van de veilingmeester omhoog te zijn gehouden. Twaalf witte Engelse dassen, bokjassen in diverse kleuren, zomer jassen, rijschorten-schootkleedjes, allerlei soorten tuigen, zadels, hoofdstellen, trensen en halsters, teugels, halshout, leerwerk en op het laatst de twee trouwcoupeetjes, de landauers, de concoursspiders, de wagonette. Lijkkoetsen ook en staatsiekoetsen en niet te vergeten de antieke Jan Plezier. Op het einde van de lijst stonden de veertien paarden, tuigpaarden en concourspaarden, chique rijpaarden, kortom: de ziel van het bedrijf van Mulder. Het werd allemaal verkocht, voetstoots zonder actie of reactie, zichtbare of verborgen gebreken, gezien of niet gezien, in elk geval contant met elf cents opgeld van elke gulden en tien cents nummergeld van elke koop, zoals artikel 1 van de veilconditiën luidde.” (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 13-4-1956)

Aansprekers
Wanneer tijdens de verkoping een dronken vent begint te schreeuwen, grijpt Gait Mulder die persoonlijk in de kraag om aan twee opgetrommelde agenten uit te leveren. ƒ 170,- brengt een coupé op. De janplezier gaat naar Dierenpark Wassenaar (het echtpaar Louman), een van de twee coupés en twee landauers komen in bezit van rijvereniging Rijden is Kunnen. Af en toe doet de rijvereniging daarna nog een beroep op de stuurmanskunsten van Mulder voor het rijden van een bruidspaar, zoals oktober 1958 voor het huwelijk van bestuurslid Gerrit Luchtenbelt en Willy Middag, waarvoor Gait Mulder een gelegenheidsvierspan voor de coupé zet. Als bekende stadgenoot blijft hij in de belangstelling staan. Mulder zegt later nog over de stalhouderijen in Nederland met onheilspellende stem: “Ze gaan er allemaal aan. En weet u wat de oorzaak was? Trouwerijen hadden we hier nog zat. Maar geen begrafenissen. De aansprekers willen niet meer lopen. Dat is de grootste factor geweest.” (Trouw 19-08-1959)

Ton Kruithof
Een landauer (Hermans, Den Haag) en de coupé (Veth, Arnhem) die rijvereniging Rijden is Kunnen opkocht zijn tegenwoordig het eigendom van Ton Kruithof uit Wapenveld en hij gebruikt ze nog af en toe voor een bruiloft. Hij vertelt: “Mijn verhaal begint bij de huur begin jaren ‘80 en later de koop van de landauer via briefjes inleveren bij een openbare verkoop. Ik was de gelukkige, inclusief de bijpassende lampen. Het rijtuig was Zwols blauw geschilderd, brrr… De laatste honderd gulden heb ik betaald met koperen stuivers en centen, de eeuwige controverse bevestigend tussen Zwolle en Kampen. Een betwiste belasting opgelegd door de bisschop werd betaald met karrevrachten kopergeld zodat de Zwollenaren zich ‘blauwe vingers’ hebben geteld. Herman Emmink uit Froombosch heeft de Landauer gerestaureerd, alleen de bekleding is sleets maar nog origineel. Vijf jaar geleden heb ik nog een Zwols bruidspaar gereden met Lies Bremer als palfrenier, stel je voor hoe trots zij was en vertelde hoe zij naast die grote Mulder als dertienjarig meisje al op hetzelfde rijtuig zat als ‘palfrenier’. Na de veiling in de jaren ‘80 heb ik geprobeerd de Veth coupé ook te kopen, antwoord van een bestuurslid: ‘Het is al erg genoeg dat een Kampenaar één rijtuig van ons heeft.’ Een tien jaar geleden heeft het huidige ‘verstandige’ bestuur mij alsnog de kans gegeven de coupé met de originele lampen aan te schaffen, mede in de hoop dat deze museale geschiedenis behouden blijft voor de regio. Dat ook is mijn hoop, want deze rijtuigen zijn onafgebroken meer dan een eeuw in Zwolle en omgeving gebruikt.”

Foto boven: Eindexamenfeestje van Gymnasium Celeanum (foto Historisch Centrum Overijssel). 

Gepeperde rekening voor Buisman, de bekende fabrikant van smaakversterker in de koffie, uit Zwartsluis.

Wanneer komt het postiljonsuniform, vraagt Bosch aan de directeur van het postkantoor in Hoogeveen.

Jacob van Riel ‘die sedert jaren in de zaak werkzaam is’ maakt als eigenaar van de stalhouderij de watersnood mee op 13 januari 1916 (foto Historisch Centrum Overijssel).

Drie landauers met op de achtergrond de Zwolse Sassenpoort (foto Historisch Centrum Overijssel).


Gait Mulder als laatste stalhouder met de trouwcoupé.


Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 20-5-1925.


In oktober 1949 spant het koninklijk staldepartement een
landauer à la d’Aumont aan voor het bezoek van koningin
Juliana en prins Bernhard (foto Hist. Centrum Overijssel).


Gait Mulder op de bok.


Overijsselsch Dagblad 1-5-1954.


Schetsen van de verkoping uit de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 13-4-1956.


Mulder klaar voor een officiële gebeurtenis met de landauer.


Een landauer (links) en de coupé (rechts) die rijvereniging Rijden
is Kunnen opkocht zijn tegenwoordig het eigendom van Ton
Kruithof uit Wapenveld. (foto’s Ton Kruithof)